id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.469 Rolnummer: A. 144627/IX-3994 Zaak: Arrest 131469 - - 17/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-27 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:29 Fiche Arrest nr 131.469 van 17 mei 2004 - Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.469 van 17 mei 2004 in de zaak A. 144.627/IX-3994. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaten E. STORME en I. ROGIERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Verenigingstraat 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : 1. de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, 2. het College van de Federale Ombudsmannen, dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 28 november 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 september 2003 van het college van de federale ombudsmannen waarbij zij zonder vooropzeg, wordt ontslagen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-3994-1/11 Gelet op de beschikking van 31 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. ROGIERS, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat L. SCHELLEKENS, die loco advocaten D. D'HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE verschijnt voor de eerste vertegen- woordiger van de verwerende partij, en van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de aanwijzing van de verwerende partij. 1.1. Overwegende dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers die door verzoekster als verwerende partij werd aangewezen, vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; 1.2. Overwegende dat luidens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad van State uitspraak doet bij wijze van arresten over beroepen tot nietigverklaringen ingesteld tegen akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden alsook tegen de administratieve handeling- en van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel”; dat hieruit volgt dat de ombudsmannen beschouwd worden als organen van de wetgevende vergaderingen waarvan de administratieve handelingen met betrekking tot overheidsopdrachten en de leden van hun personeel voor de Raad van State kunnen worden aangevochten; dat zulks evenwel niet betekent dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers het college van de federale ombudsmannen voor de Raad van State dient te vertegenwoordigen; dat immers artikel 2, eerste lid, van de wet van IX-3994-2/11 26 mei 2003 tot regeling van de vertegenwoordiging van de federale Wetgevende Kamers in en buiten rechte bepaalt dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers of de Senaat de Staat in en buiten rechte vertegenwoordigt “indien de assemblée bevoegd is voor het voorwerp van het geschil of van de handeling”; dat te dezen de bestreden beslissing van het college van de federale ombudsmannen niet behoort tot de bevoegdheid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers; dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers derhalve buiten de zaak moet worden gesteld; 2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. Verzoekster is op 1 oktober 2001 vast benoemd tot attaché bij het college van de federale ombudsmannen. 2.2. Op 3 juli 2003 beslist het college van de federale ombudsmannen om haar “in het belang van de dienst bij maatregel van inwendige orde” de toegang tot de kantoren van het college van de federale ombudsmannen te ontzeggen voor een termijn van één maand. Die beslissing vermeldt onder meer het volgende : “Gelet op het feit dat Mevrouw XXXX, attaché, op aanhoudende wijze sedert verschillende weken het functioneren van de dienst verstoort niet enkel door een verdere achterstand in haar dossierbeheer op te bouwen, maar ook door zich aan andere collega’s, zowel van de eigen afdeling als van de andere afdeling op te dringen met ongewenste langdurige gesprekken die ze niet op prijs stellen en die deze collega*s verhinderen hun taken naar behoren te vervullen en die aldus onder meer het goede verloop van het globale dossierbeheer in het College ernstig verstoren”. 