← België

Arrest 131617 - - 24/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.617 Rolnummer: A. 151773/IX-4527 Zaak: Arrest 131617 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:45 Fiche Arrest nr 131.617 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.617 van 24 mei 2004 in de zaak A. 151.773/IX-

  1. In zake : Johan RENDERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN BETSBRUGGE en E. VANDEBEMPT, kantoor houdende te TIENEN, IVe Lansierslaan 4 tegen : de politiezone LUBBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat B. WELKENHUYSEN, kantoor houdende te LUBBEEK, Staatsbaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Johan RENDERS op 13 mei 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de impliciete beslissing van de korpschef en van het politiecollege van de politiezone Lubbeek op zijn kandidaatstelling van 12 april 2004 voor de aanwijzing in de functie van "inspecteur wijkwerking en onthaal voor de wijk Boutersem" wordt afgewezen; Gezien het verzoekschrift dat Johan RENDERS tezamen met het voornoemd verzoekschrift heeft ingediend om bij wijze van voorlopige maatregel “de uitvoering van de aanstellingsprocedure van 23 april 2004 voor de functie van 1 voltijds inspecteur (wijk Boutersem) te schorsen (...) totdat er uitspraak is gedaan aangaande de gevolgen van de eerste aanstellingsprocedure van 5 april 2004 voor dezelfde functie waarbij verzoeker zich kandidaat heeft gesteld en waarbij tot heden geen enkel gevolg werd verleend behoudens een impliciete weigeringsbeslissing, louter af te leiden uit de nieuwe aanstellingsprocedure”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 mei 2004, om 14.00 uur; IX-4527-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VAN BETSBRUGGE, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat B. WELKENHUYSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoeker inspecteur van politie is in de politiezone Lubbeek; dat hij als “wijkinspecteur” tewerkgesteld was in Boutersem, maar dat -naar blijkt uit de stukken overgelegd door de verwerende partij- de korpschef op 11 maart 2004 na opmerkingen van het parket van de procureur des Konings over de werking van de wijkdienst te Boutersem -meer bepaald vertraging bij de uitvoering van kantschriften- besloten heeft met ingang van 1 april 2004 een aantal veranderingen in de dienstaanwijzingen door te voeren, onder meer de overgang van verzoeker naar de dienst interventie op het commissariaat te Lubbeek; dat, na protest van verzoeker, het politiecollege op 24 maart 2004 besloten heeft “om voet bij stuk te houden en inspecteur Johan RENDERS vanaf 01.04.2004 intern mutatie te laten maken naar de dienst interventie”; dat hem door de korpschef medegedeeld is dat die permutatie gebeurde “om functioneringsredenen”; dat verzoeker tegen die permutatie een gewone vordering tot schorsing heeft ingediend; Overwegende dat op 5 april 2004 een vacature bekendgemaakt is voor: “wijkwerking en onthaal: 1 voltijdse INP (wijk Boutersem)”; dat verzoeker zich op 12 april 2004 voor die vacature kandidaat heeft gesteld; dat hem op 19 april 2004 medegedeeld is dat hij de enige kandidaat was en dat het politiecollege en de korpschef zich wenste te “beraden over deze aangelegenheid”; dat echter, na beslissing van het politiecollege van 21 april 2004, op 23 april 2004 een “tweede oproep tot kandidaatstelling” voor dezelfde functie gelanceerd is; dat verzoeker betoogt dat hij op 24 of 25 april 2004 kennis gekregen heeft van die nieuwe vacantverklaring; dat hij daarin de weigering ontwaart om zijn kandidatuur, ingediend na de eerste vacantverklaring, in overweging te nemen; dat die impliciete beslissing het voorwerp vormt van de onderhavige schorsingsvordering; IX-4527-2/6 Overwegende dat uit het dossier dat de verwerende partij heeft voorgelegd blijkt dat verzoeker zich op 27 april 2004 opnieuw -en als enige- kandidaat gesteld heeft voor de mutatie naar de vacante betrekking, dat het politiecollege op 5 mei 2004 besloten heeft “om inspecteur Johan RENDERS deze vacante plaats niet te laten opvullen en bij de eerder genomen beleidsbeslissing te blijven, waardoor Johan RENDERS sinds 01.04.2004 omwille van functioneringsredenen, gemuteerd werd naar de dienst interventie” en om “deze vacature (...) door middel van externe mobiliteit te laten opvullen”; dat die beslissing bij brief van 10 mei 2004 aan verzoeker ter kennis gebracht is;
  4. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is; dat, inzonderheid wat de laatstgenoemde voorwaarde betreft, artikel 8 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 waarbij de rechtspleging in kort geding wordt vastgesteld, een expliciete uiteenzetting, in het verzoekschrift, vereist van de feiten die de behandeling volgende procedure van de hoogdringendheid rechtvaardigen; 3.
