id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.542 Rolnummer: A. 135021/VII-29440 Zaak: Arrest 131542 - Natuurbehoud - Vergunningen - 18/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:32 Fiche Arrest nr 131.542 van 18 mei 2004 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.542 van 18 mei 2004 in de zaak A. 135.021/VII-29.
- In zake : de n.v. SOCIÉTÉ DE RECHERCHES IMMOBILIÈRES (SRI), die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
- tussenkomende partijen :
- de n.v. PROMAVIL, die woonplaats kiest bij Advocaten G. VAN THUYNE en D. DE ROOVER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 268 A,
- de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij Advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SOCIÉTÉ DE RECHERCHES IMMOBILIÈRES (SRI) op 4 april 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 4 februari 2003 waarbij haar beroep tegen het besluit van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest van 28 juni 2002 houdende conformverklaring aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet van het beschrijvend bodemonderzoek met als titel "Aanvulling beschrijvend bodemonderzoek : site Rittwegerlaan/Kerklaan 1830 Machelen", opgesteld onder leiding van de erkende bodemsaneringsdeskundige ERM VII-29.440-1/10 BELGIUM voor de n.v. PROMAVIL, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 22 april 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. MARTENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat A. BEELEN die, loco Advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, van Advocaat G. VAN THUYNE, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van Advocaat H.-K. CARÊME die in eigen naam en loco Advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 3 juni 2003 de n.v. PROMAVIL vraagt om in het voorliggend kort geding te mogen tussenkomen; dat op dit verzoek kan worden ingegaan nu uit het voorwerp van de zaak blijkt dat de n.v. PROMAVIL belang heeft bij de uitkomst van het aangespannen geding;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 2 december 2003 de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest vraagt om in het voorliggend geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd nu de bestreden beslissing een bevestiging inhoudt van een door haar in eerste aanleg genomen beslissing; VII-29.440-2/10
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 3.
- De verzoekende partij is eigenaar van een aantal percelen grond gelegen aan de Rittwegerlaan 1 en 3 te Machelen, kadastraal gekend als eerste afdeling, sectie 1, perceelnrs. 115 n, 116 f 3 en 344 h. Voornoemde percelen zijn door de verzoekende partij verhuurd (geweest) aan verschillende andere vennoot- schappen die er hun exploitatie gevestigd hebben (of hadden). Onder meer de n.v. PROMAVIL, eerste tussenkomende partij, heeft tot 1997 op gedeelten van twee van voormelde percelen een milieuvergunningsplichtige activiteit uitgeoefend. Bij besluit van 12 mei 2000 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw zijn de percelen intussen aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. 3.
- Tussen de n.v. SOCIÉTÉ DE RECHERCHES IMMOBILIÈRES en de n.v. PROMAVIL wordt sinds lange tijd een procedureslag geleverd met als inzet hun respectieve verplichtingen in het kader van het bodemsaneringsdecreet van 22 februari
- 3.
- Voorliggend geding kadert in de uitvoering van de aan de n.v. PROMAVIL opgelegde verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Nadat eerdere bodemonderzoeken niet conform werden verklaard en door de OVAM een aantal aanvullende onderzoeksverrichtingen werden opgelegd, verklaart deze laatste op 28 juni 2002 het beschrijvend bodemonderzoek dat de n.v. PROMAVIL door de erkend bodemsaneringsdeskundige ERM BELGIUM heeft laten opstellen conform aan de bepalingen van het bodemsane- ringsdecreet "voor het vaste deel van de aarde tot stand gekomen op de gedeelten van de kadastrale percelen 344 h en 116 f 3 (gemeentenr. : 23047 MACHELEN, AFD. 1, sectie A) waarop de n.v. PROMAVIL gebruiksrechten heeft gehad, en voor de grondwaterverontreiniging in zoverre (en in de mate dat) deze is afgeperkt in het voorliggend beschrijvend bodemonderzoek". In die beslissing tot conformverklaring overweegt de OVAM evenwel : VII-29.440-3/10 "Overwegende dat van de aanvullende onderzoeksverrichtingen, zoals opgelegd in de niet-conformverklaring van OVAM, slechts een gedeelte daadwerkelijk werd verricht; Overwegende dat niettegenstaande de herhaaldelijk opgelegde aanvullingen, het verslag van beschrijvend bodemonderzoek andermaal tekortkomingen bevat; dat de OVAM niet eindeloos deze carrousel van onvolledige bodemonderzoeken kan aanvaarden; dat de OVAM met eerbiediging van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, thans naar alle redelijkheid en zorgvuldigheid, beslist om een controle-onderzoek m.b.t. voormelde leemten in het beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren en op basis van dit onderzoek in voorkomend geval tot rechtzetting van voormelde leemten in het beschrijvend bodemonder- zoek zal overgaan". Voorts wordt het volgende gesteld : "De OVAM beslist naar alle redelijkheid dat 10 % van de totale verontreini- gingsvracht in het vaste deel van de aarde en 10 % van de totale verontreinigingsvracht in het grondwater, totstandgekomen op de percelen 3 44 h, 116 f 3 en 115 n als saneringsplicht aan de nv Promavil wordt toegewezen en de resterende 90 % als saneringsplicht wordt toegewezen aan de sanerings- plichtige m.b.t. de gedeelten van de percelen 3 44 h en 116 f 3 waarop Promavil nooit gebruiksrechten heeft gehad en het perceel 115 n". 3.
