id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.672 Rolnummer: A. 141466/VII-30661 Zaak: Arrest 131672 - - 25/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 06:52 Fiche Arrest nr 131.672 van 25 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.672 van 25 mei 2004 in de zaak A. 141.466/VII-30.661 In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat A. VERMOUT, kantoor houdende te 8210 ZEDELGEM, Burg. Jos. Lievensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 11 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 7 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verzonden op 12 augustus 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 10 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 april 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-30.661-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. TOCK, die, loco Advocaat A. VERMOUT, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 5 december 2002 en verklaart zich op diezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 3 januari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 7 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Georgisch staatsburger van Georgische origine. In 1966 werd u 4 jaar gevangen gezet, omdat u het liefdesaanzoek van Shevernadze had afgewezen. In 1980 werd u tijdens een tournee in Tokyo 2 uur lang opgesloten in uw kleedkamer. Op 4 maart 1984 werd u geslagen door een viertal aanvallers, waarvan u vermoedt dat het leden van OMON waren of mensen van Shevernadze. U kreeg ook voortdurend dreigtelefoons van onbekenden die eisten dat u Georgië zou verlaten. Hiervoor diende u in 1986 of 1987 één maal klacht in bij de politie, die een onderzoek opende. In 1998 liet u zich dopen door de "Volgelingen van Jezus Christus" en sindsdien woonde u ongeveer wekelijks een dienst bij van deze religieuze vereniging. In december 2000 richtte u zich met een vraag om hulp tot de toenmalige Minister van de KGB, Kakha Targamadze, die u toen zei dat u vervolgd werd door de mensen van Shevernadze. Einde februari 2002 kwam Basil Kalavishvili, een extreem-rechtse orthodox gelovige, met zijn gevolg naar uw huis, riep dat u een sektarist was, een Getuige van Jehovah, en gooide uw ruiten in. In maart 2002 werd u op straat neergeslagen met een steen, door enkele mannen die u uitscholden voor Getuige van Jehovah. U werd naar het ziekenhuis gebracht, waar de politie langskwam en een proces-verbaal opmaakte. Naar aanleiding van de aanhoudende dreigtelefoons richtte u zich in mei 2002 tot de Minister van Telecommunicatie, Chkaidze, en tot de toenmalige Minister van de KGB, Nugzar Sadjaia. Op 4 september 2002 werd uw dochter op de terugweg van school aangerand door 4 mannen. Gelukkig kwamen enkele bouwvakkers tussen en zij brachten uw dochter veilig thuis. Enkele weken later, op 23 september 2002, is uw appartement in brand gestoken. Op 30 november 2002 vertrok u samen met uw dochter P. A. uit Georgië om op 5 december 2002 aan te komen in België, waar u op dezelfde dag asiel aanvroeg. U bent in het bezit van een kopie van uw identiteitskaart, uw rijbewijs, een attest van alleenstaande moeder, de geboorteakte van uw dochter, een arbeidsovereenkomst VII-30.661-2/9 als zangeres, verschillende tijdschriftartikelen over uw professionele carrière, een attest van de brandweer in verband met de brand in uw appartement en foto's van uw uitgebrande appartement. B. Motivering Wat betreft de problemen die u heeft gekend vóór februari 2002 (gevangenisstraf, opsluiting in kleedkamer, aanval op straat) dient te worden vastgesteld dat deze problemen zich afspeelden in de periode van 1966 tot 1984 (zie verhoorverslag CGVS, p. 7-8), zodat u niet aannemelijk maakt dat deze problemen voor u een rechtstreekse aanleiding waren voor uw vlucht uit Georgië in november
- Er kan uit deze problemen onmogelijk een actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden afgeleid. Dat de dreigtelefoons volgens uw beweringen aanhoudend voortduurden doet geen afbreuk aan deze vaststelling, temeer daar u uitdrukkelijk stelt tussen 1984 en 2002 gedurende 18 jaar geen enkel concreet incident te hebben meegemaakt (zie verhoorverslag CGVS, p. 9). Verder dient te worden vastgesteld dat er ernstige tegenstrijdigheden zijn tussen uw opeenvolgende verklaringen die in ernstige mate afbreuk doen aan uw verklaringen. Zo verklaart u op het Commissariaat-generaal dat Basil Kalavishvili samen met zijn gevolg in februari 2002 uw huis heeft gevandaliseerd en u uitmaakte voor