← België

Arrest 131634 - - 24/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.634 Rolnummer: A. 116464/X-10788 Zaak: Arrest 131634 - - 24/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:50 Fiche Arrest nr 131.634 van 24 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.634 van 24 mei 2004 in de zaak A. 116.464/X-10.

  1. In zake : Frankie ROELS, die woonplaats kiest bij Advocaat V. GOOSSENS, kantoor houdende te 2640 MORTSEL, Prins Leopoldlei 81 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Oudaan 22-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frankie ROELS op 6 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 8 juni 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een duiventil gelegen aan de Fok te Sint-Amands, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 882 c; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.788-1/6 Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN PASSEL die, loco Advocaat V. GOOSSENS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat K. WOUTERS die, loco Advocaat E. PLAVSIC verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 10 juli 1999 de regularisatievergunning aanvraagt voor een duiventil gelegen aan de Fok te Sint-Amands, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 882 c; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Amands op 10 november 1999 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 9 december 1999 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 8 juni 2000 beslist het beroep niet in te willigen; dat verzoeker op 18 augustus 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 5 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot zijn belang bij het beroep in zijn verzoekschrift uiteenzet dat hij, "aangezien middels de bestreden beslissing (zijn) aanvraag (...) tot het regulariseren van een op zijn eigendom opgetrokken duiventil werd geweigerd, (...) ontegensprekelijk (beschikt) over het rechtens vereiste belang om de bestreden beslissing in rechte voor Uw Raad aan te vechten"; X-10.788-2/6 Overwegende dat verzoeker wat zijn belang bij het beroep betreft in zijn laatste memorie uiteenzet wat volgt : "Aangezien middels de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekende partij tot het regulariseren van een op zijn eigendom opgetrokken duiventil werd geweigerd, beschikt hij ontegensprekelijk over het rechtens vereiste belang om de bestreden beslissing in rechte voor Uw Raad aan te vechten. De auditeur is echter van mening dat verzoekende partij op het moment van het indienen van de vordering tot vernietiging op grond van de toen vigerende artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DORO) niet beschikte over het vereiste belang. Het gebrek aan belang wordt door de auditeur afgeleid uit het feit dat er geen voorafgaandelijke opstelling was geweest van het certificaat bedoeld in art. 158, §2, DORO en verzoekende partij zonder dit certificaat geen regularisatievergunning kon bekomen. Echter, uit deze enkele vaststelling kan niet besloten worden tot een gebrek aan belang. Weliswaar werd geen certificaat opgesteld en kon, zoals de auditeur terecht opmerkt, geen vergunning afgeleverd worden, doch dit betekent niet noodzakelijk dat verzoekende partij om deze reden geen belang zou hebben. Zoals verzoekende partij reeds uiteenzette in de middelen in haar verzoekschrift en in haar memorie van wederantwoord, middelen welke hier als integraal hernomen dienen te worden beschouwd, is de bestreden beslissing om diverse redenen onwettig. Noch bij een op zich wettige, noch bij een op zich onwettige beslissing zou verzoekende partij een vergunning kunnen bekomen, bij gebreke aan het vereiste certificaat. Het belang is dan ook gelegen op een ander vlak, nl. het doen vaststellen van de onwettigheid van de beslissing, zodat de overheid, rekening houdend met de door de Raad van State vastgestelde onwettigheid, een nieuwe beslissing kan nemen, welke niet aangetast is door onwettigheid en die dan overeenkomstig de nieuwe wetgeving ter zake, waarbij het certificaat niet meer vereist is, mogelijk kan leiden tot het verlenen van de vergunning"; Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie repliceert wat volgt: "Samengevat komt het erop neer dat in weerwil van de meer gunstige bepalingen voor particulieren, die werden opgenomen in het ontkoppelingsdecreet van maart 2002, de Auditeur meent dat verzoeker niet bewijst dat hij beschikte over een voldoende belang op het moment van het instellen van het annulatieberoepschrift. Additioneel wenst verweerster hier volgende argumenten aan toe te voegen. Verweerster meent immers dat de stedenbouwregelgeving moet worden toegepast, zoals ze van kracht is op het moment van de besluitvorming. Dit moment situeert zich dus op 5 december 2001, zijnde de datum van het Ministerieel Besluit dat het voorwerp uitmaakt van huidig annulatieverzoekschrift. Immers, de vergunningverlenende overheid moet de reglementering toepassen die geldt op het moment waarop zij uitspraak doet (...). Aldus meent verweerster, in tegenstelling tot verzoeker, dat de wetgeving moet worden toegepast die van kracht was op het moment van de besluitvorming: aldus is het duidelijk dat in december 2001 enerzijds het ontkoppelingsdecreet van 8 maart 2002 nog niet van kracht was en anderzijds artikelen 158 en 159 ingevolge de inwerkingtreding van het zogenaamde X-10.788-3/6 wijzigingsdecreet van 26 april 2000 volle rechtskracht hadden verworven en dat dit dus de enige regelgeving is die desbetreffend telde. Zelfs al dient het belang inderdaad te worden gecontroleerd op het moment van het indienen van de annulatieprocedure, meent verweerster in tegenstelling tot de auditeur dat de aanwezigheid van het certificaat misschien niet moet worden gecontroleerd op dit moment, doch wel retroactief op het moment van de besluitvorming, die het voorwerp uitmaakt van de annulatieprocedure, zijnde in december
