← België

Arrest 131673 - - 25/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.673 Rolnummer: A. 141589/VII-30682 Zaak: Arrest 131673 - - 25/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-08 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:52 Fiche Arrest nr 131.673 van 25 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.673 van 25 mei 2004 in de zaak A. 141.589/VII-30.682 In zake : XXX wonende te 8700 TIELT, tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 1 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 10 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 april 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-30.682-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur C. LECHAT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij komt België binnen op 16 juni 2003 en verklaart zich vluchteling op 17 juni
  3. 1.
  4. Op 26 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 6 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "A. Vluchtrelaas. U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense origine, verklaart dat u geboren bent en woonachtig was in Dagestan. U vervulde uw legerdienst in Tsjetsjenië. U verbleef tijdens uw legerdienst in Grozny en het dorp Bratsk. Toen de eerste Tsjetsjeense oorlog begon, werd jullie eenheid omsingeld door Russische militairen. U kon ontkomen en ging terug naar uw dorp Baragan-Getsju in Dagestan. In oktober 1999 werd u thuis gearresteerd door leden van de OMON. U werd 2 weken vast gehouden in Machatsjkala. U werd beschuldigd van deelname aan militaire acties onder leiding van Basayev. U werd ondervraagd en geslagen opdat u een bekentenis zou afleggen dat u had meegewerkt aan de inval in Dagestan met de Tsjetsjeense rebellen. Na 2 weken werd u vrijgekocht. In november 1999 vertrok u met uw gezin naar uw schoonvader in Borisoglebsk, Rusland. In januari 2001 keerden jullie terug naar jullie dorp in Dagestan. In februari 2001 ontving u een oproepingsbrief van de politie. U werd ondervraagd over uw verblijfplaats van de laatste maanden maar u werd niet geloofd. U werd ervan verdacht al die tijd bij de Tsjetsjeense rebellen te zijn geweest. In maart 2001 werd ook uw vrouw ondervraagd. Op 20 april 2001 werden u en uw vrouw samen door de politie ondervraagd. Jullie werden er slecht behandeld. Uw vrouw was toen zwanger en kreeg 2 dagen later een vroegtijdige bevalling. Nadien traden complicaties op en het kind kreeg een ernstige infectie. Sinds april 2001 dook u onder bij familie in Dagestan. Na 20 april 2001 kwam de politie regelmatig bij u thuis langs daar zij naar u op zoek waren. Er kwamen bij u thuis ook oproepingsbrieven voor u aan. De politie deelde uw moeder mee dat een zaak tegen u was geopend over het feit dat u zou meegedaan hebben aan de inval in Dagestan. In oktober 2002 schreef u een brief naar uw vrouw opdat zij zou vertrekken naar haar vader in Borisoglebsk. In mei 2003 kreeg u het bericht dat uw gezin in België was. Op 25 mei 2003 verliet u Dagestan. U vroeg asiel aan in België op 17 juni
  6. Uw vrouw, Adilsuitanova Lolita (O.V. 5.463.237) vroeg asiel aan in België op 14 mei
  7. B. Motivering VII-30.682-2/6 Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u van belangrijke feiten inzake uw asielrelaas geen melding maakte bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) waardoor reeds ernstige twijfel ontstaat omtrent de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. U verklaarde immers bij het Commissariaat-generaal (CGVS) dat nadat u ondergedoken leefde sedert april 2001, de politie regelmatig, ongeveer 1 maal per week bij u thuis langs kwam op zoek naar u (CGVS p.21 & 29). U verklaarde dat de politie aan uw moeder had meegedeeld dat een zaak tegen u was geopend (CGVS, p. 21). U verklaarde dat oproepingsbrieven voor u toekwamen. U verklaarde dat leden van de OMON en de politie ook gemaskerd bij u thuis langs kwamen, dat uw vrouw werd bedreigd en de kinderen geïntimideerd. Gezien de ernst van deze voor het CGVS (p.21-32) ingeroepen feiten kan niet worden aanvaard dat u hiervan geen melding maakte bij de DVZ. Door niet-vermelding van deze essentiële elementen van uw asielrelaas bij de DVZ, wordt de geloofwaardigheid van uw verklaringen op fundamentele wijze ondermijnd. Bovendien dient te worden opgemerkt dat bovenstaande door u afgelegde verklaringen bij het CGVS niet in overeenstemming te brengen zijn met de verklaringen van uw vrouw afgelegd op het CGVS op 03/07/03 (p. 23-25), waar zij inzake de problemen na 20 april 2001 enkel melding maakte van de wijkagent vergezeld van een andere persoon die langs kwam in mei 2002, zonder meer. Ook komt een ernstige tegenstrijdigheid voor tussen uw verklaringen afgelegd bij het CGVS enerzijds, en de opeenvolgende verklaringen van uw vrouw afgelegd bij de DVZ en het CGVS anderzijds, waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas verder wordt ondermijnd. U verklaarde immers dat u in de periode na uw vrijlating (na uw arrestatie in oktober 1999) en voor uw vertrek in november 1999 (naar Borisoglebsk) niets meer had vernomen van de autoriteiten (CGVS, p. 15). Nochtans verklaarde uw vrouw dat u in die periode nog werd opgeroepen en ondervraagd door de autoriteiten (CGVS dd. 03/07/03, p. 14; DVZ, pt. 42). Daarnaast dient te worden opgemerkt dat in hoofde van uw vrouw die zich op dezelfde asielmotieven baseert (CGVS vrouw dd. 03/07/03, p. l), een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van haar verklaringen. Zo werden er tegenstrijdigheden vastgesteld in haar verklaringen over haar paspoort, over de convocaties door het parket, en over de arrestatie van u en uw neef. Deze tegenstrijdigheden, die gedetailleerd worden omschreven in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen in hoofde van uw vrouw, ondermijnen verder de geloofwaardigheid van jullie asielrelaas Bovenstaande vaststellingen zijn van die aard dat er in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden weerhouden De door u neergelegde documenten, namelijk uw rijbewijs en geboorteakte doen geen afbreuk aan deze conclusie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : "Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en VII-30.682-3/6 schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  9. Verzoeker wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 06.08.2003 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 26.06.
