id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.555 Rolnummer: A. 135280/XII-3824 Zaak: Arrest 131555 - - 18/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:39 Fiche Arrest nr 131.555 van 18 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.555 van 18 mei 2004 in de zaak A. 135.280/XII-
- In zake : Frans VAN ACOLEYEN, die woonplaats kiest bij advocaat N. Van Overloop, kantoor houdende te Gent, Halvemaanstraat 7 tegen : de GEMEENTE ZELZATE, die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frans Van Acoleyen op 10 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 maart 2003 van de gemeenteraad van Zelzate tot wijziging van het gemeenteraads-besluit van 24 september 2002 waarbij een retributie wordt geheven op het parkeren; Gelet op het arrest nr. 124.113 van 10 oktober 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gelet op het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 13 november 2003 ingediend door verzoeker; Gelet op de kennisgeving van de memorie van antwoord aan verzoeker op 28 november 2003; Gelet op de kennisgeving aan de partijen, op grond van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de XII-3824-1/3 kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Overwegende dat verzoeker heeft gevraagd om te worden gehoord bij brief van 4 maart 2004; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 20 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Van Overloop, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan verzoeker de hoofdgriffier melding heeft gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14bis, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat overeenkomstig voormeld artikel 21, tweede lid, het ontbreken van het vereiste belang wordt vastgesteld wanneer de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van onder meer de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt; dat de bepaling in een vormvoorschrift voorziet door de verzoekende partij er toe te verplichten, indien zij wil vermijden dat de afwezigheid van het vereiste belang zou worden vastgesteld, om binnen de termijn een memorie van wederantwoord in te dienen, waarin zij zich kan beperken tot de loutere bevestiging dat zij in haar vordering volhardt, en om aldus van haar aanhoudend belang te doen blijken; XII-3824-2/3 Overwegende dat verzoeker binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van het eerder vermeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie heeft toegestuurd; dat hij in zijn vraag om te worden gehoord weliswaar doet gelden “dat hij nog steeds het vereiste belang heeft in deze zaak” en dat hij van mening was en is “dat er geen nieuwe middelen en argumenten meer moeten ontwikkeld worden”; dat dit betoog eensdeels te laat is en anderdeels niet ter zake doet; dat krachtens artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vastgesteld dient te worden dat het vereiste belang om de gevorderde nietigverklaring te verkrijgen, ontbreekt, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-3824-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.555 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.124.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.