id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.573 Rolnummer: A. 109821/XIV-6407 Zaak: Arrest 131573 - - 19/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:48 Fiche Arrest nr 131.573 van 19 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.573 van 19 mei 2004 in de zaak A.109.821/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat R. QUINTELIER, kantoor houdende te 2140 ANTWERPEN, Plantin & Moretuslei 141 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 10 april 1960 en van Georgische nationaliteit, op 3 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelin-gen en de staatlozen van 22 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-6407-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 februari 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat R. QUINTELIER, verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 25 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 27 september
- 1.
- Op 19 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 22 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onont- vankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 12 juli 2001 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid put uit artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende XIV-6407-2/7 bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat de ingeleide vorderingen geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevatten; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de feiten op summiere, doch afdoende wijze worden uiteengezet, zodat de exceptie wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending Van De Beginselen Van Behoorlijk Bestuur: Zorgvuldigheidsplicht. "Bij de vaststelling en waardering van de feiten, waarop het besluit rust, moet de nodige zorgvuldigheid worden betracht (SUETENS, L.P. en BOES, M., Administratief Recht, Leuven, ACCO, 1990, 31)." "Ambtenaren mogen zich niet gedragen als slecht geprogrammeerde automaten (R.v.St., REESKENS, nr 20.602, 30 september 1980, R.W., 1981-82, 36, met noot LAMBRECHTS, W.). De Raad van State eist dat de overheid tot haar voorstelling van de feiten (R.v.St. SPELEERS, nr 21.037, 17 maart 1981) en tot de feitenvinding (R.v.St., VAN KOUTER, nr 21.094, 17 april 1981) komt met inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht. Uit de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding vloeit voort dat in beginsel geen feiten als bewezen of niet bewezen worden beschouwd zonder bij de betrokkene direkt en persoonlijk inlichtingen te vragen of hem in de gelegenheid te stellen de stukken over te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van de feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken (R.v.St., THIJS, nr 24.651, 18 september 1984, R.W., 1984-85, 946) (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, 43). * Op 22 augustus 2001 betekent de Dienst Vreemdelingenzaken verzoeker via de Commissaris-generaal een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen. Dit bevel kwam echter tot stand zonder enig direkt en persoonlijk contact met verzoeker. De Dienst vreemdelingenzaken gaat hier volledig naast de eigenheid van het dossier, doch gaat automatisch voort op de bevindingen van de Commissaris-generaal. Er dient gelet op de bestreden beslissing, waarbij het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 22 augustus 200
(1)van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt bevestigd, voor verzoeker zijn leven te worden gevreesd. * De Dienst Vreemdelingenzaken betekent de bestreden beslissing in het Nederlands, terwijl verzoeker deze taal onmachtig is. Dit alles maakt een onbehoorlijk gedrag uit van de Dienst Vreemdelingenzaken. * Verzoeker zijn dringend beroep werd door de Commissaris-generaal onontvankelijk en ongegrond verklaard, zonder dat hem de kans werd gegeven haar (zijn) persoonlijke situatie te benadrukken. Ook naar aanleiding van de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd aan verzoeker niet voldoende de kans gegeven zijn situatie toe te lichten. De bestreden akte van de Commissaris-generaal is dus veel te algemeen en bijgevolg komt men tekort aan de zorgvuldigheidsplicht. * Daarenboven gaat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid te buiten, wanneer hij de bestreden beslissing baseert op art. 52, par. 2, 4e Wet 15.12.80. Dit artikel is immers voorbehouden voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De Commissaris-generaal overschrijdt hier op tergende wijze zijn bevoegdheid.”; 3.2. Overwegende dat verzoeker een tweede middel als volgt adstrueert : “Schending van de Wet betreffende (
- de)uitdrukkelijke motivering van (
- de)bestuurshande- lingen (Wet 29.07.1991). "Deze wet schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen. Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; De motivering moet daarenboven afdoende zijn, dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk ..." "Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet-plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende (VAN HEULE, D., Vluchtelingen: Een overzicht na de Wet van 6 mei 1993, Gent, Mys en Breesch, 1993, 78 en VAN HEULE, D., De Motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T.V.R., 1993/2, 67-71)." XIV-6407-3/7 De beslissing van de Commissaris-generaal is het voorbeeld van een stereotiepe, geijkte en gestandaardiseerde motivering. De beslissing van de Commissaris-generaal is enkel en alleen gebaseerd op de afwezigheid van verzoeker en andere procedur(i)ële elementen, zonder dat verzoeker de kans werd gegeven enige toelichting te geven. Een individuele benadering van het specifiek geval van verzoeker ontbreekt hier in elk geval. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staat(s)lozen is in strijd met de Wet van 29 juli 1991.”; 3.3. Overwegende dat verzoeker vooreerst aanvoert dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten tot stand kwam “zonder enig direct en persoonlijk contact met verzoeker”; dat de bijlage bij de beslissing tot weigering van verblijf van 19 januari 2001, die de reden van de voormelde weigeringsbeslissing bevat, als volgt luidt: “Toepassing van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996 : daar de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; De betrokkene werd uitgenodigd zich op 13/10/2000 aan te bieden op de Dienst Vreemdelingenzaken. Hij bood zich tot op heden niet aan.;” dat hieruit blijkt dat de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten tot stand is gekomen doordat verzoeker zonder geldige reden verzaakte aan de oproeping of het verzoek om inlichtingen van de Dienst Vreemdelingenzaken; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van artikel 63/3, §1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voormelde weigeringsbeslissing kan bevestigen; dat verzoeker in het kader van zijn dringend beroep werd uitgenodigd voor een interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit wat volgt blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft beslist om de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen overeenkomstig artikel 52, §2, al. 4, van de Vreemdelingenwet, omdat verzoeker eveneens zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of aan het verzoek om inlichtingen; dat verzoeker derhalve bezwaarlijk kan stellen dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten tot stand kwam “zonder enig direct en persoonlijk contact met verzoeker”, aangezien hij zelf geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om nuttig voor zijn belangen op te komen; 3.4. Overwegende dat verzoeker verder stelt dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten hem werd betekend in het Nederlands, een taal die hij niet machtig is; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 27 september 2000 voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard om de bijstand te verzoeken van “een tolk van Georgische taal” tijdens het onderzoek van zijn asielaanvraag; dat artikel 51/4, § 2, alinea 3, van de Vreemdelingenwet stelt dat indien de vreemdeling verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in XIV-6407-4/7 functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties, bepaalt; dat de taal waarin zijn asielaanvraag werd onderzocht in casu het Nederlands is; dat verzoeker erkende hierover geïnformeerd te zijn; dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten derhalve terecht in het Nederlands kon worden geredigeerd en betekend; 3.5. Overwegende dat verzoeker verder stelt dat hij geen kans gekregen heeft om zijn persoonlijke situatie uiteen te zetten; dat evenwel uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker door de eerste verwerende partij werd opgeroepen bij aangetekend schrijven van 12 juli 2001 voor een interview op maandag 30 juli 2001 om 8.30 uur, waarbij de uitnodiging werd verstuurd naar verzoekers gekozen woonplaats; dat verzoeker zich niet heeft aangeboden op dit interview; dat verzoeker op 31 juli 2001 een medisch attest heeft verstuurd, waarin wordt meegedeeld dat hij zich niet kon aanbieden op het Commissariaat- generaal wegens ziekte van 30 juli 2001 tot en met 1 augustus 2001; dat in de oproeping voor het gehoor in dringend beroep van 12 juli 2001 wordt vermeld dat indien een geval van overmacht de verzoeker belet gevolg te geven aan de oproeping, hij enerzijds het bewijs van de ingeroepen overmacht en anderzijds alle elementen die hij ter ondersteuning van zijn asielaanvraag wil inroepen per aangetekend schrijven dient over te maken aan het Commissariaat-generaal; Overwegende dat de artikelen 52, § 2, 4/, en 63/2, § 1, van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaten om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren wanneer “de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven”; dat voornoemd medisch attest, dat op 31 juli 2001 naar het Commissariaat-generaal werd verstuurd, niet verklaart waarom verzoeker binnen de maand geen gevolg heeft kunnen geven aan het verzoek om inlichtingen door het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal bijgevolg in redelijkheid tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag heeft kunnen besluiten omdat verzoeker zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die hem aangetekend werd verstuurd op 12 juli 2001 naar zijn gekozen woonplaats; dat verzoeker derhalve niet kan stellen dat hij geen kans gekregen heeft om zijn situatie toe te lichten; 3.6. Overwegende dat verzoeker verder nog aanvoert dat de bestreden beslissing een voorbeeld is van een stereotiepe, geijkte en gestandaardiseerde motivering; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op goede gronden toepassing kon maken van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet; dat de bestreden beslissing dan ook afdoende gemotiveerd is; dat hij, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, zijn bevoegdheid niet heeft overschreden; XIV-6407-5/7 3.7. Overwegende dat verzoeker tenslotte de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de zorgvuldigheidsplicht en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat verzoeker niet aantoont, noch poogt aan te tonen, waar of in welke zin de bestreden beslissing deze wet en beginselen zou hebben geschonden; dat hij zich beperkt tot een samenraapsel van zeer algemene en vage grieven, die geen verband houden met de grond van de bestreden beslissing; dat uit wat voorafgaat blijkt dat de motiveringsplicht niet werd geschonden; dat de aangevoerde middelen ongegrond zijn; 4. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien mei tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-6407-6/7 R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-6407-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div