- Op 2 augustus 2002 stelt de raadsman van de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep in tegen voormeld besluit van 28 juni
- In het beroepschrift wordt aangevoerd dat artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet niet toelaat dat de saneringsplicht wordt verdeeld tussen de exploitant en de eigenaar van de verontreinigde percelen, dat het ingediende beschrijvend bodemonderzoek conform werd verklaard terwijl het geen volledig beeld geeft van de bodemverontreiniging, dat het recht van verdediging en de hoorplicht zijn geschonden doordat de n.v. S.R.I. niet de mogelijkheid werd geboden om te reageren op de verdeling van de saneringsplicht, dat uit de beroepen beslissing valt af te leiden dat de erkende bodemsaneringsdeskundige na het indienen van het beschrijvend bodemonderzoek nog een "nota van toelichting : potentiële verontreini- gingsbronnen op de site Ritt-wegerlaan/Kerklaan te Machelen" aan de OVAM heeft bezorgd terwijl het bodemsaneringsdecreet nergens voorziet in het indienen van zulk een stuk, dat het beschrijvend bodemonderzoek dat de n.v. PROMAVIL heeft laten opstellen niet conform mocht worden verklaard omdat het "grote gebreken en hiaten" vertoont en dat op meerdere punten de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden. In fine van het beroepschrift vraagt de n.v. S.R.I. om tijdens de beroepsprocedure gehoord te worden. VII-29.440-4/10 3.
- De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest dient op 30 augustus 2002 een "verweernota" in bij de Adviescommissie Bodemsane- ring. 3.
- Vervolgens brengt de Adviescommissie Bodemsanering -de n.v. S.R.I. niet gehoord- op 18 november 2002 advies uit over het ingestelde beroep. Er wordt voorgesteld om het beroep gegrond te verklaren en het beroepen besluit dienvolgens op te heffen. De reden om het beroep gegrond te verklaren ligt in de volgende overweging besloten : "Overwegende dat artikel 14, § 3 Bodemsaneringsdecreet bepaalt dat de OVAM een conformiteitsattest toekent of aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt; dat het Bodemsaneringsdecreet niet voorziet dat zowel aanvullende onderzoeksverrichtingen opgelegd kunnen worden als een conformverklaring uitgesproken kan worden; dat artikel 14, § 3 Bodemsaneringsdecreet uitdrukke- lijk bepaalt ... of ...; dat de OVAM dan ook niet kon conformverklaren en aanvullende onderzoeken opleggen; dat artikel 14, § 3 Bodemsaneringsdecreet niet correct werd toegepast". 3.
