id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.539 Rolnummer: A. 60749/XII-246 Zaak: Arrest 131539 - - 18/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-28 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:32 Fiche Arrest nr 131.539 van 18 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.539 van 18 mei 2004 in de zaak A. 60.749/XII-
- In zake : Eddy FAUS, wonende te Antwerpen, Leiebos 29, bus 9 tegen : de STAD ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eddy Faus op 9 november 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de gemeenteraad van de stad Antwerpen dd 13/9/1994 waarbij gesteld werd niet verder rekening te houden met de kandidatuur van Eddy Faus voor de benoeming tot aspirant-politieagent”, van het besluit “om de vorige beslissing, dd 28/6/1994, waarbij verzoeker met ingang van 1 juli 1994 werd benoemd tot aspirant-politieagent, op voorwaarde van medische geschiktheid, goed zedelijk gedrag en voorlegging van de administratieve stukken, in te trekken”, en van “de impliciete weigering verzoeker te benoemen tot aspirant-politieagent”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 4 juni 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2003; XII-246-1/5 Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 20 januari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die loco advocaat Chr. Coen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van Antwerpen op 19 augustus 1993 besluit aan de gemeenteraad voor te stellen om verzoeker, kandidaat voor de betrekking van politieagent, met ingang van 1 oktober 1993 tot aspirant-politieagent te benoemen; dat de hoofdcommissaris met brief van 24 augustus 1993 aan de burgemeester meedeelt dat verzoeker van zijn werkgever op 19 maart 1993 de dagrecette heeft gekregen om ze naar de bank te brengen, maar ze heeft achtergehouden en ze pas na een klacht aan de werkgever heeft teruggegeven, zodat “met de kandidatuur van E. Faus voor een plaats in het politiekorps geen rekening meer mag gehouden worden”; dat dienvolgens het college op 26 augustus 1993 beslist niet verder met verzoekers kandidatuur rekening te houden; Overwegende dat verzoeker zich op 18 mei 1994 opnieuw kandidaat stelt voor de betrekking van politieagent; dat de hoofdcommissaris op 9 juni 1994 aan de burgemeester meedeelt dat hij bij zijn eerder standpunt over betrokkene blijft; dat op 27 juni 1994 de gemeenteraad van Antwerpen vaststelt dat er 78 plaatsen van politieagent vacant zijn, dat het dringend noodzakelijk is de vacatures op te vullen, dat de gemeenteraad in principe niet vergadert tijdens de vakantieperiode, dat de kandidaat-aspirant-politieagenten voor benoeming in aanmerking komen “volgens hun plaats in de samengevoegde rangschikking” en dat de in aanmerking komende kandidaten nog medisch moeten worden onderzocht en de vereiste administratieve documenten moeten binnenbrengen; dat vervolgens de gemeenteraad onder meer beslist verzoeker “met ingang van 1 juli 1994 bij de politie XII-246-2/5 te benoemen tot aspirant-politieagent, op voorwaarde dat hij medisch geschikt wordt bevonden, van goed zedelijk gedrag is, de vereiste administratieve stukken zal hebben ingediend en voldoet aan alle overige vereisten van benoeming”; Overwegende dat, op het voorstel van 14 juli 1994 van het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad op 13 september 1994 kennis neemt van het standpunt van 24 augustus 1993 en 9 juni 1994 van de hoofdcommissaris over de morele geschiktheid van verzoeker, beslist niet verder met verzoekers kandidatuur voor de benoeming tot aspirant-politieagent rekening te houden en overgaat tot de intrekking van verzoekers voorwaardelijke benoeming van 28 (lees : 27) juni 1994; Overwegende dat de gemeenteraadsbeslissing van 13 september 1994, in weerwil van de gebruikte bewoordingen, wezenlijk neerkomt op het besluit dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is, zodat hij niet voldoet aan de voorwaarden waarvan de gemeenteraad zijn benoeming op 27 juni 1994 afhankelijk heeft gesteld; Overwegende dat verzoeker, verre van de onwettigheid van de benoeming van 27 juni 1994 te doen gelden, zich integendeel