← België

Arrest 131622 - - 24/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.622 Rolnummer: Zaak: Arrest 131622 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-09-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:48 Fiche Arrest nr 131.622 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.622 van 24 mei 2004 in de zaken A. 87.053/IX-2039 96.779/IX-2576 113.440/IX-

  1. In zake : I. + II. + III. Josephus TROFFAES, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te STEKENE, Stadionstraat 30 tegen : I. + II. + III. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de minister van Volksgezondheid, die in de zaken A. 87.053/IX-2039 en 113.440/IX-3134 woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72 A,
  3. de minister van Landsverdediging, die in de zaak A. 96.779/IX-2576 woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Josephus TROFFAES op 30 september 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de impliciete weigering tot "niet samenstelling, door de Belgische Staat, van de commissie die zich ingevolge de verwijzing door het vernietigingsarrest TROFFAES nr. 78.174 van 18 januari 1999 zal moeten uitspreken over het verzoek tot zijn erkenning als politiek gevangene" (de zaak nr. G/A 87.053/IX-2039); IX-2039-1/14 Gezien het verzoekschrift dat Josephus TROFFAES op 25 oktober 2000 heeft ingediend om overeenkomstig artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de Belgische Staat te veroordelen tot het betalen van een herstelvergoeding van 8.505.000 BEF voor de buitengewone schade hem veroor- zaakt ingevolge de niet-samenstelling van de commissie van beroep voor politieke gevangenen en hun rechthebbenden en het daarmee verband houdend uitblijven van een beslissing van die commissie (de zaak nr. G/A 96.779/IX-2576); Gezien het verzoekschrift dat Josephus TROFFAES op 27 november 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 september 2001 van de aanvaardingscommissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden waarbij zijn herzieningsaanvraag ontvankelijk maar niet gegrond wordt verklaard en om hem te erkennen als politiek gevangene (de zaak nr. 113.440/IX-3134); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2002 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 mei 2004; IX-2039-2/14 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. STERCK, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. VERSTRAETEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- wnd. afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  5. Josephus TROFFAES (/ 12/11/21) vertrekt in 1940 naar Duitsland om er in FRIEDRICHSHAFEN te gaan werken. Op 26 juli 1941 wordt hij beschuldigd van ontvreemding van plannen ten voordele van de geallieerden. Op 19 augustus 1941 ontsnapt hij uit de gevangenis van FRIEDRICHSHAFEN. Op 12 oktober 1941 wordt hij in Frankrijk aangehouden. Van de gevangenis van PAU wordt hij overgebracht naar het kamp van GURS waar hij op 2 november 1941 ontsnapt. Begin januari 1942 vertrekt hij naar HANNOVER. Hij wordt er op 27 januari 1942 opnieuw aangehouden. Op 5 januari 1943 wordt hij te BERLIJN MOABIT tot drie jaar gevangenis veroordeeld wegens aanslag op de veiligheid van het Reich. Hij ontsnapt op 27 augustus 1943 tijdens zijn overbrenging naar de gevangenis van WITTLICH. Op 28 januari 1944 wordt hij aangehouden door de Kripo/Stapo BORDEAUX en overgebracht naar AUSCHWITZ, BUCHENWALD en FLOSSENBURG. IX-2039-3/14 1.
  6. Op 11 januari 1951 dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van de titel van politiek gevangene en van de hoedanigheid van gerechtig- de van het statuut. De Aanvaardingscommissie voor politieke gevangenen en hun rechtverkrijgenden verwerpt deze aanvraag op 9 november
  7. De commissie is van oordeel dat verzoeker onder de uitsluitingsgronden voorzien in artikel 5, 6/, en artikel 6 van de wet van 26 februari 1947 valt. Die bepalingen -die nadien opgenomen zijn in de bij koninklijk besluit van 16 oktober 1954 gecoördineerde wetten betreffende het statuut van de politieke gevangenen en hun rechthebbenden- luiden als volgt : - Art. 5: "Worden uitgesloten van het recht op onderhavig statuut: (...) 6/ de personen die, zonder dwang, voor Duitsland of zijn bondgenoten hebben gewerkt; deze personen kunnen, indien zij achteraf uitzonderlijke vaderlandslievende diensten hebben bewezen, door de bij de artikelen 32 en 37 ingestelde commissies worden ontslagen van de bij dit artikel voorziene vervallenverklaring." - Art. 6: "De titel van politiek gevangene en zelfs elk recht op dit statuut kan worden ontzegd aan de personen die een onwaardig gedrag gehad hebben, hetzij om reden van hun houding ten opzichte van de vijand, vóór, gedurende en na hun gevangenschap, hetzij om reden van daden gesteld ten nadele van hun medegevangene." De beslissing van de aanvaardingscommissie wordt op 18 november 1955 door de Aanvaardingscommissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechtverkrijgenden bevestigd. 1.