  5. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat zolang er geen uitspraak gedaan is over zijn eigen kandidatuur, er geen nieuwe vacantverklaringen kunnen gebeuren zodat een “dringende uitspraak zich opdringt ten einde een onoverzichtelijke openstelling van kandidaturen te vermijden”; dat volgens hem een schorsing volgens de gewone procedure onmiskenbaar te laat zal komen om nog nuttig effect te hebben wanneer inmiddels een andere kandidaat opduikt en hij in de betrekking aangesteld wordt, aangezien het dan immers voor hem onmogelijk wordt om naar Boutersem terug te keren, terwijl hij zeer gehecht is aan de wijkwerking aldaar en terwijl zijn actuele tewerkstelling in Lubbeek ook gevolgen heeft voor zijn gezondheidstoestand; 3.
  6. Overwegende dat de schorsing bij hoogdringendheid een uitzonderingsprocedure is die het verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort en de rechten van de verdediging in belangrijke mate beperkt, zodat van die procedure slechts gebruik kan worden gemaakt in de enkele gevallen IX-4527-3/6 dat het spoedeisend karakter van de zaak hetzij voor iedereen duidelijk is, hetzij door de verzoeker duidelijk wordt gemaakt doordat hij aantoont dat een schorsing, afgehandeld volgens de gewone schorsingsprocedure, onmiskenbaar te laat zal komen om het door hem ingeroepen nadeel, waarvan het ernstig en moeilijk te herstellen karakter aangetoond wordt, te keren; 3.3.
  7. Overwegende dat verzoeker zich verzet tegen de -impliciete, maar inmiddels ook geëxpliciteerde- weigering van het bestuur om zijn kandidatuur voor een aanstelling te Boutersem in aanmerking te nemen; dat uit de uiteenzetting van verzoeker evenwel niet opgemaakt kan worden waarom een schorsing volgens de gewone procedure het gevreesde nadeel niet meer zou kunnen afwenden omdat hij dan geblokkeerd zal zijn door een inmiddels gebeurde aanstelling; dat integendeel uit de stukken van het dossier en uit de uiteenzetting van de raadsman van de verweren- de partij blijkt dat de verwerende partij besloten heeft, bij gebrek aan kandidaten uit het eigen korps, af te zien van een interne mutatie en van het spoedig begeven van de betrekking te Boutersem maar een ruimere oproep tot gegadigden op te starten, waarvoor een specifieke procedure moet gevolgd worden die niet door de lokale politie wordt beheerd en die langere tijd in beslag kan nemen; dat niet blijkt dat, naar redelijkheid, de externe oproep tot gegadigden tot resultaten zal leiden alvorens de Raad van State, ware de zaak hem voorgelegd volgens de gewone schorsingsproce- dure, uitspraak zou hebben gedaan; dat overigens verzoeker dan nog altijd de mogelijkheid heeft om een eventuele aanstelling te bestrijden op grond van het middel dat het bestuur ten onrechte aan zijn unieke kandidatuur voorbijgegaan is; 3.3.
  8. Overwegende bovendien, dat het beroep op de hoogdringende schorsingsprocedure slechts openstaat voor een verzoeker die diligent handelt, wat betekent dat de vordering zo snel mogelijk na de kennisneming van de bestreden beslissing -wat een beoordeling vergt van de concrete omstandigheden van de zaak- wordt ingediend; dat met het uitstellen van zijn vordering een verzoeker bewijst dat hij de zaak zelf niet hoogdringend acht; dat te dezen verzoeker erkent dat hij kennis genomen heeft van de tweede vacantverklaring -het feit waarin hij de bestreden weigeringsbeslissing ziet- op 24 of op 25 april 2004, maar dat noch de feitelijke gegevens van de zaak noch het juridisch kader dermate ingewikkeld lijken dat zij een uitstel tot 13 mei 2004 kunnen verantwoorden; dat het zoeken naar een mogelijk vergelijk met het bestuur, naar hetwelk de raadsman van verzoeker terzake verwijst, geen reden is om te wachten met het indienen van een vordering bij hoogdringend- heid; IX-4527-4/6 3.
  9. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat er redenen zijn om zijn vordering tot schorsing volgens de procedure bij hoogdringendheid te behande- len;
  10. Overwegende dat artikel 26 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat een verzoekschrift waarbij, in het kader van een schorsings- procedure, om voorlopige maatregelen wordt gevraagd, een uiteenzetting moet bevatten van de “feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; dat, in dit geval, het verzoekschrift dezelfde feiten vermeldt die ook in de schorsings- vordering zijn uiteengezet met de enkele toevoeging dat de tweede aanstellings- procedure -deze van 23 april 2004- “geen nadelige effecten mag creëren”; dat hiervoor is uiteengezet waarom die feiten het beroep op de procedure bij hoogdringendheid niet verantwoorden; dat de vordering wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  12. De vordering tot voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-4527-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2000 en vier, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4527-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.