← België

Arrest 131559 - - 18/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.559 Rolnummer: A. 147545/VII-31638 Zaak: Arrest 131559 - - 18/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-05-21 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:39 Fiche Arrest nr 131.559 van 18 mei 2004 - Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.559 van 18 mei 2004 in de zaak A. 147.545/VII-31.

  1. In zake : Stan NELEN, die woonplaats kiest bij Advocaat L. LEYSEN, kantoor houdende te WUUSTWEZEL, Kalmthoutsesteenweg 40 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stan NELEN op 12 februari 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van "het Besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 17 december 2003 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 5 juni 2003 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan de heer Stan NELEN, om een rundveebe- drijf, gelegen te 2910 Essen, Papenmoerstraat 8, te veranderen en uit te breiden, (...)"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 mei 2004; VII-31.638-1/11 Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. LEYSEN, die verschijnt voor verzoeker en van Advocaat I. DE TANDT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.
  4. Verzoeker baat te Essen een rundveeteeltbedrijf uit. Hij beschikt over vergunningen voor 413 dieren. 1.
  5. Op 5 februari 2003 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in om zijn rundveebedrijf te veranderen door het verplaatsen van 413 stuks rundvee en een aantal uitbreidingen die betrekking hebben op de opslag van stro en groenvoeders en op een bijkomende grondwaterwinning. 1.
  6. Tijdens de procedure in eerste aanleg bracht ook de Vlaamse Landmaatschappij een advies uit waarin in essentie wordt voorgesteld een verplaat- sing voor slechts 271 runderen toe te staan. Uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat verzoeker een aanzienlijk deel van het rundvee al had verplaatst. De Vlaamse Landmaatschappij stelt in essentie dat voor een gedeelte van de veestapel de vergunning vervallen is en meent dan ook dat er een stijging is van de mestproductie indien de vergunningsaanvraag volledig zou worden ingewilligd. 1.
  7. Dit standpunt wordt uiteindelijk niet bijgetreden door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen : verzoeker krijgt een vergunning voor de verplaatsing van 413 stuks rundvee, met daarnaast nog VII-31.638-2/11 uitbreidingen voor de opslag van stro en groenvoeder en een bijkomende grondwa- terwinning. De bestendige deputatie lijkt zich daarbij op het eerste gezicht te hebben aangesloten bij het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, die stelde dat de vergunning voor de dieren in de rubriek 9.4.3.c.2 nog volledig geldig is, omdat het niet voorafgaand aanvragen van een verplaatsing geen aanleiding is tot het verval van de milieuvergunning indien er geen onderbreking was in de exploitatie van de dieren en de betrokken stallen beschikken over een stedenbouwkundige vergunning of regulariseerbaar zijn. 1.
  8. De Vlaamse Landmaatschappij gaat in beroep tegen dit besluit. In de loop van de administratieve beroepsprocedure geeft zij het hiernavolgende advies: "Op datum van 16 april 2003 is op deze inrichting een plaatsbezoek doorgevoerd om na te gaan hoeveel standplaatsen er aanwezig zijn. Over de verschillende stallen op de inrichting zijn standplaatsen aanwezig voor 90 runderen jonger dan 1 jaar, 90 runderen tussen 1 en 2 jaar, 197 melkkoeien en 54 andere runderen (in totaliteit 431 plaatsen voor grote zoogdieren). De inrichting werd vergund voor 305 grote zoogdieren via een aktename '90 op datum van 3 december 1990 welke verdeeld waren over drie stallen. De melkveestal werd vergund voor 189 standplaatsen, terwijl momenteel nog slechts 75 standplaatsen aanwezig zijn. Derhalve moet gesteld worden dat 114 standplaatsen overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I van rechtswege vervallen zijn. De grote jongveestal (gelegen naast de machineloods) werd vergund voor 96 standplaatsen, terwijl er momenteel 154 standplaatsen zijn voorzien. Een derde stal werd vergund voor 20 standplaatsen, deze stalling werd echter bij een vergunningsaanvraag in 1999 al niet meer weergegeven als stalling. Derhalve is dit gedeelte van de vergunning reeds meer dan 2 jaar niet meer in gebruik en moet gesteld worden dat deze 20 standplaatsen overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I van rechtswege vervallen zijn. Van de 305 standplaatsen vergund bij aktename '90 zijn er derhalve nog slechts 171 vergund overeenkomstig artikel 46 van Vlarem I. Op datum van 1 september 1993 werd er een uitbreiding van de vergunning bekomen voor 108 grote zoogdieren. Uitgaande van het bijhorende plan blijkt dat deze stal anders is geconstrueerd en bijgevolg zijn er slechts 100 vergunde standplaatsen voor melkkoeien aanwezig in deze stal. Uitgaande van de gekende vergunningsbeslissingen en plaatsbezoek kan gesteld worden dat er krachtens artikel 46 van VLAREM I slechts 271 vergunde standplaatsen voor runderen aanwezig zijn. Derhalve is er slechts een vergunning meer voor het houden van in totaal 271 grote zoogdieren en dat voor een vergunningstermijn eindigend op 1 september 2011 voor 171 grote zoogdieren en tot 3 december 2010 voor de uitbreiding met 100 grote zoogdieren". De afdeling Milieuvergunningen van Aminal en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie sluiten zich daarbij aan. 1.