  8. Verzoeker dient op 22 november 1982 een aanvraag tot herziening van deze beslissing in. Deze aanvraag wordt door de aanvaardingscommissie van beroep op 8 oktober 1985 verworpen, op grond van de vaststelling dat de aangebrachte bewijzen het tegenbewijs niet leveren van het feit dat verzoeker in 1940 en 1942 vrijwillig in Duitsland ging arbeiden en dat hij zich onwaardig gedragen heeft door zijn houding tegenover de vijand. IX-2039-4/14 1.
  9. Op 10 januari 1991 dient verzoeker een nieuwe aanvraag tot herziening in. Bij beslissing van 27 april 1995 verklaart de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden de herzieningsaanvraag ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Zij beslist "dat er in hoofde van appellant geen toepassing kan gemaakt worden van het bepaalde bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 16 oktober 1954". 1.
  10. Met het arrest nr. 78.174 van 18 januari 1999 van de Raad van State wordt de beslissing van 27 april 1995 van de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden gedeeltelijk vernietigd, met name in zoverre de herzieningsaanvraag van Josephus TROFFAES ongegrond wordt verklaard. De Raad overweegt dat de beroepscommissie, zodra ze tot het besluit was gekomen dat er geen voldoende redenen voorhanden waren om artikel 6 -uitsluiting wegens onwaardig gedrag ten opzichte van de vijand- toe te passen, in het kader van het onderzoek naar de toepassing van artikel 5, 6/, had moeten onderzoe- ken of betrokkene, zoals door hem staande gehouden, uitzonderlijke vaderlandslie- vende diensten had bewezen. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep. 1.
  11. Op 21 maart 1999 stuurt verzoeker de bevoegde minister volgende aangetekende aanmaning : "(...) Ik verzoek U mij binnen de vier maanden mede te delen: A) wie als leden in de commissie zullen zetelen B) wanneer mijn zaak voor een nieuwe behandeling -binnen de perken van het arrest van de Raad van State- aan de commissie zal worden voorgelegd. Indien ik binnen deze termijn geen antwoord heb ontvangen zal ik dit als een impliciet afwijzende beslissing beschouwen, waartegen ik, overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State -en desgevallend- een schadevergoedings aanvraag zal aanleggen bij de burgerlijke IX-2039-5/14 rechtbank van eerste aanleg-overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek." Hierop wordt door de minister op 21 mei 1999 als volgt geantwoord : "(...) De gedeeltelijke vernietiging door de Raad van State op 18 januari 1999 van de beslissing van de Commissie van beroep voor de Politieke Gevangenen en hun Rechthebbenden dd. 27 april 1995, houdt in dat een anders samengestelde commissie van beroep over uw aanvraag uitspraak moet doen. Gelet op het gebrek aan een voorzitter, en een vertegenwoordiger van de Minister, heeft mijn administratie de aanwervingprocedure opgestart voor de benoeming van deze twee personen. Eens deze personen benoemd zijn, zal u de samenstelling van de commissie van beroep worden bekendgemaakt. Na heronderzoek van uw dossier door een Staatscommissaris, zullen de besluiten voor de Belgische Staat aan u worden betekend. Ter gelegenheid hiervan zal u worden opgeroepen om te verschijnen voor de nieuw samen- gestelde commissie van beroep." 1.
  12. Met een brief van 26 mei 1999 vraagt de Dienst voor de Oorlogs- slachtoffers aan het ministerie van Justitie "dringend het nodige te willen doen voor de aanwerving van een plaatsvervangend voorzitter voor de beroepscommissie". Volgens artikel 26, derde lid, van het koninklijk besluit van 20 juni 1953 tot regeling van de samenstelling van de aanvaardingscommissies wordt de commissie van beroep voorgezeten door een door de minister aangewezen effectief of ere-magistraat bij het Hof van verbreking of bij een hof van beroep. Een ministerieel besluit van 22 juni 1999 benoemt Georges VAN DER SNICKT als plaatsvervangend lid, afgevaardigde van de minister bij de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden. 1.