Getuige van Jehovah (zie verhoorverslag CGVS, p. 10), terwijl u hierover hoegenaamd niets vertelde in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Van een kandidaat-vluchteling mag evenwel redelijkerwijze verwacht worden dat hij in elke fase van de procedure - en dit reeds van bij de aanvang - alle dienstige elementen aanbrengt die van belang zijn in het kader van zijn asielaanvraag. In dit opzicht is het evenzo merkwaardig dat u noch op de Dienst Vreemdelingenzaken noch in uw aanvullende verklaringen bij uw dringend beroepsschrift enige melding maakt van de beide bezoeken bij de Minister van Telecommunicatie, Chkaidze, én bij de toenmalige Minister van de KGB, Nugzar Sadjaia, in mei 2002, waarover u wél spreekt op het Commissariaat-generaal (zie verhoorverslag CGVS, p. 11). Anderzijds stelt u op de Dienst Vreemdelingenzaken in 2001 nog naar de burgemeester van Tbilisi, Vano Zodelava, én naar de politiechef van OMON, Temour Mgebrishvili, te zijn gegaan (zie verhoorverslag DVZ, pt. 42), terwijl u geen van beide bezoeken nog meldt in uw aanvullende verklaringen bij uw dringend beroepsschrift evenmin als voor het Commissariaat-generaal. Met betrekking tot de aanval op 30 maart 2002 ontkent u op het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk uw aanvallers gezien te hebben (zie verhoorverslag CGVS, p. 13), terwijl u in uw aanvullende verklaringen bij uw dringend beroepsschrift verklaart dat u 2 aanvallers zag weglopen (zie aanvullende verklaringen, p. 10). Bijkomend dient nog te worden opgemerkt dat u voor elk van de vier recente incidenten die u aanhaalt (vandalisme B. K., aanval op straat, aanranding van uw dochter en brandstichting in uw appartement), onvoldoende pogingen hebt ondernomen om hiervoor de bescherming in te roepen van de Georgische overheid. Zo hebt u voor het vandalisme van B. K. zelfs nagelaten enige klacht in te dienen en stelt u dat de politie voor de drie andere incidenten telkens een proces-verbaal heeft opgemaakt en een onderzoek heeft geopend, maar heeft u daar verder nooit meer navraag naar gedaan en hebt u door uw vertrek in november 2002 al nagelaten de afloop van deze verschillende onderzoeken af te wachten (zie verhoorverslag CGVS, p. 10, 13-14). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen en kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De door u neergelegde documenten zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan deze vaststellingen. Uw identiteitskaart, rijbewijs, attest van alleenstaande moeder, de geboorteakte van uw dochter, een arbeidsovereenkomst als zangeres en de verschillende tijdschriftartikelen over uw professionele carrière bevatten louter persoonsgegevens en hebben geen verband met de concrete problemen die u aanhaalt. Wat betreft het attest van alleenstaande moeder dient nog te worden opgemerkt dat dit document u zonder problemen nog werd uitgereikt op 9 oktober 2002, kort voor uw vlucht uit Georgië, wat in bijkomende mate afbreuk doet aan uw vrees voor vervolging. Het attest van de brandweer en de foto's van uw uitgebrande huis geven geen uitsluitsel omtrent de omstandigheden en de redenen van deze brandstichting. C. Conclusie VII-30.661-3/9 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij drie middelen aanvoert die als volgt werden ontwikkeld : "Eerste middel. Schending van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de Vluchtelingen en de Staatlozen, ondertekend op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de formele motiveringsplicht. Doordat de bestreden beslissing aan verzoekster de erkenning als vluchteling onder het Verdrag van Genève weigert, meer bepaald waar het verdrag stelt dat als vluchteling moet worden beschouwd: "Elke persoon die uit een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen." Verzoekster ontvluchtte haar land om zich te onttrekken aan vervolging, en meer concreet de daaraan verbonden aantasting van haar fysieke integriteit, omwille van het feit dat zij in het openbaar het gedrag van een hoog geplaatste politicus aanklaagde enerzijds, en anderzijds ook het hebben van een niet-orthodoxe geloofsovertuiging welke zij eveneens publiek verkondigde. Dat uit het feitenrelaas gebleken is dat de mogelijke aantasting van zijn fysieke integriteit en het leven van verzoekster alsook dat van haar minderjarige dochter, meer dan alleen maar een risico op vervolging inhoudt, waarvan de brand op 23.10.2003 het ultieme bewijs vormt. Dat verzoekster na diverse incidenten in het verleden en in het bijzonder na de brand van haar woning, een gegronde vrees koesterde niet alleen meer voor de fysieke integriteit van haar dochter en zichzelf, maar zelfs voor het leven van hen beiden. De belaging bracht duidelijk steeds ernstigere gevolgen met zich mee. De belaging die verzoekster en haar dochter ondergingen was zowel politiek geïnspireerd als religieus. Dat verzoekster aldus met alle mogelijke middelen genoegzaam aangetoond heeft dat er een gegronde vrees bestaat voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève van 28 juni
