← België

Arrest 131631 - - 24/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.631 Rolnummer: A. 112706/X-10663 Zaak: Arrest 131631 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 06:50 Fiche Arrest nr 131.631 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.631 van 24 mei 2004 in de zaak A. 112.706/X-10.

  1. In zake : Joël VAN WETTERE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VANDEROSIEREN, kantoor houdende te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 100 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij Advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN-DUISBURG, Merenstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joël VAN WETTERE op 9 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 augustus 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het verbouwen van een werkplaats tot een woning gelegen te Hoeilaart, Forendijs, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 8 e4 en 8 m4; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; X-10.663-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat V. HAEMERS die, loco Advocaat P. VANDEROSIEREN verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat D. SOQUET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 6 juli 2000 de regularisatievergunning aanvraagt voor het verbouwen van een werkplaats tot een woning gelegen te Hoeilaart, Forendijs, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nrs. 8 e4 en 8 m4; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hoeilaart op 7 september 2000 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 17 oktober 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op 31 juli 2001 aan verzoeker het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) weigert; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 23 augustus 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het actueel belang van verzoeker betwist; dat zij dienaangaande opwerpt wat volgt : "III. NOPENS DE ONTVANKELIJKHEID (...)
  3. Aangezien in deze tevens het actueel belang van de verzoekende partij dient onderzocht te worden; Het actueel karakter van het belang houdt in dat het belang moet voorhanden zijn zowel op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring, als op het tijdstip dat de Raad van State uitspraak doet over het beroep; Hoe dan ook eist de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het belang bestaat op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring van de bestreden beslissing (...) ; X-10.663-2/5 Er dient te worden benadrukt dat het niet volstaat dat de verzoekende partij gegriefd is door de bestreden beslissing, de vernietiging moet haar tevens ook enig voordeel verschaffen; In casu dient erop te worden gewezen dat de rechtstoestand van de verzoekende partij dient te worden beoordeeld in het kader van de decretale bepalingen die sedert 1 mei 2000 in werking zijn getreden, te weten het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; De verzoekende partij kon slechts een regularisatievergunning bekomen indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 158, § 1 D.R.O. werd voldaan én indien het certificaat bedoeld in artikel 158, §2 D.R.O. werd opgesteld; De vergunningverlenende overheid kan aldus thans geen regularisatievergunning meer verlenen zonder de voorafgaande betaling van de door de stedenbouwkundige inspecteur, met toestemming van de vergunningverlenende overheid, voorgestelde transactiesom; De totstandkoming van het vergelijk gaat bijgevolg noodzakelijk vooraf aan het verlenen van de regularisatievergunning, zelfs al is het indienen van een regularisatieaanvraag een voorwaarde opdat het vergelijk definitief zou kunnen worden. Zoals uitdrukkelijk en uitvoerig aangehaald in het besluit van de bestendige deputatie van 23 augustus 2001 heeft de stedenbouwkundige inspecteur op 31 juli 2001 geweigerd een vergelijk te treffen met betrekking tot deze zonder voorafgaandelijke vergunning uitgevoerde werken; Dat aldus de eventuele vernietiging van de thans bestreden beslissing, het nadeel dat de verzoekende partij in deze meent te ondervinden, niet ongedaan kan maken; Immers, de bestendige deputatie was in de onmogelijkheid om een regularisatievergunning te verlenen gelet de bepalingen van de artikelen 158, §2 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; De bestendige deputatie beschikte aldus over een gebonden bevoegdheid en was, gegeven de uitdrukkelijke weigering van de stedenbouwkundige inspecteur, gehouden tot de niet inwilliging van het beroep; Dat dientengevolge dient te worden vastgesteld dat het huidig verzoek tot nietigverklaring, wegens gemis aan het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij, als onontvankelijk dient te worden afgewezen (...)"; Overwegende verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert wat volgt: "
  4. Overwegende dat verzoeker eigenaar is van het te vergunnen onroerend goed en hij derhalve over een rechtstreeks en actueel belang beschikt om de vernietiging te vorderen van de weigeringsbeslissing; Dat de afwezigheid van een regularisatiebeslissing een onvergund gebouw tot gevolg heeft met alle stede(n)bouwkundige en strafrechtelijke consequenties tot gevolg, Dat de Bestendige Deputatie niet gebonden was door het standpunt van de stedenbouwkundige inspecteur, een regularisatievergunning door de Bestendige Deputatie diende afgeleverd, in het bijzonder gelet op de vastgestelde mogelijkheid tot regularisatie en onwettige weigering door de stede(n)bouwkundige inspecteur dd. 31.07.2001 om een vergelijk te treffen; Dat de Bestendige Deputatie niet kan gehouden zijn artikel 159 van de Grondwet te schenden en een onwettige beslissing toe te passen"; X-10.663-3/5 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie met betrekking tot de ontvankelijkheid van zijn beroep uiteenzet wat volgt : "
  5. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot annulatie en memorie van wederantwoord op uitvoerige wijze heeft uiteengezet waarom de Bestendige Deputatie van oordeel is dat het goed vatbaar is voor het bekomen van een regularisatievergunning, doch de stedenbouwkundige inspecteur weigert een vergelijk te treffen; Dat na het indienen van het annulatieberoep de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 effectief zijn gewijzigd door het decreet van 8 maart 2002, waarbij het voorafgaandelijk voorhanden zijn van een certificaat niet meer vereist is; (...)
  6. (...) Dat voormelde gewijzigde bepalingen van onmiddellijke toepassing zijn; Dat Uw Raad oordeelt dat indien wat de verzoeker probeert te bereiken met zijn annulatieberoep in de loop van het geding in vervulling is gegaan door een wijziging van de reglementering het belang is verdwenen (...); Dat omgekeerd verzoeker er actueel en zeker belang bij heeft om de huidige toepasselijke regeling, die de voorheen bestaande tegenstrijdige en absurde beoordelingen die elke rechtszekerheid aantast heeft opgelost, op hem te zien toepassen; Dat een verzoeker in de loop van de procedure op een verschillende wijze zijn belang kan beoordelen (...); Dat in casu het certi(fi)caat niet meer vereist is en een annulatie van de bestreden beslissing wel degelijk dient te leiden tot een toekenning van de gevraagde vergunning; Dat immers de Bestendige Deputatie louter de aanvraag tot het bekomen van een vergunning niet heeft ingewilligd door afwezigheid van (een) certificaat; Dat voor het overige duidelijk door de Bestendige Deputatie wordt geoordeeld dat voldaan is aan de vereisten van goede stedenbouwkundige ordening en alle andere vereisten; Dat verzoeker dus een actueel en zeker belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft niet wezenlijks toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat hij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning X-10.663-4/5 moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat hij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.663-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.