  13. Op 30 september 1999 wordt het eerste beroep ingediend. Dit beroep strekt tot vernietiging van de impliciete weigering met betrekking tot de samenstelling door de Belgische Staat van de commissie die zich ingevolge de verwijzing door het vernietigingsarrest (...) nr. 78.174 van 18 januari 1999 zal moeten uitspreken over het verzoek tot erkenning als politiek gevangene". IX-2039-6/14 1.
  14. Met een brief van 28 oktober 1999 deelt de minister van Lands- verdediging verzoeker mee dat zijn dossier "tot op heden nog niet kon behandeld worden omdat (...) nog geen magistraat bereid werd gevonden om de functie van plaatsvervangend voorzitter van de commissie op zich te nemen". Hij belooft bij zijn collega van Justitie aan te dringen "opdat spoedig een kandidaat gevonden wordt om die vacature in te vullen". 1.
  15. Met een ministerieel besluit van 29 maart 2000 wordt Edward RIGAUX benoemd tot plaatsvervangend voorzitter van de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden van het Nederlands taalstelsel. 1.
  16. Op 27 juli 2000 richt verzoeker een aangetekend schrijven tot de minister van Landsverdediging, waarin hij onder meer de betaling van een herstelver- goeding van in totaal 22.300.000 BEF vraagt omdat de Staat "niet slaagt om in overeenstemming met het gezag van gewijsde van het annulatiearrest nr. 70.341 een anders samengestelde commissie van beroep zijn herzieningsaanvraag te laten behandelen, laat staan correct te behandelen". Met een brief van 3 oktober 2000 antwoordt de raadsman van de Belgische Staat aan verzoeker dat de plaatsvervangend voorzitter bij de Commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden benoemd is, dat de commissie eerstdaags zal samengeroepen worden en dat er bijgevolg niet ingegaan wordt op de eis tot schadevergoeding. Op 25 oktober 2000 wordt het tweede beroep ingediend. Dit beroep beoogt de toekenning van een herstelvergoeding voor buitengewone schade ten belope van 8.505.000 BEF. 1.
  17. Op 2 november 2000 laat Edward RIGAUX aan het bestuur weten "geen belangstelling" voor de functie van plaatsvervangend voorzitter te hebben omwille van "het bedrag van de zitpenning". IX-2039-7/14 Op 12 december 2000 wordt Walter DE CRAEYE tot plaats- vervangend voorzitter benoemd. Hij neemt evenwel op 12 maart 2001 om gezondheidsredenen ontslag. Vervolgens wordt R. DEBRUYNE bereid gevonden de taak van voorzitter op zich te nemen. Zijn benoeming wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni
  18. 1.
  19. Op de zitting van 30 mei 2001 van de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden wordt de zaak van verzoeker uiteindelijk behandeld. Op 26 september 2001 neemt deze beroepscommissie de met het derde beroep bestreden beslissing, waarbij de herzieningsaanvraag van verzoeker ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard. Er wordt beslist dat hij valt onder de uitsluitingsgrond voorzien in artikel 5, 6/ van het koninklijk besluit van 16 oktober 1954, dat hij derhalve niet de hoedanigheid bezit van gerechtigde van het statuut en dat hij geen recht heeft op de titel van politieke gevangene. Deze beslissing bevat de volgende redengeving : "(...) IV. ANALYSE VAN DE CRITERIA A) Beoordeling van de vrijwillige arbeid Overwegende dat het aan hem, die in dienst van de vijand tewerkgesteld was, is om te bewijzen dat hij dit onder dwang gedaan heeft (R.v.St., arresten Leclef n/ 3412 van 24 mei 1954 en Decoutere, n/ 3539 van 1 juli 1954); Overwegende dat verzoeker zelf aangeeft dat hij vanaf 30 augustus 1940 als vrijwillige arbeider in Friedrichshafen gewerkt heeft (zie vragenlijst die hij op 10 februari 1951 heeft ingevuld tot erkenning als politieke gevangene); Overwegende dat betrokkene op het ogenblik van het aangaan van deze arbeidsverbintenis de leeftijd van achttien jaar reeds had bereikt; Overwegende dat de