  9. Op 17 december 2003 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is, onder meer, als volgt gemotiveerd: VII-31.638-3/11 "Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het veranderen en uitbreiden van een rundveebedrijf; Overwegende dat het beroep enkel betrekking heeft op het aantal vergunde dierplaatsen; Overwegende dat uit plaatsbezoek van ambtenaren van de Vlaamse Landmaatschappij gebleken is dat op het bedrijf 431 dierplaatsen aanwezig zijn; dat in het bestreden besluit 413 dierplaatsen vergund worden; dat echter niet duidelijk en ondubbelzinnig in het besluit gesteld wordt dat de 18 ligboxen die op het plan aangeduid zijn als zijnde buiten gebruik ook definitief buiten gebruik moeten gesteld worden en niet gebruikt mogen worden; Overwegende dat uit vergelijking van de oude en nieuwe stalplannen inderdaad blijkt dat er een aantal wijzigingen in de stallen gebeurd zijn, zonder dat de vergunningen aangepast zijn; dat dit resulteert in 271 vergunde plaatsen in plaats van 413; dat het bestreden besluit dus inderdaad resulteert in een stijging van de vergunde mestproductie; Overwegende dat de bovenste rundveestal op het plan vergund was voor 96 runderen en nu 148 runderen zou bevatten; dat deze uitbreiding met 52 runderen niet aangegeven is en dus als niet-vergund dient te worden beschouwd; dat er 96 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat de 6 iglo's voor runderen Overwegende dat de middelste rundveestal vroeger 189 vergunde plaatsen bevatte; dat door het onderbrengen van de melkstal, het melkhuis en de melktank hier ruimte weggevallen is; dat in deze stal nog 75 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat de onderste stal uitgebreid is met 80 ligboxen, zodat hier 80 niet-vergunde plaatsen zijn aangebouwd; dat er 100 vergunde plaatsen overblijven; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt, behoudens wat het volgende oordeel van de aanvraag betreft ; - stallen voor 142 runderen; - het veranderen door uitbreiding van de grondwaterwinning op een diepte van 127 tot 132 m met een opgepompt debiet boven 5.140 m³/ jaar tot 7.300 m³/jaar; - het veranderen van de inrichting door uitbreiding met de lozing van bedrijfsafvalwater; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen";