2.3. Op 10 juli 2003 wordt een ambtenaar-verslaggever door het college van de federale ombudsmannen belast met een onderzoek. In die beslissing wordt onder meer het volgende gesteld : “Gelet op het feit dat wanneer ambtenaren niet voldoen aan hun professionele of statutaire verplichtingen, ze het voorwerp kunnen zijn van de maatregelen, bepaald in het Hoofdstuk ‘IX : De tuchtregeling’, inzonderheid artikel 73 en Hoofdstuk ‘X : Beëindiging van het ambt’, inzonderheid artikel 87; IX-3994-3/11 Dat de feiten en werkzaamheden die voormelde maatregel van inwendige orde voorafgaan en waarbij Mevrouw XXXX, attaché, betrokken is, kunnen ressorteren onder voormelde omschrijving en een nader onderzoek vergen”. 2.4. Op 15 juli 2003 vat de ambtenaar-verslaggever zijn opdracht aan met de ondervraging van een aantal personeelsleden. Op 28 en 29 juli 2003 verhoort hij verzoekster. 2.5. Op 30 juli 2003 wordt zij verhoord in verband met een voorstel tot verlenging van de maatregel van inwendige orde en daags nadien beslist het college van de federale ombudsmannen die maatregel te verlengen voor de duur van twee maanden. 2.6. Op 1 augustus 2003 deelt de ambtenaar-verslaggever aan verzoekster mede dat zijn onderzoek is afgesloten. Haar worden “een geheel van feiten (ten laste gelegd) die te Brussel gepleegd werden tijdens de diensturen tussen 13 mei 2003 en 3 juli 2003”. Zij worden als volgt samengevat : “XXXX heeft niet plichtsbewust de haar opgedragen taken vervuld. Zij heeft haar functie niet op loyale en onberispelijke wijze uitgeoefend en deed afbreuk aan de waardigheid van het ambt. Zij is bij de ten laste gelegde handelingen, in het kader van haar ambt of daarbuiten, het vertrouwen niet waardig gebleven dat de ombudsmannen in haar meenden te kunnen stellen. Deze feiten waarbij overigens ook -en niet in het minst- de achtbaarheid van de directie in vraag werd gesteld, hebben onder de medewerkers ongerustheid verwekt en ergernis verwekt, en hebben ernstig afbreuk gedaan aan de goede werking van de instelling, getroffen door desorganisatie van het werk van dossierbeheerders met weerslag op hun welzijn op de werkvloer. XXXX heeft verder op 17 juni 2003 bij het aanwenden van haar recht op vrije meningsuiting de waardigheid van het College van federale ombudsmannen in het openbaar geschaad”. 2.7. Verzoekster wordt op 26 en 29 augustus 2003 opnieuw door de ambtenaar-verslaggever gehoord. Hij deelt haar daarop op 5 september 2003 een voorstel tot ontslag zonder vooropzeg mee en behoudt de tenlastelegging voor “een geheel van feiten, die te Brussel gepleegd werden tijdens de diensturen tussen 1 juni 2003 en 3 juli 2003”. 2.8. Op 18 september 2003 maakt verzoekster haar schriftelijke opmerkingen. Zij wordt op 24 september 2003 door het college van de federale ombudsmannen gehoord. IX-3994-4/11 2.9. ‘s Anderendaags, op 25 september 2003, beslist het college van de federale ombudsmannen haar te ontslaan zonder vooropzeg. Deze beslissing wordt haar bij brief van 29 september 2003 ter kennis gebracht. 3. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat verzoekster, met betrekking tot de eerste voorwaarde, in een eerste onderdeel van een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen doordat dat “de bestreden beslissing voorbijgaat aan het feit dat het gedrag van verzoekster te wijten was aan een burn- out (en “het historisch passief”) waarvan de verwerende partij sinds lange tijd kennis had, (