verplichte tewerkstelling in Duitsland pas ingevoerd werd met de Duitse verordening van 6 oktober 1942; de arbeid die voordien in Duitsland werd verricht, wordt vermoed vrijwillig te zijn gebeurd (artikel 4 van de wet van 7 juli 1953, houdende inrichting van het Statuut van de Gedepor- teerden tot de verplichte tewerkstelling van de oorlog 1940-1945 en intrekking van de Besluitwet van 24 december 1946); Overwegende dat vrijwillig werken voor de vijand met het oog op het ontwikkelen van verzets- en spionageactiviteiten géén uitsluitingsgrond is. Vanaf het ogenblik dat de arbeider een voldoende bewijs kan leveren van het bevel dat hij ontvangen heeft en dat hem ertoe gebracht heeft de daden die hem verweten IX-2039-8/14 worden te stellen, kan de uitsluitingsoorzaak niet voor hem ingeroepen worden, daar de daad beoordeeld moet worden in functie van de bedoeling die aan de oorsprong ervan ligt en die maakt dat de vrijwillige arbeid enkel een voorwend- sel is en een middel om de werkelijk nagestreefde doelen te bereiken (Omzend- brief dd. 28-4-1948 waarbij een werkbasis gegeven wordt ten einde de interpretatie en de toepassing van het statuut der Politieke Gevangenen te vergemakkelijken); Overwegende dat verzoeker niet het bewijs levert dat hij een bevel ontvangen heeft om precies wegens redenen van spionage en sabotage naar Duitsland te gaan; Overwegende dat verzoeker, volgens de gegevens van de Centrale Dienst van het Stamboek, nooit een aanvraag heeft gedaan tot het bekomen van het statuut van inlichtings- en actieagent; dat men bij het Centrum voor Historische Documentatie over geen enkel bewijs beschikt dat bovengenoemde deel zou hebben uitgemaakt van een Inlichtings- of Actiedienst; Overwegende dat geen enige andere vorm van dwang is aangetoond toen verzoeker in 1940 en 1942 naar Duitsland ging werken; Ter zitting preciseert verzoeker nog dat bij zijn eerste reis naar Duitsland

(1940)in die periode "nog veel publiciteit" werd gemaakt voor werk aldaar. Ook de juiste omstandigheden of redenen van de terugkeer van verzoeker begin januari 1942 naar Duitsland (Hannover) zijn niet duidelijk ook al werd verzoeker in Duitsland aangehouden op 27 januari 1942 en veroordeeld op 5 januari
  1. Men kan zich overigens ook niet van de indruk ontdoen dat deze terugkeer als roekeloos en overmoedig gedrag dient beschouwd vermits in het standpunt van verzoeker zelf hij door de duitse overheden werd gezocht. Voornoemde veroordeling zal bovendien niet noodzakelijk van doorslag- gevende aard zijn in verband met het al dan niet vrijwillig karakter van de terugkeer naar Duitsland noch de omstandigheden ervan. De Commissie is de mening toegedaan dat het parcours van betrokkene en diens reiswegen vrij chaotisch overkomen, zelfs rekening houdend met de zeer moeilijke oorlogsgebeurtenissen. Het dient verder aangestipt dat naar aanleiding van zijn tweede verplaatsing naar Duitsland verzoeker alhier te lande via de duitse overheden diende te gaan in verband met een nieuwe plaats van tewerkstelling in Duitsland. Verzoeker heeft derhalve niet voldoende aangetoond dat artikel 5, 6/ niet op hem van toepassing zou zijn. B) Beoordeling van de uitzonderlijke vaderlandslievende diensten: Overwegende dat de bewijslast van de uitzonderlijk vaderlandslievende diensten eveneens toekomt aan betrokkene; Overwegende dat de wetgever aan de uitdrukking "uitzonderlijke vaderlands- lievende diensten" een uitgebreidere betekenis gegeven heeft dan aan de uitdrukking "onbaatzuchtige vaderlandslievende bedrijvigheid". De vrijwillige arbeiders zullen een buitengewone dienst moeten inroepen d.w.z. buiten het gewone, nuttiger en vollediger dan een eenvoudige normale weerstandsdaad. De tekst eist van de vrijwillige arbeiders een herstel dat werkelijk moet zijn (Omzendbrief dd. 28-4-1948); IX-2039-9/14 Overwegende dat de Commissie de