  10. Beoordeling 2.
  11. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-31.638-4/11 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
  12. Overwegende dat het tweede middel wordt genomen uit de "schending van artikel 46 VLAREM I en artikelen 27 en 28 Decreet 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, beiden gecombineerd met de schending van de Omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan"; dat verzoeker in essentie betoogt dat hij zich niet bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 46 van het Vlarem I en artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet -bepalingen die aangeven wanneer een milieuver- gunning vervalt-, zodat zijn milieuvergunningen niet gedeeltelijk vervallen kunnen zijn, dat hij zich ook nooit bevond in één van de gevallen bedoeld bij artikel 27 van het milieuvergunningsdecreet, dat betrekking heeft op de verandering van een vergunde inrichting, zodat nooit een nieuwe milieuvergunning moest worden aangevraagd en dat in verschillende adviezen die in eerste aanleg werden uitgebracht werd aangenomen dat er geen verval was van de vergunning en dus ook geen stijging van de mestproductie; dat het volgens verzoeker vast staat dat er nooit een onderbreking geweest is in de exploitatie van de dieren en dat de stallen stedenbouw- kundig vergund werden; dat hij laat opmerken dat in het advies dat de Vlaamse Landmaatschappij in het kader van de beroepsprocedure uitbracht wordt erkend dat er oorspronkelijk een vergunning was voor 413 runderen, doch dat zij verkeerde besluiten trekt uit de verplaatsing van de runderen ten opzichte van de oorspronkelij- ke standplaatsen; dat verzoeker stelt dat artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet blijkens de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, derwijze moet toegepast worden dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaci- teit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft, en dat wanneer bepaalde stallen of bepaalde onderdelen van een inrichting sedert meer dan twee jaar niet meer bestaan, de milieuvergunning van rechtswege vervallen is zodat te dezen uit die omzendbrief volgt dat er geen inperking of verval is geweest van de bestaande milieuvergunningen voor het houden van 413 runderen; 2.2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat er geen sprake is van een schending van de bepalingen en de omzendbrief die verzoeker aanhaalt; dat de verwerende partij wijst op het "stand-still-principe" dat in het meststoffendecreet vervat zit en doet gelden dat, uitgaande van de gekende milieuvergunningsbesluiten en het door de Vlaamse Landmaatschappij uitgevoerde VII-31.638-5/11 plaatsbezoek op de inrichting van verzoeker, er slechts 271 vergunde standplaatsen voor runderen op de exploitatie aanwezig zijn; dat zij in dat verband citeert uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij dat in het kader van de beroepsprocedure werd uitgebracht; dat zij beklemtoont dat gelet op de vergunde mestproductie (271 grote zoogdieren) verzoekers aanvraag dient te worden beschouwd als een aanvraag tot verandering van de vergunning met een stijging van de vergunde mestproductie voor gevolg, hetgeen in strijd is met artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet; dat zij tenslotte stelt dat ook de schending van artikel 27 van het milieuvergunnings- decreet niet opgaat, vermits verzoeker zich wel bevond in een van de in dat artikel opgesomde gevallen; 2.2.
  14. Overwegende dat artikel 27 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt wat volgt: "§ 1 Een vergunning moet worden aangevraagd telkens de verandering van een vergunde inrichting de indeling van die inrichting in een hogere klasse tot gevolg heeft, en bij toevoeging. De aanvraag wordt ingediend bij de overheid die bevoegd is om in eerste aanleg uitspraak te doen overeenkomstig de klasse waartoe de inrichting behoort. § 2 In de andere gevallen moet de verandering worden meegedeeld aan de overheid die in eerste aanleg bevoegd is. Die overheid kan de verandering bij wege van aktename vergunnen. Op de aktename zijn de bepalingen van artikel 14, § 1 inzake bekendmaking en artikel 23 van toepassing. Een vergunning moet worden aangevraagd indien deze overheid vaststelt dat de verandering van die aard is dat zij een bijkomend risico voor de mens of een aantasting van het leefmilieu inhoudt of de bestaande hinder vergroot. § 3 De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen in verband met de verande- ring van de vergunde inrichting"; dat luidens artikel 2, 4/ van hetzelfde decreet onder "toevoegen" moet worden verstaan : "het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen, waarop de geldende vergunning geen betrekking heeft"; dat hetzelfde artikel onder "wijzigen" verstaat "het verplaatsen binnen de vergunde inrichting, of het aanwenden van een andere fabricagemethode"; dat de verwerende partij, om de inkrimping tot 271 stuks te rechtvaardigen, verwijst naar artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I); dat deze bepalingen respectievelijk als volgt luiden : "Art.