- en)de bestreden beslissing (eveneens) voorbijgaat aan het belangrijke feitelijke gegeven dat haar gedrag van verzoekster werd beïnvloed door het uitvallen en overlijden van een dierbare collega waarvan de verwerende partij eveneens kennis had”; dat zij hierbij uiteenzet dat geen rekening werd gehouden met het feit dat zij reeds van bij het begin een te groot aantal dossiers te verwerken kreeg; dat zij reeds in maart 2002 gewezen had op een dreigende "burn-out"; dat de verwerende partij op de hoogte was van dit probleem, maar, op één tijdelijke maatregel na, niets ondernomen heeft om haar werksituatie te verbeteren, en dat het wegvallen, het overlijden en de uitvaart van een collega een grote indruk op haar heeft nagelaten en veel emoties heeft losgemaakt; dat de ambtenaar-verslaggever reeds voor de aanvang van het onderzoek op de hoogte was van het emotioneel probleem van verzoekster, dat zulks ook in haar afdeling en bij andere ambtenaren gekend was en dat zij in haar opmerkingen bij het verslag van de ambtenaar-verslaggever erop gewezen heeft dat het wegvallen van de collega en niet alleen diens overlijden voor haar een eerste zeer ernstige gebeurtenis is geweest, maar dat daarop in de bestreden beslissing niet werd ingegaan; dat zij ook opmerkt dat de ambtenaar-verslaggever reeds in een e-mail van 19 juni 2003 een uitgesproken negatieve houding ten haren opzichte heeft aangeno- IX-3994-5/11 men en zulks verklaart waarom met de voormelde feiten en gelijkluidende getuigenis- sen geen rekening werd gehouden; 3.1.2. Overwegende dat de tweede verwerende partij daarop antwoordt dat in de bestreden beslissing op de argumentatie van verzoekster passend geantwoord is en terecht is geoordeeld dat verzoekster toerekeningsvatbaar bleef; dat de ten laste gelegde feiten betrekking hebben op de periode van 1 juni 2003 tot 2 juli 2003; dat verzoekster zich pas nadien voor het eerst tot de huisarts heeft gewend en dat zij in staat is gebleken om zich persoonlijk te verweren tijdens de ganse procedure; dat zijzelf heeft erkend dat zij geenszins ziek was; dat zij nooit een bewijs heeft voorgelegd dat zij zich in een dergelijke medische of psychische toestand zou bevinden dat de gepleegde feiten hierdoor zouden worden verschoond; dat degene die een verschoningsgrond inroept hiervan het bewijs dient te leveren en dat een medisch attest van een latere datum geen afdoende bewijs oplevert; dat ook de bewering dat de feiten op één na zouden gepleegd zijn na het overlijden van haar collega, waardoor zij emotioneel in de war is geraakt in de bestreden beslissing is weerlegd; 3.1.3. Overwegende dat het ontslag zonder opzeg -dit betekent een onmiddellijk ontslag- wegens vastgestelde inbreuken op sommige statutaire bepalingen, die ook door de verwerende partij als tenlastelegging worden beschouwd, volkomen kadert in een tuchtaangelegenheid; 3.1.4. Overwegende dat de tuchtoverheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid beschikt ook op het stuk van de feitenvinding; dat “discretionair” evenwel geen synoniem is van onbeperkt of willekeurig; dat voor de wettige uitoefening van die beoordelings- vrijheid onder meer vereist is dat zij is voorafgegaan door, en steunt op, een genoegzame afweging van de betrokken gegevens en van de relevante belangen die door de te nemen beslissing geraakt zullen worden; dat in principe de voorgeschreven formele motivering van de tuchtstraf, om afdoende te zijn, van die afweging moet doen blijken; 3.1.5. Overwegende, voorts, dat zo weliswaar de tuchtoverheid in de regel niet verplicht is alle argumenten die de tuchtrechtelijk vervolgde tijdens zijn verhoor doet gelden “expressis verbis” in de tuchtstraf te beantwoorden, dat die overheid er dan toch ook weer niet van vrijstelt de argumenten daadwerkelijk bij haar IX-3994-6/11 besluit te betrekken en zulks, al naar gelang van de precieze omstandigheden van de zaak, genoegzaam in de formele motivering van de straf te doen uitkomen teneinde de betrokkene en de rechter toe te laten de realiteit ervan na te gaan; dat diezelfde tuchtoverheid eveneens het geheel van de omstandigheden van de zaak in haar beoordeling moet betrekken dit wil zeggen niet alleen het belang van de dienst en de straf