bevoegdheid bezit om te oordelen of de aangevoerde handelingen van zodanige aard zijn dat zij die ze hebben verricht er door van het opgelopen verval kunnen worden ontheven; dat het uitzonder- lijke karakter van de aangevoerde vaderlandslievende activiteit soeverein wordt beoordeeld door de commissie (R.v.St., arrest Hannon, nr. 7516 dd. 23 december 1959); Overwegende dat het aan de Commissie is om uitspraak te doen over de feitelijke omstandigheden die betrekking hebben op het uitzonderlijke karakter van de vaderlandslievende diensten die zouden bewezen zijn; Zo oordeelt de commissie dat Engeland proberen te bereiken geen uitzonder- lijke vaderlandslievende dienst uitmaakt net als het overschrijden van de demarcatielijn of het overschrijden van de spaanse grens. Wat betreft zijn doortocht in Frankrijk en het overmaken van gegevens betreffende de nieuwe wapens die duitsers ontwikkelden evenals het over- brengen van gegevens op stafkaarten: Er dient hier opgemerkt dat de beweringen van verzoeker hieromtrent zeer vaag zijn en geenszins worden gestaafd door concrete gegevens nopens de werkelijkheid enerzijds en de mogelijke bruikbaarheid anderzijds van de verzamelde inlichtingen. Wat betreft zijn aangehaalde kontakten met groepering Ajax en spionage in de verboden zone van de Atlantikwall : het spreekt voor zich dat dergelijke activiteiten uiteraard, bij voorkeur, in georganiseerd en gestructureerd verband dienden te geschieden. Ook hier merkt de commissie op dat, in de veronderstelling dat de heer TROFFAES inderdaad dergelijke spionageactiviteit heeft verricht, hieromtrent minstens een begin van bewijs dient voorgelegd alsook van zijn kontakten met voornoemde groepering; ook dit wordt niet of onvoldoende aangetoond door de heer TROFFAES.";
  2. de zaak G/A 87.053/IX-2039 Overwegende dat het met het onderzoek van de zaak belaste lid van het auditoraat in zijn verslag terecht besloten heeft dat het eerste beroep, strekkende tot de vernietiging van de stilzwijgende weigering van de bevoegde minister om de commissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden volledig samen te stellen door de benoeming van een plaats- vervangend voorzitter, zonder voorwerp is geworden, aangezien de minister in de loop van het geding een plaatsvervangend voorzitter heeft benoemd en de commissie de zaak van verzoeker heeft kunnen behandelen; dat verzoeker in zijn laatste memorie die conclusie overigens zelf bijvalt; IX-2039-10/14 Overwegende dat, aangezien het teloorgaan van het voorwerp van het beroep niet aan verzoeker te wijten is, er reden is om de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen;
  3. de zaak G/A 113.440/IX-3134 3.
  4. Overwegende dat het beroep strekt tot de vernietiging van de beslissing van 26 september 2001 van de Aanvaardingscommmisie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden waarbij zijn vraag tot herziening van 10 januari 1991, in zoverre de commissie daar na het arrest nr. 78.174 van 18 januari 1999 van de Raad van State opnieuw diende over te beslissen, ont-vankelijk doch ongegrond wordt verklaard en waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker valt onder de uitsluitingsgrond van artikel 5, 6/, van de op 16 oktober 1954 gecoördineerde wetten betreffende het statuut van de politieke gevangenen en hun rechthebbenden, dat hij derhalve niet de hoedanigheid bezit van gerechtigde van het statuut en dat hij geen recht heeft op de titel van politiek gevangene; 3.
  5. Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het beroep strekt tot de vaststelling dat verzoeker erkend wordt als politieke gevangene; dat immers de Raad van State, die terzake optreedt als cassatierechter over de uitspraak van een administratief rechtscollege, niet bevoegd is om in de plaats van de aanvaardingscommissie de rechten van verzoeker vast te stellen; 3.3.