- Met een besluit van 4 februari 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het beroep dat de n.v. S.R.I. heeft ingesteld tegen het besluit van 28 juni 2002 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest houdende conformverklaring aan de bepalingen van het bodemsaneringsde- creet van het beschrijvend bodemonderzoek met als titel "Aanvulling beschrijvend bodemonderzoek : site Rittwegerlaan/Kerklaan 1830 Machelen", opgesteld onder leiding van de erkende bodemsaneringsdeskundige ERM BELGIUM, ongegrond verklaard en wordt het beroepen besluit integraal bevestigd. Dit besluit maakt het voorwerp uit van voorliggende vordering tot schorsing;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij betoogt wat volgt : VII-29.440-5/10 "Door de bestreden beslissing wordt de verzoekende partij verplicht om 90% van de verontreiniging te saneren die aangetroffen is op de terreinen waarvan de verzoekende partij eigenaar is. Daarrnee hangt samen dat de verzoekende partij het overgrote deel van de saneringskosten ten laste zal moeten nemen. Door deze beslissing komt definitief vast te staan dat elke volgende maatregel ten belope van 90% door de verzoekende partij moet gedragen worden en slechts 10% door de nv Promavil. Dit moge onder meer blijken uit de beslissing die de OVAM genomen heeft op 24 december 2002 houdende voorzorgsmaatregelen kundige, op een zorgvuldige wijze op basis van het globale verontreinigingsdossier naar alle redelijkheid bij beslissing van 28 juni 2002 geoordeeld heeft dat (...) de resterende 90% van de totale verontreini- gingsvracht wordt toegewezen aan de nv S.R.I. in haar hoedanigheid van saneringsplichtige mbt het perceel 115n en de gedeelten van de percelen 344h en 116f3 waarop de nv Promavil nooit gebruiksrechten heeft gehad; (...) dat de verdeling van 10% in hoofde van de nv Promavil en 90% in hoofde van de nv S.R.I. wat de verplichting tot uitvoering van de voor- zorgsmaatregelen betreft zich dan ook niet situeert in de materiële uitvoering van de voorzorgsmaatregelen, maar wel in de financiering van de kosten van de uitvoering van de voorzorgsmaatregelen'. Uit voormelde passage blijkt dat de OVAM verder blijft borduren op haar beslissing van 28 juni 2002 waarin zij het principe van de verdeling 10%-90% heeft vastgesteld en die in beroep werd bevestigd door de minister. Aldus staat duidelijk vast dat de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt voor de verzoekende partij. Immers, thans staat ook reeds onomstotelijk vast dat er een bodemsanering zal moeten plaatsvinden. Immers, bij besluit van 24 december 2002 heeft de OVAM voorzorgsmaatregelen opgelegd. Overeenkomstig artikel 5, § 2 van het Bodemsaneringdecreet worden voorzorgsmaatregelen opgelegd in afwachting van de uitvoering van bodemsaneringswerken. Uit dit artikel en het besluit van 24 december 2002 blijkt overduidelijk dat er een bodemsanering zal moeten plaatsvinden. Door middel van het bestreden besluit wordt vastgelegd dat 90% daar-van zal moeten gedragen worden door de verzoekende partij. Thans staat ook reeds vast dat de uitvoering van deze bodemsanering enorme kosten zal meebrengen. Alleen al voor de uitvoering van de voorzorgsmaatrege- len varieert de kostprijs, op basis van inschattingen van erkende bodemsaneringsdeskundigen, tussen 1,5 en 5 miljoen EUR (STUK 11). De verzoekende partij is geenszins bij machte om deze kosten te dragen. Deze kosten leiden onvermijdelijk tot het faillissement van de verzoekende partij. De verdeling van deze kosten, met name 90% voor de verzoekende partij en 10% voor de nv Promavil, is onomkeerbaar. Het nadeel geschiedt door de verdeling van deze kosten. Daarbij komt dat de verzoekende partij ook door de nv Promavil thans aangeschreven wordt om de kosten die de nv Promavil tot nog toe gedragen heeft, terug te betalen. Met name stelt de nv Promavil in haar brief dd. 14 februari 2003 (STUK 12) dat de OVAM beslist heeft dat de nv Promavil maar saneringsplichtig is voor 10% van de totale verontreinigingsvracht. Op basis daarvan meent zij dat de nv Promavil ook recht heeft op de terugbetaling van 90% van de onderzoekskosten die zij tot nog toe gemaakt hebben. Met name vragen zij aan de verzoekende partij haar 317.886,52 EUR te betalen. Dit bedrag kan eveneens niet meer door de verzoekende partij gedragen worden. VII-29.440-6/10 Inmiddels heeft de nv Promavil reeds een dagvaarding dd. 5 maart 2003 voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op grond van artikel 735 Ger.W. (korte debatten) ingeleid tegen verzoekende partij teneinde de door haar gemaakte kosten op grond van de bij het bestreden besluit opgelegde 10-90 verdeling te bekomen (STUK 13). Uit het voorgaande blijkt dat de verdeling van de kosten, respectievelijk 90% voor de verzoekende partij en 10% voor de nv Promavil, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel oplevert voor de verzoekende partij. Dit blijkt eveneens uit het uittreksel uit het vennootschapsdossier (STUK 14). Daarin wordt vermeld (pag 2 of 15) : Uw Raad heeft ook reeds aangenomen dat een financieel nadeel een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan opleveren wanneer de onderneming door een administratieve beslissing regelrecht naar het faillissement gedreven wordt. Dit is in casu het geval door het opleggen van deze verdeelsleutel. Daarenboven kan opgemerkt worden dat het ernstig nadeel aanwezig is mede gelet op de ernst van de middelen. In het arrest Luppens (R.v.St., nr. 39.488, 26 mei 1992) oordeelde de Raad dat de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel mee bepaald kunnen worden door de aard van de onwettigheden waarvan de verzoekende (partij) het slachtoffer verklaart te zijn. In het arrest Delhaize (R.v.St., nr. 42.781, 4 mei 1993) stelde de Raad onder meer dat het nadeel dat uit de bestreden beslissing voortspruit, moeilijker te dragen en te verdragen moet vallen wanneer die beslissing prima facie op geen manier rechtens verantwoord kan worden ( ...)"; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota uiteenzet dat de ernst van de aangevoerde middelen niet volstaat om tot schorsing van de bestreden beslissing te kunnen overgaan, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de verdeling van de saneringsplicht geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, dat die verdeling pas effectief nadeel kan berokkenen "bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van beslissingen waarin die theoretische bepaling haar weerslag in de praktijk krijgt", dat een mogelijk faillissement slechts kan voortvloeien uit latere beslissingen in de bodemsaneringsprocedure (bv. wanneer beslist wordt welke bodemsaneringswerken er moeten worden uitgevoerd), dat de formele beslissing tot sanering, zijnde het besluit van OVAM van 13 september 2002, door de verzoekende partij niet werd aangevochten middels een schorsingsvordering, dat, aangezien de verzoekende partij tot op heden niet is aangeduid als saneringsaansprakelijke, het niet vaststaat dat op haar kosten zullen verhaald worden, en, ten slotte, dat zich de vraag stelt of een eventueel faillissement wel in voldoende mate aan de bestreden beslissing kan worden toegeschreven daar de verzoekende partij reeds sedert 1998 jaarlijks verlies lijdt; VII-29.440-7/10 4.
- Overwegende dat de eerste tussenkomende partij met betrekking tot het beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel volgend betoog houdt : "
- Promavil is van oordeel dat verzoekster tot schorsing (SRI) onmogelijk een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel kan aantonen. Het betoog van SRI inzake het potentieel moeilijk te herstellen ernstig nadeel, valt als volgt samen te vatten : • De uitvoering van de bestreden beslissing zou enorme kosten met zich meebrengen; het eigen vermogen van SRI is negatief, SRI kan de gevolgen niet dragen, en de betreden maatregelen zouden ongetwijfeld leiden tot het faillissement van SRI. • De ernst van de middelen is dermate dat overigens onmiddellijk tot schorsing moet worden overgegaan. Promavil kan deze argumenten als volgt weerleggen : • Het feit dat Promavil kosten terugvordert voor de eerder gemaakte bodemonderzoeken, staat los van de beslissing van OVAM die voor uw Raad wordt aangevochten. Promavil is immers overgegaan tot dagvaarding van SRI voor terugvordering van 90 % van de eerder door Promavil gedragen onderzoekskosten op het gehele terrein aan de Rittwegerlaan 1 en 3 (i.e. ruimer dan het gedeelte waarvoor Promavil saneringsplichtig was). Promavil heeft zich immers genoodzaakt gezien om op aanmaning van OVAM, in de periode 1997-2000, het volledige terrein te onderzoeken, omdat SRI weigerde haar verantwoor- delijkheid op te nemen, en weigerde mee te werken aan de beperking van de schade van Promavil. • SRI roept financiële moeilijkheden in ter ondersteuning van de visie dat de bestreden beslissing een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zal berokke- nen. SRI is evenwel als onroerend goed-vehikel, dat nauw verbonden was met de exploitatievennootschappen Biolux, New Biolux en Biochim, mede verantwoordelijk voor de bijzonder ernstige verontreiniging die is ontstaan aan de Rittwegerlaan/Kerklaan te Machelen. SRI heeft zich doelbewust zo onvermogend mogelijk gemaakt, in de hoop om de integrale saneringskost van de site op Promavil, of OVAM, af te wentelen. Dat het uitvoeren van de voorzorgsmaatregelen momenteel de financiële draagkracht van de individue- le vennootschap nv SRI overstijgt, kan eventueel wel waar zijn; dit is evenwel geen argument om aan de saneringsplicht, noch verplichting tot uitvoering van voorzorgsmaatregelen te ontsnappen. • Dat het eigen vermogen van SRI negatief is, vloeit trouwens niet voort uit het bestreden besluit.