als voorbeeldfunctie, maar ook de feiten op zich, de wijze waarop zij worden gekwalificeerd, de fout en de verschoningsgronden of verzachtende omstandigheden die in voorkomend geval door de tuchtrechtelijk vervolgde worden ingeroepen; dat al die gegevens moeten terug te vinden zijn in de motieven van de tuchtrechtelijke beslissing; 3.1.6. Overwegende dat verzoekster te dezen reeds bij haar eerste verhoor op 28 juli 2003 aan de ambtenaar-verslaggever te kennen gegeven heeft dat zij zich “in een toestand van stress” bevond, als gevolg van het groot aantal dossiers dat zij te behandelen had, en dat zij “erg onder de indruk” was door het “uitvallen” van een collega die eveneens met overbelasting geconfronteerd werd; dat die verklaringen bevestigd worden door de verklaringen van verscheidene andere personeelsleden, waaronder die van de coördinator van de afdeling “gezag”, waartoe verzoekster behoorde; dat deze het onder meer heeft over de omstandigheid dat verzoekster “het erg lastig had met die voortdurende stress, aangezien zij ook het grootste aantal dossiers had” en het overlijden van een collega bij haar “een echte zenuwcrisis” veroorzaakte; dat alhoewel de ambtenaar-verslaggever in zijn tuchtvoorstel stelt dat verzoekster het laakbaar gedrag “duidelijk aangenomen heeft vóór kennisname van het overlijden van een medewerker”, hij evenwel is voorbijge- gaan aan het argument van verzoekster dat zij zich kennelijk reeds voor het overlijden van haar collega - meer bepaald sedert diens “wegvallen”- in een stresstoestand bevond en dat het merendeel van de haar ten laste gelegde feiten zich na het overlijden van die collega hebben voorgedaan; dat verzoekster tijdens haar verweer gewag gemaakt heeft van het feit dat zij in “een toestand van waarneembare overspannenheid” verkeerde en dat zij als verzachtende omstandigheid heeft ingeroepen: de “op aanhoudende wijze een -tijdelijke- toestand van geestelijke overspannenheid” en dat de ten laste gelegde feiten plaatsvonden “in een periode van zware traumatische stress, die voor (haar) rechtstreeks aanleiding vormde tot het onmiddellijk aanvatten van een therapie”; dat ten aanzien van dat verweer in de bestreden beslissing alleen maar is geantwoord dat zij voor toerekening vatbaar is gebleven, dat zij slechts een geneesheer raadpleegde nadat de tuchtprocedure was aangevat, dat zij niet heeft gereageerd als een niet toerekeningsvatbaar persoon en IX-3994-7/11 overigens verklaard heeft niet ziek te zijn; dat de argumentatie van de tweede verwerende partij over de toerekeningsvatbaarheid van verzoekster te dezen niet opgaat aangezien verzoekster nooit heeft aangevoerd dat zij wegens niet toerekeningsvatbaarheid niet kon worden bestraft; dat evenwel in de bestreden beslissing niet afdoende is ingegaan op de elementen die verzoekster als verklaring voor haar gedrag -en derhalve als verzachtende omstandigheden- heeft ingebracht; dat het eerste onderdeel van het middel ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde uiteenzet wat volgt : “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zal voor verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen. De vernietiging van de bestreden beslissing alleen, zonder voorafgaande schorsing, kan in casu niet volstaan om aan verzoekster een genoegzaam herstel van het door de bestreden beslissing teweeggebrachte nadeel te waarborgen. Vooreerst lijdt verzoekster een aanzienlijk moreel nadeel, gepaard gaande met schade en oneer, onlosmakelijk verbonden met het ontslag zonder vooropzeg, zijnde de zwaarste sanctie. Hiertegen kan niet worden gesteld dat afzetting zwaarder is : in de bestreden beslissing wordt immers gezegd dat beiden even zwaar zijn en de grens tussen beide vervaagt. Dat verzoekster een moreel nadeel lijdt vloeit o.a. voort uit het feit dat de bestreden beslissing juist het gevolg is van het streven van verzoekster om het werk op een