  6. Overwegende, wat betreft de vraag tot vernietiging van de bestreden beslissing in de mate de aanvaardingscommissie zijn herzieningsaanvraag verwerpt, dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt dat het verzoekschrift geen middel bevat, als bedoeld in artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement; 3.3.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat het verzoekschrift niet uitdrukkelijk de bepaling moet vermelden waarvan schending ingeroepen wordt, voor zover er wordt aangegeven “krachtens welke regel IX-2039-11/14 een feit waarvan de onwettigheid wordt ingeroepen de rechtsgevolgen zou hebben die verzoeker aan dit feit toekent”; dat naar zijn oordeel hij in zijn verzoekschrift “niet alleen zegt dat de wettelijke bepaling geschonden is (maar dat hij) ook aantoont hoe deze werd geschonden, met name dat geen acht werd geslagen op de stukken 66 en 67 van het dossier en dat de beslissing een onjuiste beoordeling heeft gemaakt van de begrippen ‘vrijwillige arbeid’ en ‘uitzonderlijke vaderlandslievende diensten’” waardoor het bestreden besluit “onvoldoende gemotiveerd” is; dat hij te dien aanzien dan twee middelen ontwikkelt; dat hij in zijn laatste memorie dat standpunt herhaalt en daaraan toevoegt dat de rechter moet nagaan of de lagere rechter voldoende rekening gehouden heeft met de feitelijke gegevens; 3.3.
  8. Overwegende dat het verzoekschrift toegespitst is op de verkeerde beoordeling, door de aanvaardingscommissie van beroep, van de haar voorgelegde feitelijke gegevens op het vlak van enerzijds het vrijwillig karakter van de arbeid die verzoeker in Duitsland heeft verricht en anderzijds het ontbreken van uitzonderlijke vaderlandslievende diensten; dat, aangezien de cassatierechter de beoordeling van de feiten door het administratief rechtscollege dat de zaak ten gronde onderzocht heeft niet mag overdoen, de Raad van State geen acht kan slaan op deze kritiek; 3.3.
  9. Overwegende dat het verzoekschrift geen rechtsmiddel bevat in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het algemeen procedurereglement, te weten de aanwijzing van een rechtsregel die de commissie miskend zou hebben -inhoudelijk betreffende de uitlegging van de begrippen waarvan toepassing is gemaakt of vormelijk op het vlak van de totstandkoming van het bestreden besluit- en een uiteenzetting van de wijze waarop die rechtsregel bij de totstandkoming van het bestreden besluit geschonden zou zijn geworden; Overwegende dat de uiteenzetting in de memorie van weder- antwoord dat gebrek niet kan goedmaken; dat zij immers elk deugdelijk verweer onmogelijk maakt; dat het beroep om die reden niet ontvankelijk is; IX-2039-12/14
  10. de zaak G/A 96.779/IX-2576 4.
  11. Overwegende dat verzoeker vraagt dat de Belgische Staat, overeenkomstig artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zou veroordeeld worden om hem een herstelvergoeding toe te kennen voor de buitengewone schade die hij door toedoen van het bestuur heeft geleden, met name het derven van de voordelen verbonden aan het statuut van politieke gevangene dat hem gedurende lange tijd niet kon toegekend worden omdat de aanvaardings- commissie van beroep niet geldig samengesteld geraakte; 4.
  12. Overwegende dat de verwerping van het beroep tegen het besluit van 26 september 2001 van de Aanvaardingscommissie van beroep voor de politieke gevangenen en hun rechthebbenden, zoals hiervoor sub 3.
  13. besloten is, tot gevolg heeft dat die beslissing definitief is; dat daarmee definitief vast komt te staan dat verzoeker het statuut van politieke gevangene niet bezit, dat hij geen recht heeft op de titel en dat hij geen aanspraak kan maken op de voordelen die met het statuut verbonden zijn; dat hij dan ook aan het bestuur niet kan verwijten dat hij de voordelen verbonden aan het statuut van politieke gevangene gedurende lange tijd heeft moeten missen; dat er van buitengewone schade geen sprake kan zijn; dat de vordering niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  14. De beroepen worden verworpen in de zaken A. 87.053/IX-2039 en 113.440/IX-
  15. IX-2039-13/14 Artikel
  16. De vraag tot herstelvergoeding in de zaak A. 96.779/IX-2576 wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep in de zaak G/A. 87.053/IX-2039, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep in de zaak G/A. 113.440/IX-3134 en van de vordering tot herstelvergoeding -de zaak 96.779/IX-2576-, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2039-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.622 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.