  15. § 1 De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: VII-31.638-6/11 1/ die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn; 2/ die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; 4/ die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en regels met betrekking tot de inkennisstelling van de stopzetting en het verval van de vergunning vaststellen. § 2 Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte." "Art. 46 Vlarem I: De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat : 1/ niet is in gebruik genomen binnen de overeenkomstig artikel 30 vastgestel- de termijn van in gebruikname; 2/ vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3/ gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. 4/ niet verder wordt geëxploiteerd overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en zijn uitvoeringsbesluiten"; Overwegende dat de verwerende partij niet voorhoudt dat te dezen de verplaatsing van de dieren een indeling van de inrichting in een hogere klasse of een toevoeging tot gevolg heeft; dat verzoeker prima facie bijgevolg enkel een melding van de verplaatsing had moeten doen; dat het nalaten daarvan niet tot gevolg lijkt te hebben dat de vergunning, wat de niet-meegedeelde veranderingen betreft, vervallen is in de zin van artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet en van artikel 46 van Vlarem I, welke bepalingen restrictief lijken te moeten worden geïnterpreteerd; dat de stelling van de verwerende partij des te meer klemt in het licht van artikel 33 ter, §1, 1/, c) van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, dat er in wezen op gericht is een verdere verhoging van de vergunde mestproductie tegen te gaan; dat er bij verzoeker feitelijk gezien geen verhoging is van de vergunde mestproductie omdat het aantal dieren waarvoor hij oorspronkelijk een vergunning kreeg immers niet toeneemt, vermits de dieren alleen maar worden verplaatst; dat het middel ernstig is; 2.
  16. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uiteenzet wat volgt: "Het landbouwbedrijf van verzoeker wordt reeds sinds generaties uitgebaat door de familie Nelen. Verzoeker heeft het bedrijf een tijd lang samen met zijn VII-31.638-7/11 vader Paul Nelen uitgebaat en heeft het bedrijf in 1987 overgenomen toen hij huwde met mevrouw Christine Van Puyvelde. Uit hun huwelijk hebben zij een zoontje. Het landbouwbedrijf van verzoeker is een zuiver melkveebedrijf en behoort met 413 runderen in zijn soort tot de grootste van de Kempen. Zoals bij veel bedrijven is een dergelijk landbouwbedrijf slechts winstgevend mits voldoende schaalvergroting. Deze schaalvergroting laat immers toe dat voldoende in moderne en noodzakelijke maar dure technologie kan worden geïnvesteerd. Om een melkveestapel van 413 stuks te kunnen voeden dient bijzonder veel voeder te worden geteeld zodat men over veel gronden dient te beschikken. In casu wordt 93 ha 91 a bewonnen waarvan 22 ha 26 a in eigendom en 71 ha 65 a in pacht. Om dergelijke oppervlaktes te bewinnen zijn grote landbouwmachines noodzakelijk. Deze landbouwmachines zijn bijzonder duur. Door de bestreden beslissing wordt de door verzoeker ingediende aanvraag tot verplaatsing (regularisatie) van 413 vergunde runderen in een bestaand landbouwbedrijf deels geweigerd, doordat de verplaatsing van 142 runderen wordt geweigerd. Indien het besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Landbouw en ontwikkelingssamenwerking dd. 17 december 2003 niet wordt geschorst, zal verzoeker ertoe genoodzaakt worden het totaal aantal runderen terug te brengen tot 271 runderen wat een reductie vertegenwoordigd van 34,38 %. De impact van deze reductie op de leefbaarheid van het bedrijf is dramatisch zoals blijkt uit volgende gegevens : Globaal kan gesteld worden dat de gemiddelde cashflow (bruto inkomen) in i een melkveebedrijf rond de 0,20 per liter bedraagt. (stuk IV.1, Bart Teuwen, Hoofd Bedrijfsontwikkeling, DLV Agro-economie cvba) De jaarlijkse melkproductie met de huidige veestapel bedraagt 1.089.076 liter. Onder de nieuwe vergunning zal dit zakken met 34,38 % naar 714.652 liter. Dit heeft voor het bedrijf - gelet op de vaste kosten - volgend nefast gevolg : Oorspronkelijke Nieuwe vergunning vergunning -------------------- -------------- Productie 1.089.076 714.652 Cashflow per liter x 0,20 x 0,20 ------------ ----------- cashflow exploitatie 217.815,20 142.930,40 financieringslast - 120.659,00 - 120.659,00 -------------------- ---------------- cashflow 97.156,20 22.271,40 pachtgelden - 15.712,24 - 15.712,24 sociale bijdragen - 5.002,69 - 5.002,69 