behoorlijke, gestructureerde wijze uit te voeren. Verzoekster kent veel beroepseer en heeft zich steeds maximaal ingezet voor haar werk. Daarnaast lijdt verzoekster ook een aanzienlijk materieel nadeel. De sanctie houdt in dat verzoekster zonder werk en zonder inkomsten valt. Hierbij moet erop worden gewezen dat verzoekster zeer binnenkort, nl op 8 december 2003, 55 jaar, wordt waardoor zij het bijzonder moeilijk zal hebben om een nieuwe tewerkstelling te vinden. Haar leeftijd vermindert haar kansen op reïntegratie en een enigszins normaal carrièreverloop. Het is immers bekend dat oudere werknemers moeilijker werk vinden. Deze zoektocht wordt nog moeilijker wanneer men bovendien de oneer van het ontslag zonder vooropzeg draagt. Anderzijds is verzoekster ongehuwd en heeft ze een dochter die bij haar inwoont. Deze dochter is 16 jaar en zal aldus in de zeer nabije toekomst hogere studies aanvatten die uiteraard veel geld kosten. Als gevolg van de bestreden beslissing komen dus ook de studies van haar dochter in het gedrang. Vaste rechtspraak van Uw Raad stelt, voor zover zij afbreuk kan doen aan de eer van de ambtenaar en voor zover zij hem of haar berooft van zijn of haar betrekking, de afzetting hem of haar bloot aan een risico voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, zowel op moreel als op materieel vlak (R.v.St. nr. 91.266, 1 december 2000); Of nog : 'De afzetting, waardoor een persoon plots zonder meer zonder werk is met bovendien zeer weinig kansen om een nieuwe werkgelegenheid te vinden en die een grote morele en sociale druk met zich meebrengt, betekent een ernstig nadeel dat niet door een vernietigingsarrest alleen kan worden goedgemaakt.' (R.v.St. nr. 79.392, 22 maart 1999) Tenslotte brengt de bestreden beslissing opnieuw ernstig schade aan de reeds gedestabiliseerde geestelijke gezondheidstoestand van verzoekster. De IX-3994-8/11 psychische problemen van verzoekster waren niet uit de lucht gegrepen maar hingen nauw samen met elementen van stress in haar werksituatie. Met name de zelfmoord van een collega droeg bij tot een toestand van ernstige, post- traumatische stress. Het ondanks alles onverwacht ontslag bracht verzoekster zodanig uit haar evenwicht dat ze door de huisarts werd doorverwezen naar een psychiater. Ter staving van haar medische toestand voegt verzoekster een recent controleverslag van deze arts toe. Schorsing van de bestreden beslissing zou een gunstige invloed kunnen hebben op het mentaal en psychologisch herstel van verzoekster.” Overwegende dat de tweede verwerende partij daarop als volgt antwoordt : “De verwerende partij is zich bewust van de rechtspraak van de Raad van State dat in geval van afzetting of ontslag zonder opzeg, deze maatregel meestal een moeilijk te herstellen ernstig nadeel met zich brengt. In casu wenst de verwerende partij toch te wijzen op een aantal elementen die maken dat het bestaan van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in vraag kan worden gesteld. Ten eerste moet worden opgemerkt dat verzoekster weinig of geen concrete gegevens aandraagt om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondersteunen. Wat het beweerde morele nadeel betreft, moet worden opgemerkt dat aan de bestreden beslissing geen ruchtbaarheid is gegeven. Benoemingen, noch ontslagen worden gepubliceerd. Er is ook op geen enkele andere wijze ruchtbaarheid gegeven aan het ontslag. Dat verzoekster in haar verzoekschrift verkeerdelijk de verkeerde tegenpartij heeft aangewezen en alzo de beslissing ook bekend geraakte bij een andere instelling dan de verwerende partij, is het gevolg van haar eigen optreden. Ook wat het materiële nadeel betreft, verstrekt verzoekster geen nadere informatie over haar vermogenstoestand. Ze stelt 'zonder werk en inkomsten' te zijn. Verzoekster laat na aan te geven dat ze samenwoont met de heer Geert Raeymaekers. Toen diens vader overleed op 1 maart 2003, werd een