- Door de tegenwerking van SRI, reeds stammende uit de jaren 1997-1999 en de inertie van SRI en de weigering van SRI om een beschrijvend bodem- onderzoek uit te voeren - ondanks drie verloren procedures voor de Raad van State, en een verloren procedure voor de Kortgedingrechter in Mechelen - is SRI zelf rechtstreeks verantwoordelijk voor het bestaan van het beweerde ernstig en moeilijk te herstellen nadeel. Reeds eerder wees uw Raad verzoeken tot schorsing af, wanneer uw Raad de mening was toegedaan dat met een vordering tot schorsing de verzoekende partij wilde remediëren aan de eigen inertie (R.v.St., Gemeente Sint-Martens- Latem, nr. 54.118, 29 juni 1995)"; 4.
- Overwegende dat de tweede tussenkomende partij betoogt dat de verzoekende partij de nadelen die verband houden met de verdeling van de sanerings- VII-29.440-8/10 kosten ook heeft aangevoerd in de zaak nr. A. 133.310/VII-29.062 waardoor impliciet wordt erkend dat die nadelen vreemd zijn aan de thans bestreden beslissing, dat uit het neergelegde uittreksel van het vennootschapsdossier niet kan worden afgeleid dat een faillissement dreigt, dat de verzoekende partij haar financieel nadeel kan ondervangen door met toepassing van artikel 11 van het bodemsaneringsdecreet een provisie te vorderen van de bodemsaneringsaansprakelijke en, ten slotte, dat de vordering van de n.v. PROMAVIL tot betaling van 90 % van de gemaakte onderzoekskosten geen verband houdt met de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; 4.5.
- Overwegende dat de onderhavige bodemsaneringsprocedure zich vooralsnog in het stadium van het beschrijvend bodemonderzoek bevindt; dat pas nadat er een definitief bodemsaneringsproject voorhanden is, duidelijk zal worden in welke mate er moet worden gesaneerd; dat de in het bestreden besluit voorgehouden kostenverdeling niet uitvoerbaar is zolang er geen definitief bodemsaneringsproject voorhanden is; dat ook pas nadien duidelijk zal zijn in welke mate moet worden gesaneerd; dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor de verzoekende partij dan ook niet haar faillissement kan teweegbrengen; 4.5.
- Overwegende dat om de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte te kunnen bevelen er cumulatief aan twee grondvoorwaarden moet zijn voldaan, nl. het aanvoeren van een ernstig middel dat tot de vernietiging van de aangevochten akte kan leiden en het berokkenen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte; dat het in casu gaat om twee onderscheiden voorwaarden; dat de afwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen zonder dat "de ernst van de middelen" moet onderzocht; dat de verzoekende partij dan ook niet nuttig naar de "ernst van de middelen" kan verwijzen, ter adstructie van het aangevoerd moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 4.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- VII-29.440-9/10 De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. PROMAVIL en de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. VII-29.440-10/10 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-29.440-11/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.542 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div