externe arbeid - 25.064,00 - 16.447,00 -------------------- ---------------- inkomen 56.379,96 i - 9.887,84 i In bovenstaande berekening blijven de jaarlijkse te betalen aflossingen in kapitaal en intresten van bedrijfsleningen uiteraard verder lopen. Het jaarlijks te i betalen bedrag van 120.659,00 wordt bevestigd door het Landbouwkrediet waar de leningen zijn afgesloten (stuk IV.2). Uiteraard blijven de te betalen pachtgelden identiek. VII-31.638-8/11 Bij de berekening van de 'externe arbeid' in de nieuwe situatie wordt wel uitgegaan van een daling van de kost met 34,38 %. Uit wat voorafgaat blijkt dat de reductie van de veestapel met 34,38 % tot gevolg heeft dat het bedrijf zwaar verlieslatend wordt. Concreet wil dit zeggen dat verzoeker zonder inkomen komt te staan en dat een bedrijf dat generaties lang bestaat zal moeten sluiten. Het is daarenboven te verwachten dat gelet op de behandelingstermijnen voor annulatieberoepen bij de Raad van State, normaliter geen arrest zal tussenkomen voor december 2005, zodat verzoeker de vergunning voor 413 runderen definitief zal zien herleid worden naar 271 runderen - zoals bepaald wordt in het besluit a quo van 17 december 2003 - vermits de milieuvergunning voor 413 runderen dan twee jaar niet wordt uitgebaat en derhalve vervalt (artikel 46 VLAREM en artikel 28 Decreet van 28 juni 1985). Het besluit a quo brengt de leefbaarheid en het verder bestaan van het bedrijf, dat zorgt voor de inkomsten waarvan verzoeker en zijn gezin leven, ernstig in gevaar zodat het door hem geleden nadeel meer is dan een louter financieel nadeel. Dat het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen, zoniet onherstelbaar is, volgt zowel uit de dreigende sluiting van het bedrijf als het definitief verval van de vergunning voor het houden van 413 runderen"; Overwegende dat de verwerende partij daartegenover stelt: "Verweerder betwist dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een MTHEN zal meebrengen voor de verzoekende partij. De bestreden beslissing houdt immers niet in dat de exploitatie volledig onmogelijk wordt gemaakt, daar verzoeker verder kan exploiteren, zodat geenszins aannemelijk wordt gemaakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een imminent gevaar inhoudt voor het voortbestaan van de exploitatie, minstens wordt dit allerminst bewezen (zie infra) Verzoeker aanziet het MTHEN in essentie als een financieel nadeel, dat behoudens voldoende bewijs, puur hypothetisch is. Het verzoekschrift heeft het immers slechts over loutere beweringen. Verweerder komt bijgevolg tot de vaststelling dat het beweerde nadeel bovendien een louter financieel nadeel is dat wél herstelbaar is! Wat de rentabiliteit van het bedrijf betreft, blijkt uit geen enkel document dat de toekomst er rampzalig uit zal zien, noch dat de exploitatie van verzoeker zal dienen gesloten te worden! Dit blijkt evenmin uit een financieel plan uitgaande van een ONAFHAN- KELIJKE accountant. De verzoekende partij legt geen enkele begrotende berekeningen neer en er worden geen onafhankelijke accountants- of revisorenverslagen voorgelegd die de ernst van het te lijden nadeel zelfs maar bij benadering schatten. Uit niets blijkt dat hij genoodzaakt zal zijn diens uitbating stop te zetten, hetgeen evenmin met enig stuk wordt bewezen! Het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel wordt door de verzoeker dus geenszins bewezen"; Overwegende dat de door verzoeker gegeven uiteenzetting, die duidelijk, precies en concreet is, overtuigt; dat de verwerende partij overigens niet de berekening van het inkomensverlies betwist; dat te deze kan worden aangenomen dat VII-31.638-9/11 door de opgelegde reductie van het aantal dieren de leefbaarheid van verzoekers bedrijf in gevaar komt; 2.
  17. Overwegende dat deze vaststellingen volstaan om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen, BESLUIT: Artikel
  18. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamen- werking van 17 december 2003 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van 5 juni 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende het gedeeltelijk verlenen van de milieuvergunning aan Stan NELEN, om een rundveebedrijf, gelegen te 2910 Essen, Papenmoerstraat 8, te veranderen en uit te breiden. Artikel
  19. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien mei tweeduizend en vier, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-31.638-10/11 A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-31.638-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.559 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.