- De beslissing van verweerder verantwoordt geenszins de beoordeling dat er in hoofde van verzoekster geen vermoeden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie, kan worden vastgesteld. Verweerder is deze mening toegedaan omdat geen geloof zou kunnen gehecht worden aan de verklaringen van verzoekster. De door verzoekster afgelegde verklaringen zouden namelijk behept zijn met ernstige tegenstrijdigheden. De door verweerder opgesomde tegenstrijdigheden betreffen telkens elementen die niet in alle verklaringen voorkomen, zoals afgelegd voor de Dienst Vreemdelingen, in het dringend beroepsschrift en voor het Commissariaat. Dit kan allesbehalve worden gekwalificeerd als "tegenstrijdigheden". De opeenvolgende verklaringen van verzoekster dienen gelezen te worden als één geheel. De ene verklaring vult de andere verklaring immers aan. Het verstrekken van aanvullende gegevens en details kan niet gelijkgesteld worden met tegenstrijdigheden. De vermeende tegenstrijdigheden die door verweerder worden weerhouden, zijn daarenboven niet van die aard dat ze de waarachtigheid van het verhaal van verzoekster aantasten. Tijdens het verhoor door verweerder heeft verzoekster ook haar medische toestand uiteengezet alsook het VII-30.661-4/9 gegeven dat zij onder invloed is van zware medicatie, welke een plausibele verklaring is voor het niet in elke verklaring herhalen van dezelfde gegevens (stuk 5). Volgens verweerder zou verzoekster voorts niet aannemelijk maken dat de door haar vernoemde incidenten in de periode 1966-1984 voor haar een rechtstreekse aanleiding waren om haar land te ontvluchten. Er kan uit deze problemen volgens verweerder onmogelijk een actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden afgeleid. De opgenoemde incidenten werden door verzoekster uiteengezet aan verweerder om aan te tonen dat de problemen reeds lange tijd bestonden en steeds ernstigere gevolgen met zich meebrachten. Het laatste incident, zijnde de aangestoken brand, is als het ware de druppel geweest die verzoekster ertoe heeft aangezet om het land te ontvluchten. Waarom? Omdat een volgend incident misschien niet meer zou kunnen worden naverteld door verzoekster en haar dochter. Dat verzoekster stelde tussen 1984 en 2002 geen concreet incident, buiten dreigtelefoons, te hebben meegemaakt, impliceert niet dat er geen actuele vrees op vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie zou bestaan. Het feitenrelaas van verzoekster toont immers aan dat in voornoemde periode Chevernadze zijn politieke carrière in een stroomversnelling kwam en hij hiervoor ook Georgië tijdelijk moest verlaten teneinde zijn politieke functies elders te vervullen. Gedurende deze periode was verzoekster pas in 1998 veranderd van godsdienst. De problemen staken terug de kop op nadat verzoekster reeds veranderd was van godsdienst en nadat Chevernadze teruggekeerd was naar Georgië en zijn invloed terug aanwendde om verzoekster terug op allerlei manieren te intimideren en te belagen, ook via haar gewijzigde geloofsovertuiging. De Vluchtelingconventie stelt niet dat het om een systematische en ononderbroken vervolging moet gaan. Uit het bekomen van een attest van alleenstaande moeder, kan verweerder onmogelijk op ernstige wijze afleiden dat dit bewijst dat er geen vrees zou bestaan in hoofde van verzoekster. Het bekomen van attesten betreft een administratieve aangelegenheid en staat zodoende los van enige vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Er is dus wel degelijk sprake van een actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Het begrip 'vluchteling' in de zin van de Vluchtelingenconventie wordt door verweerder ook duidelijk verkeerd geïnterpreteerd. Opdat men beschouwd zou kunnen worden als vluchteling in de zin van de Conventie van Genève dienen volgende voorwaarden cumulatief vervuld te zijn:
- Er moet een gegronde vrees voor vervolging bestaan, op basis van minstens één van de vijf gronden opgesomd in de Vluchtelingenconventie.