  3. Verweerster kan wel de redenering van de Auditeur volgen, in die zin dat het totstandkomen van meer soepele regelgeving ten gunste van verzoeker na de besluitvorming van 5 december 2001 op generlei wijze een gunstige impact kan hebben op het belang dat hij dient te bewijzen om de annulatieprocedure te voeren, maar dus wel met bovenvermelde precisering, namelijk het certificaat was niet in handen van de Diensten van de Minister, die het Ministerieel Besluit hebben voorbereid d.d. december
  4. Ofschoon inmiddels terug op een andere manier gereorganiseerd naar aanleiding van het ontkoppelingsdecreet van maart 2002, was de regeling voorzien tot in maart 2002 in paragraaf 2 van art. 158 van het DRO ingegeven door de misbruiken die voordien werden geconstateerd, waarbij de particulieren, na het bekomen van hun regularisatievergunning, weinig initiatieven ontwikkelden om tijdig de overeengekomen transactiesom te betalen. En ofschoon voor de coherentie van het handhavingsbeleid uiteindelijk het ontkoppelingsdecreet misschien een goede zaak kan zijn, bestond er een reële bekommernis bij de totstandkoming van dit decreet, dat een aantal instrumenten die de daadkracht van het handhavingsbeleid moesten garanderen, voortaan zouden teloorgaan. Aldus werden in de memorie van toelichting van het ontkoppelingsdecreet nog eens de belangrijke voordelen van de toen nog bestaande koppeling opgesomd: de pas afsnijden van dilatoire acties bij de vervolging van bouwmisdrijven, het inbouwen van garanties voor een daadwerkelijke inning van de transactiesom die moet worden betaald voor het vergelijk en ook in de voorbereiding bij de totstandkoming van het decreet had de MINA-raad in haar, advies eraan toegevoegd dat de verfijnde regeling (de toen nieuwe regeling van 1999) het uitzonderingskarakter van de regularisatievergunning bevestigde en de politisering van de regularisatiebeslissing voorkwam (...). Uw zetel heeft in het verleden reeds uitspraak gedaan omtrent het belang van een voorafgaandelijk certificaat voor de vergunningsverlenende overheid om effectief de gevraagde regularisatievergunning te kunnen uitreiken (...). Kortom, op het moment van de besluitvorming in december 2001 toen het ontkoppelingsdecreet nog niet van toepassing was, was dit een substantiële vereiste om de regularisatievergunning te bekomen en de retroactieve annulatie van dit Ministerieel Besluit kan derhalve dan ook geen soelaas brengen t.o.v. het belang, dat vereist was bij het indienen van het annulatieberoep. Het belang is immers afwezig bij het indienen van de annulatievordering omwille van hoger uiteengezette redenen. Specifiek met betrekking tot het beperkt verweer gehouden door verzoeker in zijn laatste memorie, wenst verweerster het volgende te repliceren: Indien de redenering goed wordt begrepen, wordt er eigenlijk gesteld dat de vraag of het Ministerieel Besluit al dan niet wettig is, uiteindelijk irrelevant is, in die zin dat toch geen bouwvergunning zou kunnen worden verkregen, nu geen certificaat voorhanden was. Dat derhalve verzoeker zijn belang meent te putten in de verwachting dat Uw zetel zich alsnog over de grond van de zaak zou buigen en een hypothetische onwettigheid in het Ministerieel Besluit zou vinden, waardoor dit geannuleerd zou worden en de Minister het dossier alsnog opnieuw zou dienen te herevalueren en verzoeker de kans zou krijgen aldus in het nieuwe regime van het ontkoppelingsdecreet alsnog een regularisatievergunning te bekomen. X-10.788-4/6 Volgens verweerster gaat deze redenering evenwel voorbij aan de essentiële procedurele prioriteit, namelijk alvorens Uw zetel het dossier ten gronde kan analyseren, moet de ontvankelijkheid worden nagekeken en desbetreffend werd hierboven reeds uitgebreid verwezen naar de inzichten van de Auditeur en de aanvullende beschouwingen gevoegd door verweerster. Ofschoon deze beschouwingen aangaande de onontvankelijkheid enkel in dit stadium van de rechtspleging door de Auditeur werden geuit (en voordien door verweerster nog niet werden aangehaald binnen huidige procedure), komt uit gans het administratief dossier en ook het Ministerieel Besluit naar voor dat gewoon inhoudelijk de analyse in de betrokken administratie reeds werd gemaakt en de uitreiking van een certificaat en een vergelijk als dusdanig sowieso, gelet op de elementen in het dossier, destijds niet in aanmerking kon worden genomen. Wat dus ook nog eens de stelling van verzoeker ontkracht dat bij mogelijke annulatie en een herevaluatie van het dossier door de Minister, hij thans ooit wél in aanmerking zou kunnen komen voor een regularisatievergunning"; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat hij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat hij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat het belang dat zou zijn gelegen in het doen vaststellen van de onwettigheid van de beslissing, een algemeen belang is dat niet volstaat; dat de opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, X-10.788-5/6 BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.788-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.