← België

Arrest 131676 - - 25/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.676 Rolnummer: A. 76680/VII-16192 Zaak: Arrest 131676 - - 25/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:52 Fiche Arrest nr 131.676 van 25 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.676 van 25 mei 2004 in de zaak A. 76.680/VII-16.192. In zake : de b.v.b.a. DE CLEYN en C/, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Jenatzystraat 13 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. DE CLEYN en C/ op 9 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 1 augustus 1997, waarbij haar beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen van 17 december 1992, houdende de weigering aan de verzoekende partij tot uitbreiding van haar mestvarkensbedrijf gevestigd te 2520 Ranst, Vaartstraat 102, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 15 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-16.192-1/7 Gelet op de beschikking van 13 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE SCHAMPHELEIRE die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de memorie van antwoord buiten de voorge- schreven termijn werd ingediend zodat deze uit de debatten moet worden geweerd; 2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De verzoekende partij baat aan de Vaartstraat nr. 102 te Ranst een mestvarkensbedrijf uit. Zij verkreeg hiertoe een basisvergunning die later werd gewijzigd en die verstrijkt op 31 oktober 2005. Het voorwerp van de vergunning omvat een kraamstal voor 64 zeugen, stallen voor 1.000 biggen en 100 runderen, een hamermolen, silo's voor 250 ton graan en opslag van 20.000 liter stookolie. 2.2. Op 2 juli 1991 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot uitbreiding van haar inrichting met een stal voor 1.200 varkens, opslag van 953 m³ dierlijke mest en opslag van 10.000 liter stookolie. VII-16.192-2/7 2.3. Op 17 december 1992 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning. In het weigeringsbesluit wordt onder meer overwogen "dat gelet op de te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de nieuw te bouwen stal en het woongebied met landelijk karakter, de gevraagde inrichting aanleiding zal geven tot overdreven geurhinder". Uit de aanhef van het deputatiebesluit blijkt tevens dat er tijdens het openbaar onderzoek 22 bezwaren werden ingediend. 2.4. De verzoekende partij gaat in beroep tegen dit weigeringsbesluit. In het beroepschrift wordt onder meer betoogd : "Op het ogenblik dat de stallen werden gebouwd waren er geen woningen in de nabije omgeving. Het argument dat er zich nu een aantal woningen kort bij de inrichting zijn gelegen gaat niet op gezien : - deze woningen gelegen zijn in het woongebied met landelijk karakter, waar landbouw als dusdanig volledig op zijn plaats is; - deze woningen er gekomen zijn nadat de stal er reeds geruime tijd stond. De bewoners van deze woningen wisten op het moment dat zij er kwamen wonen dat er een varkensbedrijf was gevestigd en dat burenhinder als dusdanig mogelijk was". 2.5. Tijdens de beroepsprocedure, maar los van de thans in het geding zijnde vergunningsprocedure, gaat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen over tot een gedeeltelijke aktename geldend als vergunning voor 936 gespeende varkens en een opslag van 1.514 m³ dierlijke mest voor een termijn verstrijkend op 23 januari 2012. 2.6. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : (

  1. a)De administratie voor Gezondheidszorg adviseert ongunstig. (
  2. b)De Vlaamse Landmaatschappij verleent een gedeeltelijk gunstig advies. (
  3. c)De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert principieel gunstig. (
  4. d)De afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert ongunstig. In dit advies wordt er onder meer op gewezen dat burenlast een beoordelingscriterium is dat in het kader van het ARAB werd gehanteerd. 2.7. Op 1 augustus 1997 wordt het thans bestreden besluit genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard; VII-16.192-3/7 3. De gegrondheid van het beroep 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij als enig middel de schending aanvoert van artikel 10 van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betoogt dat de motivering van het bestreden besluit niet afdoende is, nu daarin enkel wordt gesteld dat gelet op de te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de nieuw te bouwen stal en het woongebied met landelijk karakter de gevraagde inrichting onvermijdelijk aanleiding zal geven tot geurhinder; dat zij verwijst naar het arrest nr. 54.273, VAN GOMPEL, van 4 juli 1995; 3.2. Overwegende dat in haar toelichtende memorie de verzoekende partij verwijst naar haar verzoekschrift; 3.