- De vervolging dient uit te gaan van de overheden van het land van herkomst of van medeburgers of bepaalde groepen waarbij de overheid van het land van herkomst geen bescherming kan of wil bieden.
- De vreemdeling moet zich bevinden buiten het land waarvan men de nationaliteit bezit.
- De vreemdeling kan of wil de bescherming van het eigen land niet inroepen, precies uit vrees voor vervolging. Uit het door verzoekster weergegeven feitenrelaas blijkt de aannemelijkheid van het bestaan van het risico op vervolging. Met vervolging worden onder andere bedoeld: een bedreiging van leven en vrijheid, schending van fundamentele mensenrechten. De Conventie voorziet vijf gronden van vervolging. Verzoekster toont aan dat zij vervolgd wordt omwille van haar niet-orthodoxe geloofsovertuiging enerzijds en haar politiek getinte uitspraken over politici, in het bijzonder verwijzend naar Chevernadze. Het staat zonder enige mogelijke discussie vast dat verzoekster zich buiten haar land van herkomst bevindt, zijnde Georgië. Ten slotte blijkt uit het weergeven feitenrelaas van verzoekster dat zij niet bij de overheid van haar land van herkomst kan aankloppen voor bescherming, in tegenstelling tot wat verweerder voorhoudt. Omwille van haar geloofsovertuiging vindt zij geen gehoor bij de overheid, die niet gescheiden is van de invloed van sommige politici, met wie zij in het verleden in aanvaring kwam. Meer nog, uit de weergegeven incidenten blijkt genoegzaam dat deze overheid haar de vereiste bescherming niet kan en niet wil geven. Het gegeven dat formeel een onderzoek wordt opgestart door de politie kan daarom nog niet gelijkgesteld worden met het kunnen inroepen van effectieve bescherming. VII-30.661-5/9 Kortom, al deze voorwaarden voor het bekomen van de status van vluchteling zijn in hoofde van verzoekster verenigd. Derhalve schendt de bestreden beslissing van verweerder voornoemd Verdrag betreffende de status der vluchtelingen. Tweede middel. Schending van art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen In aansluiting met het eerste middel, heeft verweerder zijn beslissing niet afdoende gemotiveerd. Overeenkomstig art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Tevens moet zij afdoende zijn. De motivering kan als afdoende worden beschouwd in de mate dat zij de beslissing kan verantwoorden. Dit is hier niet het geval. Uit de rechtspraak blijkt dat de motivering de beslissing maar zal kunnen ondersteunen, wanneer zij duidelijk, niet tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet, precies en volledig is. Verweerder heeft manifest een beoordelingsfout gemaakt door vermeende tegenstrijdigheden te weerhouden op basis van het gegeven dat de opeenvolgende verklaringen van verzoekster niet identiek zijn. Zoals hoger reeds aangehaald onder het eerste middel, betreffen het hier geen tegenstrijdigheden doch aanvullingen. Het motief ontleend aan het kunnen bekomen van een attest als alleenstaande moeder is daarnaast evenmin afdoende om een weigeringsbeslissing mede te verantwoorden. Bijgevolg kon verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet terecht als kennelijk ongegrond en bedrieglijk afwijzen. Uit de hoger uiteengezette overwegingen toont verzoekster aan dat art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen geschonden werd. Verweerder heeft aldus niet doeltreffend geoordeeld of de hogervermelde elementen aangevoerd door verzoeker in haar opeenvolgende verklaringen die als één geheel dienen gelezen te worden, ernstige aanwijzingen vormen voor een gegronde vrees voor vervolgingen. Derde middel. Schending van art. 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten goedgekeurd bij wet van 15 mei
- Oordelend dat verzoekster mag teruggeleid worden naar de grens van het land dat zij ontvlucht is, niettegenstaande de verklaring van verzoekster dat aldaar haar leven, fysieke integriteit en/of vrijheid in gevaar is, maakt de overheid folteringen, onmenselijke en onterende behandelingen en straffen mogelijk. Derhalve schendt de bestreden beslissing art. 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 en art. 7 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981."; 2.2.
