id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.633 Rolnummer: A. 108699/X-10500 Zaak: Arrest 131633 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-03 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 06:50 Fiche Arrest nr 131.633 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.633 van 24 mei 2004 in de zaak A. 108.699/X-10.
- In zake : André PAUMEN, die woonplaats kiest bij Advocaten R. PEETERS en D. AERTS, kantoor houdende te 3090 OVERIJSE, Duisburgsesteenweg 61 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André PAUMEN op 9 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende eensdeels verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 13 april 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de vergunning is verleend voor de regularisatie van een loods voor opslag van granen en meststoffen en waarbij de vergunning is geweigerd voor de uitbreiding van een winkel- en opslagruimte gelegen te Maaseik, Weertersteenweg 209, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 1059 g2, f2 en z2, en anderdeels weigering van de vergunning voor het geheel van de aanvraag, "dus ook voor het gedeelte dat geregulariseerd werd bij beslissing van de bestendige deputatie"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.500-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voorzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. WILLEMS die, loco Advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 3 augustus 1999 de vergunning aanvraagt voor het regulariseren van het bouwen van een loods voor opslag van granen en meststoffen en voor het uitbreiden van een winkel- en opslagruimte gelegen te Maaseik, Weertersteenweg 209, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 1059 g2, f2 en z2; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Maaseik op 28 december 1999 de vergunning weigert; dat verzoeker op 19 januari 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 13 april 2000 beslist het beroep in te willigen voor wat betreft de loods voor opslag van granen en meststoffen en weigert voor wat betreft de winkel- en opslagruimte; dat verzoeker op 12 mei 2000 tegen dit besluit beroep instelt bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening voor zover het de regularisatievergunning weigert voor de winkel- en opslagruimte; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 15 maart 2001 besluit dat hij geen vergelijk kan treffen in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.); dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 11 juni 2001 besluit dat "het door de heer André PAUMEN ingesteld beroep wordt verworpen. De vergunning wordt geweigerd voor het geheel van de aanvraag, dus ook voor het gedeelte dat geregulariseerd werd bij beslissing van de bestendige deputatie."; dat dit X-10.500-2/5 het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift met betrekking tot zijn belang bij het beroep uiteenzet dat zijn "professionele activiteit (...) (met name het voeren van een handel in dierenvoeder en meststoffen) (...) (zijn) rechtstreekse en actueel belang (...) (bewijst) bij de vernietiging van de bestreden beslissing, die een verdere uitbreiding van de exploitatie van (zijn) bedrijf (...) onmogelijk maakt"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord wat betreft het belang van verzoeker bij het beroep bij wege van exceptie opwerpt dat "de vraag kan gesteld worden naar de ontvankelijkheid van het beroep, aangezien de weigering van vergelijk, waartoe de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur heeft beslist op 15.03.2001, niet het voorwerp lijkt uit te maken van een administratief beroep (en dat) voor zover deze weigeringsbeslissing definitief zou zijn, dient vastgesteld te worden dat, zelfs indien de Raad het ministerieel besluit van 11 juni 2001 zou vernietigen, de minister geen wettelijke mogelijkheid meer heeft om de gevraagde regularisatievergunning te verlenen, gelet op de afwezigheid van een vergelijk (artikel 158 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening)"; Overwegende dat verzoeker hierop in zijn memorie van wederantwoord repliceert: "Dat verwerende partij verwijst naar artikel 158 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Dat deze wettelijke bepaling echter niet van toepassing is op huidige casus. Dat de aanvankelijke inwerkingtreding van het decreet was voorzien op 1 oktober
- Dat bij Decreet van 28 september 1999 de inwerkingtreding werd verschoven naar 1 mei
- Dat de betrokken bouwaanvraag (regularisatievergunning) dateert van 3 augustus 1999 en dus voor de datum van inwerkingtreding van het decreet 18 mei
- Dat het voor verzoeker dan ook onmogelijk was om, voorafgaandelijk aan het aanvragen van de regularisatievergunning, een vergelijk aan te vragen conform aan het bepaalde in artikel 158 van het Decreet van 18 mei
- Dat de vaststelling dat er geen vergelijk werd getroffen en er voorafgaandelijk aan het aanvragen van de regularisatievergunning geen certificaat werd opgesteld, dan ook niet verhindert dat de minister een regularisatievergunning kan verlenen. Overwegende dat, ondergeschikt, verzoeker opmerkt dat de door verzoeker ingediende bouwaanvraag slechts gedeeltelijk betrekking heeft op de X-10.500-3/5 regularisatie van de bestaande toestand en ook betrekking heeft op het bouwen van een (nieuwe) uitbreiding van de opslagplaats en winkelruimte. Dat voor wat betreft dit laatste element er geen voorafgaandelijk vergelijk dient afgesloten te worden en er geen certificaat dient opgesteld te worden."; Overwegende dat een beslissing over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, ook al strekt zij deels tot het regulariseren van zonder de vereiste vergunning verrichte werken en handelingen, één onlosmakelijk geheel vormt; dat het bestreden besluit onder meer de weigering van een regularisatievergunning omvat; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde vergunning voor het regulariseren en voor het bouwen moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.500-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.500-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.