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dat, aangezien de stallen zijn gelegen op een 30-tal meter ten opzichte van een woongebied met landelijk karakter, het motief gestoeld op de overdreven geurhinder voor dat woongebied wel als afdoende kan worden aangemerkt; 3.4.1. Overwegende dat het bestreden besluit als volgt is gemotiveerd : "(...) Overwegende dat de beroepindiener in het beroepschrift de volgende argumenten naar voor brengt : 1. De aanvraag werd ingediend op 02/07/1991. Het Vlaams Reglement voor Milieuvergunningen is pas op 01/09/1991 van toepassing geworden. De aanvraag moet dus volgens de ARAB-procedure worden behandeld. 2. De aangehaalde argumenten voor de weigering steunen op de bepalingen van VLAREM II. Al de aangehaalde weigeringscriteria waren niet van toepassing op het ogenblik van de aanvraag. 3. De bouwvergunningen voor de stallen dateren van vóór 1971 en zijn gebouwd vóór het in werking treden van de wet van 28/09/1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen. 4. De woningen gelegen in het woongebied met landelijk karakter werden later gebouwd en de bewoners wisten dat er een varkensbedrijf aanwezig was en konden dus mogelijke burenhinder vermoeden. 5. Het bedrijf heeft wel een gesloten karakter. 6. Het dierlijk mest afkomstig van de inrichting wordt op een ecologische wijze verwerkt en is verenigbaar met de bescherming (van) het grond- en oppervlaktewater. 7. De aanvraag heeft betrekking op een bestaand bedrijf. De bouwvergun- ningen zijn afgeleverd voor 01/12/1989 en de vergunning werd voor 01/03/1993 aangevraagd; VII-16.192-4/7 Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Antwerpen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 3 september 1977, gelegen is in een bosgebied dat paalt aan een agrarisch gebied en een woongebied met landelijk karakter; dat de Afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 19/05/1995 een principieel gunstig advies uitbracht mits de nodige voorwaarden kunnen opgelegd worden, nodig om de hinder van de inrichting te beperken tot een voor de woonomgeving aanvaardbaar niveau; Overwegende dat beroeper o.m. argumenteert dat er geen reden tot weigering was aangezien de aanvraag geen vernieuwing is maar een uitbreiding van een bestaand bedrijf; dat de uitbreiding werd geweigerd op basis van titel II van het VLAREM; dat dit echter niet de enige motivering van het weigeringsbe- sluit is daar er in de consideransen van het bestreden besluit ook gesteld wordt dat door de te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de nieuw te bouwen stal en het woongebied met landelijk karakter de gevraagde inrichting aanleiding zal geven tot overdreven geurhinder; dat burenlast zeker ook een beoordelingscrite- rium is dat in het kader van het ARAB werd gehanteerd; Overwegende dat wat dit laatste aspect betreft, dient vastgesteld dat de stallen gelegen zijn op een dertigtal meter van een woongebied met landelijk karakter; dat dit een zeer geringe afstand is; Overwegende dat gelet op deze te beperkte ruimtelijke scheiding tussen de nieuw te bouwen stal en het woongebied met landelijk karakter, de gevraagde inrichting onvermijdelijk aanleiding zal geven tot overdreven geurhinder; Overwegende dat zelfs mits het opleggen van exploitatievoorwaarden, de te verwachten hinder voor het nabije woongebied -gezien de geringe afstand- niet tot een aanvaardbaar niveau zal terug te dringen zijn; (...)"; 3.4.2. Overwegende dat daaruit blijkt dat het decisief weigeringsmotief is dat de stallen zijn gelegen op een 30-tal meter afstand ten opzichte van een woongebied met landelijk karakter, hetgeen een zeer geringe afstand is zodat er onvermijdelijk geurhinder zal worden teweeggebracht; 3.4.3. Overwegende dat met die motivering de verzoekende partij weet waarom de gevraagde uitbreiding wordt geweigerd, te weten dat de stallen zijn gelegen op een 30-tal meter afstand ten opzichte van een woongebied met landelijk karakter, hetgeen een zeer geringe afstand is zodat er "onvermijdelijk" geurhinder zal worden teweeggebracht; dat aldus de verzoekende partij in de mogelijkheid werd gesteld dat motief te betwisten door elementen aan te brengen die het aannemelijk zouden maken dat ondanks de korte afstand ten opzichte van het woongebied met landelijk karakter de gevraagde uitbreiding met een stal van 1200 varkens en een opslag van 953 m³ dierlijke mest geen overdreven geurhinder voor dat woongebied zou meebrengen of die hinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden terugge- bracht; dat overigens in de zaak VAN GOMPEL het ging om een uitbreiding met 230 mestkalveren en 306 m³ mest, hetgeen op het vlak van geurhinder geenszins te vergelijken valt met de in het geding zijnde uitbreiding met 1.200 varkens en 953 m³ mest; dat het middel niet gegrond is, VII-16.192-5/7 VII-16.192-6/7 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.192-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.