id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.632 Rolnummer: A. 111196/X-10586 Zaak: Arrest 131632 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:50 Fiche Arrest nr 131.632 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.632 van 24 mei 2004 in de zaak A. 111.196/X-10.
- In zake : Ruben VEREECKE, die woonplaats kiest bij Advocaat I. KEMPENEERS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ijzermolenstraat 105 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ruben VEREECKE op 5 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 juli 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 21 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het uitvoeren van instandhoudingswerken en opfrissingswerken aan de gevels van een bestaande woning gelegen te Sint-Laureins, Bomlozenput 8 a, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 1302 g; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.586-1/5 Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. CAREME die, loco Advocaat I. KEMPENEERS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 5 juli 1999 de regularisatievergunning aanvraagt voor het uitvoeren van instandhoudingswerken en opfrissingswerken aan de gevels van een bestaande woning gelegen te Sint-Laureins, Bomlozenput 8 a, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 1302 g; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins op 17 december 1999 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 7 februari 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 21 december 2000 beslist het beroep als niet ontvankelijk te verwerpen; dat verzoeker op 30 januari 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 6 juli 2001 het beroep niet ontvankelijk verklaart; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot zijn belang bij het beroep in zijn verzoekschrift uiteenzet dat "alleen wanneer de aangevochten beslissing wordt vernietigd, (...) voor recht (kan worden gezegd) dat het door verzoeker ingestelde beroep tegen de weigeringsbeslissing van het College van Burgemeester en Schepenen ontvankelijk is en niet laattijdig. Alleen onder die X-10.586-2/5 voorwaarde zal kunnen worden overgegaan tot een onderzoek naar de gegrondheid van het door verzoeker ingestelde beroep."; Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar memorie van antwoord repliceert wat volgt : "Verzoekende partij beoogt de regularisatie van wederrechtelijk uitgevoerde werken aan zijn woning. De eigendom van verzoekende partij is volgens het bij KB van 24 maart 1978 vastgesteld Gewestplan Eeklo-Aalter gelegen in natuurgebied. De woning werd in belangrijke mate verbouwd en aangepast aan het hedendaags comfort. De uitgevoerde werken zijn in strijd met de bestemmingsvoorschriften van een natuurgebied. In een dergelijk bestemmingsgebied zijn zelfs geen afwijkingen toegelaten. Het voorwerp van de regularisatieaanvraag kan derhalve nooit voor vergunning vatbaar zijn. Verzoekende partij kan derhalve nooit enig voordeel halen uit een eventuele vernietiging van het bestreden besluit. De vordering tot nietigverklaring dient wegens gebrek aan belang als niet- ontvankelijk te worden afgewezen."; Overwegende dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord dupliceert als volgt: "Verwerende partij anticipeert op een beslissing ten gronde, en kan haar eenzijdige beschouwingen daaromtrent niet aanvoeren om in hoofde van verzoekende partij de afwezigheid van belang vast te stellen. De discussie over de grond van de aangevraagde regularisatievergunning werd tot op heden niet gevoerd, omdat alles zich steeds heeft beperkt tot de aangelegenheid van de beweerde laattijdigheid van het ingestelde beroep. Wanneer de aangevochten beslissing wordt vernietigd, zal het debat ten gronde moeten worden gevoerd, en verzoeker heeft er belang bij dat dit debat leidt tot de aflevering van de beoogde vergunning. Nu reeds vooruitlopen op deze beslissing zou betekenen dat verwerende partij niet eens bereid is de argumentatie van verzoeker te aanhoren."; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie wat zijn belang bij het beroep betreft, uiteenzet wat volgt: "Het lijdt niet de minste twijfel (...) dat indien thans een vernietiging volgt, de retro-activiteit van het annulatiearrest niet zo ver reikt dat zou worden verlangd dat een inmiddels niet meer van toepassing zijnde decretale bepaling op de situatie die verzoeker aanbelangt zou worden toepasselijk gemaakt. Verzoeker had dus wel degelijk een belang bij het indienen van de vordering, nu immers is gebleken dat ingevolge de intussen tot stand gekomen decretale wijziging hem wel de mogelijkheid tot aflevering van een regularisatievergunning wordt geboden. Is het immers niet evenzeer zo dat alle in behandeling zijnde regularisatievergunningen na wijziging van de artikelen 158 en 159 van het X-10.586-3/5 decreet van 1999 met betrekking tot de verplichte aanwezigheid van een certificaat ontvankelijk werden bevonden? Op datum van indiening van het verzoekschrift bestond wel degelijk een belang in hoofde van verzoeker. Het feit dat het decreet werd gewijzigd op 08/03/2002 bewijst dat verzoeker terecht zijn verzoek bij de Raad van State heeft ingediend."; Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie in essentie repliceert wat volgt : "Het is een onaantastbaar principe dat een verzoekende partij voor het indienen van een vordering tot nietigverklaring en de accessoire vordering tot schorsing over een rechtens vereiste belang moet beschikken zowel op het ogenblik van het indienen van de eis als op het ogenblik van de uitspraak. Het is niet omdat bij het indienen van een vordering verzoekende partij over een rechtens vereiste belang zou beschikken, dat dit ook meteen het geval zou zijn (of blijven) op datum van de uitspraak, en omgekeerd. Het is niet omdat op het ogenblik van de datum van behandeling en/of uitspraak ingevolge een tot stand gekomen decretale wijziging wel de mogelijkheid tot aflevering van een regularisatievergunning zou geboden worden, dat meteen het ontbreken van enig belang op datum van het indienen van de vordering zou hersteld worden. Hierop ingaan zou betekenen dat enkel op het ogenblik van de uitspraak het rechtens vereiste belang moet aanwezig zijn."; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat hij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de nietigverklaring van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot X-10.586-4/5 gevolg heeft dat hij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.586-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.632 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.