← België

Arrest 131554 - - 18/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.554 Rolnummer: A. 135031/XII-3820 Zaak: Arrest 131554 - - 18/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:39 Fiche Arrest nr 131.554 van 18 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.554 van 18 mei 2004 in de zaak A. 135.031/XII-

  1. In zake : de NV BELGISCHE DISTRIBUTIEDIENST, die woonplaats kiest bij advocaat J. Steenbergen, kantoor houdende te 1150 Brussel, Tervurenlaan 268 A tegen : de STAD OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaat P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV Belgische Distributiedienst op 4 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 3 februari 2003 van de gemeenteraad van Oudenaarde houdende een belasting op de verspreiding van niet-geadresseerde drukwerken; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan verzoekster op 10 juli 2003; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Overwegende dat verzoekster heeft gevraagd om te worden gehoord bij brief van 23 oktober 2003; XII-3820-1/3 Gelet op de beschikking van 5 februari 2004 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 9 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Musschoot, die loco advocaat J. Steenbergen verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoekster de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat overeenkomstig voormeld artikel 21, tweede lid, het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld wanneer de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van onder meer de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt; dat, voorts, gelet op het artikel 84, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948, deze memorie bij ter post aangetekende zending aan de Raad van State moet worden toegestuurd; dat het vereiste er toe strekt de memorie een vaste of onbetwistbare datum te geven; dat het dan ook de datum van de aantekening ter post is die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de tijdigheid van de memorie van wederantwoord; dat weliswaar, zoals bijvoorbeeld in het arrest Claes en Van Aken, nr. 106.636 van 17 mei 2002, wordt aangenomen, de vereiste vaste datum ook kan volgen uit een ter post aangetekend schrijven van de griffie waarin van de memorie van wederantwoord melding wordt gemaakt; Overwegende dat te dezen geen ter post aangetekend schrijven verzoeksters memorie van wederantwoord een vaste datum verschaft binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van het meer vernoemde besluit van de Regent; dat, anders dan verzoekster ter terechtzitting doet gelden, haar geval zich dus niet laat vergelijken met dat waarover het arrest Dusart, nr. 43.240 van 8 juni XII-3820-2/3 1993, uitspraak deed; dat in die zaak immers de verzoekende partij met stukken bewees “wel degelijk” haar memorie van wederantwoord binnen de gestelde termijn met een aangetekende zending aan de Raad van State te hebben toegestuurd; dat krachtens artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde nietigverklaring te verkrijgen, ontbreekt, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-3820-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.554 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.