- Overwegende vooreerst, dat, wat de ingeroepen schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen ( Conventie van Genève) betreft, moet worden opgemerkt dat dit Verdrag geen rechtstreekse werking heeft, zodat de schending ervan als dusdanig niet dienstig kan worden ingeroepen; dat het middel, in zoverre het betrekking heeft op een schending van de Conventie van Genève, niet ontvankelijk is; dat voorts de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij tevens in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat de verzoekende partij in het verzoekschrift VII-30.661-6/9 haar vluchtrelaas herhaalt en aldus eigenlijk om een nieuwe feitelijke beoordeling vraagt; dat het echter geenszins aan de Raad van State toekomt om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde overheid; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen het kader van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een eindbeslissing neemt over de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling; dat de Commissaris-generaal, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de verklaringen van verzoekster zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat bovendien van verzoekster mag worden verwacht dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van haar asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van haar vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de bevoegde overheden; dat de beslissing van verzoekster om haar land van herkomst te verlaten dermate fundamenteel en ingrijpend is, dat zij geacht wordt bij machte te zijn om desbetreffend een volledig en coherent verhaal te vertellen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster een aantal belangrijke elementen niet heeft vermeld, hetzij voor de Dienst Vreemdelingenzaken, hetzij voor het Commissariaat- generaal; dat dit op omstandige wijze wordt omschreven in de bestreden beslissing; dat de bevindingen van de Commissaris-generaal bovendien hun grondslag vinden in het administratief dossier; dat het oordeel van de Commissaris-generaal dat de vastgestelde tegenstrijdigheden afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van verzoeksters asielrelaas, dan ook niet als kennelijk onredelijk voorkomt; dat daarenboven uit de bestreden beslissing blijkt dat uit de problemen die verzoekster kende in de periode van 1966 tot 1984 onmogelijk een actuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden afgeleid, en dat verzoekster voor elk van de vier door haar aangehaalde recente incidenten onvoldoende pogingen heeft ondernomen om hiervoor de bescherming van de Georgische overheid in te roepen; dat verzoekster in haar verzoekschrift stelt dat zij omwille van haar geloofsovertuiging geen gehoor vindt bij de overheid, doch nalaat deze stelling met enig concreet element te staven; dat, aangezien reeds uit de voorafgaande bespreking blijkt dat verzoeksters asielrelaas twijfelachtig is, dan ook verzoeksters redenering als zou uit het door haar weergegeven feitenrelaas voldoende blijken dat zij niet bij de overheid van haar land zou kunnen aankloppen voor bescherming, niet kan worden gevolgd; dat evenmin uit de in het verzoekschrift weergegeven incidenten genoegzaam blijkt dat deze overheid haar de vereiste bescherming niet kan geven; dat verzoeksters beweringen geenszins afbreuk doen aan de vaststelling dat verzoekster, met betrekking tot de genoemde incidenten, telkens verzuimde navraag te doen naar de door de politie geopende onderzoeken en dat verzoekster al door haar vertrek in november 2002 naliet de afloop van de verschillende onderzoeken af te wachten; dat de juistheid en pertinentie van deze vaststellingen overigens niet worden weerlegd door VII-30.661-7/9 verzoekster; dat aldus de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; 2.2.
- Overwegende, ten slotte, dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat immers de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat in casu de verzoekende partij het vereiste bewijs niet aanbrengt; dat geen van de middelen derhalve gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-30.661-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-30.661-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div