rouwbrief opgemaakt waarop de heer Raeymaeckers en verzoekster, alsook haar dochter Flora, vermeld zijn. Aangenomen kan worden dat de heer Raeymaeckers geen andere familiale lasten heeft dan zijn feitelijk gezin met verzoekster. Verzoekster kreeg een verlofdag op 7 maart 2003 voor de plechtigheid in familiale kring. In verscheidene gesprekken heeft verzoekster aan het College meegedeeld dat haar partner werkzaam was bij de Europese instellingen en dat een eventueel ontslag of afdanking geen pecuniair probleem met zich zou brengen. Daarenboven heeft de verwerende partij onmiddellijk al het nodige gedaan opdat verzoekster zou kunnen genieten van de in ons rechtsbestel voorziene vervangingsinkomsten (dossier 3, rubriek D, stuk 6) : ze heeft met zekerheid vervangingsinkomsten indien ze zonder werk is gebleven. Aannemen dat zulke sociale en financiële tegemoetkomingen van die aard zijn dat ze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel veroorzaken, komt erop neer te besluiten dat het sociaal vangnet kennelijk ontoereikend zou zijn. Wat de moeilijkheid betreft om later hogere studies te betalen aan haar enige 16-jarige dochter, merkt verwerende partij op dat dergelijk nadeel eigen is aan alle gezinnen en dat de onderwijsreglementering voorziet in materiële en financiële ondersteunende maatregelen zoals o.m. studiebeurzen waarop verzoekster, indien nodig, aanspraak kan maken. IX-3994-9/11 Indien het zo is dat verzoekster door de bestreden beslissing psychisch werd getroffen omdat het 'onverwacht' aankwam en daarom door haar huisarts doorverwezen werd naar een psychiater, merkt verwerende partij op dat het medisch attest pas dateert van 19 november 2003. Tenslotte heeft de ambtenaar-verslaggever terecht opgemerkt (...) : 'XXXX verklaart op 29 juli 2003 (...) : Ik wil hier dus eigenlijk met slaande deuren vertrekken maar dus eigenlijk de tijdsgeest is zo dat in de sfeer waar ik werkervaring heb opgebouwd dat men daar kennelijk eigenlijk op dit moment ook niet zo goed weg weet met oudere mensen.' Verzoekster heeft derhalve onvoldoende aangetoond dat er sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.” 3.2.3. Overwegende dat in deze het ontslag zonder vooropzeg waardoor verzoekster van dag op dag zonder werk komt te staan niet ver verwijderd is van een afzetting; dat dergelijke straf door de graad van afkeuring waarvan het bestuur met het nemen van die maatregel blijk geeft, op haar ook een dusdanig odium legt, zodat, mede gelet op haar leeftijd, haar kansen op reclassering gering of niet evident zijn; dat de schandvlek welke de tuchtstraf meebrengt ook een grote morele en sociale druk op verzoekster kan leggen, en derhalve een ernstig nadeel veroorzaakt en dat alleen een latere vernietiging niet bij machte is daaraan volledig te verhelpen; dat verzoekster aldus op afdoende wijze aantoont dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4. Over het verzoek tot anonimiteit. Overwegende dat verzoekster vraagt “dat haar naam niet zou worden vernoemd in de stukken die openbaar worden gemaakt, noch de naam van de overleden collega XXXX”; Overwegende dat luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, kan, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen; dat te dezen niets zich tegen inwilliging van verzoeksters vraag verzet, IX-3994-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt buiten de zaak gesteld. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25 september 2003 van het college van de federale ombudsmannen waarbij XXXX zonder vooropzeg, wordt ontslagen. Artikel 3. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van verzoekster en van haar overleden collega niet opgenomen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien mei 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-3994-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.469 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div