uitdrukkelijk beroept op het voordeel ervan, voordeel dat hem naar zijn mening ten gevolge van het besluit van 13 september 1994 van de verwerende partij onrechtmatig wordt ontnomen; dat verwerende partij ten onrechte verzoeker het belang ontzegt om dit te doen gelden “daar hij niet aan de voorwaarden voldeed om benoemd te worden”; dat zij aldus doende de ontvankelijkheid van de vordering met de grond ervan verwart; dat de exceptie verworpen wordt; Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de gemeenteraad het raadsbesluit van 27 juni 1994 niet meer kon intrekken buiten de termijn voor het instellen van een annulatieberoep ertegen; Overwegende dat, zoals gezien, de gemeenteraad op 13 september 1994 in wezen alleen heeft vastgesteld dat verzoeker niet voldeed aan het vereiste om van onberispelijk gedrag te zijn; dat, waar verwerende partij zich op 27 juni 1994 uitdrukkelijk nog een oordeel onder meer hierover had voorbehouden, zij dan ook niet geacht kan worden met haar beslissing van 13 september 1994, en de daarin vervatte beoordeling, afbreuk te hebben gedaan aan “het onaantastbaar karakter van XII-246-3/5 een definitief door een administratieve rechtshandeling gevestigde individuele rechtsverhouding”; dat het middel ongegrond is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel doet gelden dat er geen enkele reden was om af te wijken van de rangschikking door het schepencollege, aangezien hij aan al de voorwaarden voldeed en er geen objectieve redenen voor de afwijking bestaan; Overwegende dat volgens de bestreden beslissing die redenen wel bestaan en verzoeker meer bepaald niet van onberispelijk gedrag is; dat het middel dit niet ontkracht; dat het ongegrond is; Overwegende dat verzoeker in een derde middel het gebrek aan “voldoende rechtens en feitelijk aanvaardbare motieven” aanklaagt; dat hij uiteenzet dat het schrijven van 9 juni 1994 van de hoofdcommissaris dateert van vóór de benoeming van 27 juni 1994 en dan reeds bekend was, dat het enkel de waarde van een advies heeft waarvan kan worden afgeweken, dat de strafvordering tegen verzoeker vervallen was door de betaling op 22 oktober 1993 van 12.000 frank en dat de hoofdcommissaris “trouwens” nooit naar verzoekers versie van de feiten heeft gevraagd; Overwegende dat, blijkens de te dezen toepasselijke benoemings- voorwaarden, de kandidaten voor de betrekking van politieagent van onberispelijk gedrag moeten zijn; dat volgens de hoofdcommissaris verzoeker ter zake tekortschiet omdat hij een geldsom van 54.100 frank en twee cheques met een gezamenlijke waarde van 4.027 frank ten nadele van zijn werkgever heeft achtergehouden en pas heeft teruggegeven nadat een klacht tegen hem was ingediend, en omdat hij op het ogenblik van de feiten toch al 21 jaar oud was en reeds had deelgenomen aan het eerste gedeelte van de selectieproeven voor politieagent; dat de gemeenteraad zich in haar beslissing van 13 september 1994 bij dat oordeel aansluit; Overwegende dat verzoeker de feiten op geen enkel moment en op geen enkele wijze betwist; dat hij ten onrechte van mening is dat zij, ten gevolge van het verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom, hun “definitief beslag” hebben gekregen, dusdanig dat de verwerende partij zich erdoor verboden zou zien ze hoe dan ook nog in aanmerking te nemen; dat, zo het advies van de hoofdcommissaris over verzoeker niet dwingend is, dit geenszins belet dat de XII-246-4/5 verwerende partij er acht op slaat en het advies finaal bijtreedt; dat, zoals reeds uit de bespreking van het eerste middel volgt, niet blijkt dat het daarvoor op 13 september 1994 te laat was, aangezien immers de benoeming van 27 juni 1994 van verzoeker was gebeurd op de welbepaalde voorwaarde “dat hij medisch geschikt wordt bevonden, van goed zedelijk gedrag is, de vereiste administratieve stukken zal hebben ingediend en voldoet aan alle overige vereisten van benoeming”; Overwegende dat het oordeel dat verzoeker niet van onberispelijk gedrag is niet op foutieve motieven berust; dat ook het derde en laatste middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-246-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.