  10. In de motivering stelt de Heer Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat er dient te worden opgemerkt dat uit zijn opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS) onvoldoende blijkt dat hij wegens een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 zijn land diende te ontvluchten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat hij van alle belangrijke feiten inzake zijn asielrelaas melding maakte bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Zoals echter vaak gebeurd bij DVZ werd het interview aldaar beperkt tot de recente gebeurtenissen, die aan de grondslag liggen van het vertrek uit zijn land en enkel het recente werd genoteerd. Hij verklaarde zowel voor DVZ als voor het CGVS dat hij ondergedoken leefde sedert april 2001, dat de politie regelmatig (ongeveer 1 maal per week) bij hem thuis langs kwam op zoek naar hem (gehoorverslag CGVS p. 21 & 29). Hij verklaarde dat de politie aan zijn moeder had meegedeeld dat een zaak tegen hem was geopend (gehoorverslag CGVS, p. 21). Hij verklaarde dat oproepingsbrieven voor hem toekwamen. Hij verklaarde dat leden van de OMON en de politie ook gemaskerd bij hem thuis langs kwamen, dat zijn vrouw werd bedreigd en de kinderen geïntimideerd. Bovendien dient te worden opgemerkt dat bovenstaande door hem afgelegde verklaringen bij het CGVS in overeenstemming te brengen zijn met de verklaringen van zijn vrouw afgelegd op het CGVS op 03.07.2003 (gehoorverslag CGVS p. 23-25), waar zij inzake de problemen na 20 april 2001 melding maakte van de wijkagent vergezeld van een andere persoon die langs kwam in mei
  11. De andere punten weet zij niet direct en maken het voorwerp uit van het verhoor van mijn verzoeker. Ook komt er evenmin een tegenstrijdigheid voor tussen zijn verklaringen afgelegd bij het CGVS enerzijds, en de opeenvolgende verklaringen van zijn vrouw afgelegd bij de DVZ en het CGVS anderzijds, waardoor de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas verder wordt versterkt. Hij verklaarde immers dat hij in de periode na zijn vrijlating (na zijn arrestatie in oktober 1999) en voor zijn vertrek in november 1999 (naar Borlsoglebsk) niets meer had vernomen van de autoriteiten (gehoorverslag CGVS, p. 15). Zijn vrouw verklaarde dat hij in die periode nog werd opgeroepen en ondervraagd door de autoriteiten (gehoorverslag CGVS, p. 14; DVZ, pt. 42). Dit is best mogelijk, gezien mijn verzoeker toen ondergedoken leefde. Het feit dat in hoofde van de vrouw die zich op dezelfde asielmotieven baseert (CGVS vrouw dd, 03/07/03, p. 1), een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijkheid van haar verklaringen, kan geenszins verantwoorden dat er in hoofde van mijn verzoeker geen individuele en correcte beslissing getroffen wordt. Mijn verzoeker heeft zich in het dossier van zijn echtgenote niet kunnen verweren, noch heeft hij kennis van haar verklaringen aldaar, noch werd hij daarmee geconfronteerd. In zijn beslissing dd. 06.08.2003 heeft de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoeker in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd., 1994, 95; T. Vreemd., 1994, 56; Rev. Dr Etr, 1994, 29;"; 2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich voor het nemen van zijn bevestigende beslissing van weigering van VII-30.682-4/6 verblijf baseerde op talrijke tegenstrijdigheden in verzoekers eigen verklaringen en op tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen en die van zijn echtgenote; dat verzoeker deze vaststellingen tracht te verklaren door te stellen dat tijdens het interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken enkel naar de meest recente gebeurtenissen werd gevraagd; dat een dergelijke argumentatie echter niet kan worden gevolgd daar uit nalezing van het administratief dossier blijkt dat verzoeker wel degelijk ruim de tijd heeft gekregen om uitgebreide verklaringen af te leggen omtrent zijn asielrelaas; dat betrokkene aan het einde van zijn asielrelaas tevens verklaarde er verder niets aan toe te willen voegen (verhoorverslag DVZ, p. 13); dat een kandidaat-vluchteling overigens wordt geacht alle elementen ter staving van zijn asielrelaas naar voren te brengen en dit van bij het eerste interview; dat verzoeker zich voorts beperkt tot een loutere ontkenning van de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden, doch er geenszins in slaagt deze te weerleggen aan de hand van concrete elementen; dat de door verzoeker aangebrachte gegevens aldus geen afbreuk doen aan de juistheid en pertinentie van de motieven; dat de bestreden beslissing derhalve is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; Overwegende dat verzoeker voorts geenszins uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing de Conventie van Genève alsook artikel 48, 49 en 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schendt; dat dit onderdeel van het enige middel dan ook niet tot nietigverklaring kan leiden; dat, wat de ingeroepen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft, de zorgvuldigheidsplicht enkel betekent dat de Commissaris-generaal rekening houdt met alle elementen voor een zorgvuldige behandeling van de asielaanvraag en zijn beslissing steunt op een correcte feitenvinding; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig te werk zou zijn gegaan; dat uit de gegevens van het administratief dossier evenmin kan worden afgeleid dat de Commissarie- generaal niet in redelijkheid kon besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat het enige middel niet gegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, VII-30.682-5/6 BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-30.682-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.673 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.