id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.685 Rolnummer: A. 114969/X-10743 Zaak: Arrest 131685 - - 25/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-26 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:55 Fiche Arrest nr 131.685 van 25 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.685 van 25 mei 2004 in de zaak A. 114.969/X-10.
- In zake : Bart DE TROYER, die woonplaats kiest bij Advocaat L. GILLIS, kantoor houdende te 9320 AALST, Ninovesteenweg 118 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart DE TROYER op 9 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 november 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor "het plaatsen van een open loods op paal met golfplaten dak" gelegen te Ninove, Valleistraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nrs. 527 l, k, e; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-10.743-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. PIEYNS die, loco Advocaat L. GILLIS verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 18 juni 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor "het plaatsen van een open loods op paal met golfplaten dak" gelegen te Ninove, Valleistraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nrs. 527 l, k, e; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Ninove op 2 juli 2001 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 11 september 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 8 november 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker wat zijn belang bij het beroep betreft in zijn verzoekschrift uiteenzet wat volgt : "Aangezien verzoeker uiteraard belang heeft bij de genomen en door hem bestreden beslissing daar zij rechtstreeks en persoonlijk op hem betrekking heeft in zijn hoedanigheid van eigenaar van het perceel gelegen te NINOVE, Valleistraat 23, kadastraal gekend als NINOVE, 4de Afdeling, sectie D, nrs. 527 1, k en e. Dat deze beslissing daarnaast ook in verband staat met de beroepsactiviteit van verzoeker (= aannemer van tuinwerken), nu de loods precies bedoeld is om een deel van het bedrijfsmateriaal van verzoeker te stockeren en te stallen. Dat de effectieve uitvoering van de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben dat de bouwvergunningsaanvraag (=regularisatieaanvraag) definitief wordt afgewezen."; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot zijn belang bij het beroep in zijn laatste memorie uiteenzet : X-10.743-2/6 "Aangezien de auditeur zijn stelling inzake de niet-ontvankelijkheid van het annulatieberoep grondt op het feit dat uit geen enkel gegeven van de zaak blijkt dat op 09.01.2002 - datum van indiening van het verzoekschrift tot nietigverklaring - het vereiste certificaat voorhanden zou geweest zijn, zodat na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing door de Raad van State de bestendige deputatie de regularisatieaanvraag opnieuw zou moeten weigeren wegens ontstentenis van het certificaat, daar deze een gebonden bevoegdheid zou hebben daar zij geen regularisatievergunning zou kunnen verlenen zonder het betreffende certificaat. Dat verzoeker deze zienswijze niet deelt. Dat naar de mening van verzoeker uit de lezing van artikel 158, paragraaf 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening blijkt dat de aflevering van voornoemd certificaat afhankelijk is van enerzijds een voorstel tot vergelijk vanwege de stedenbouwkundige inspecteur - met toestemming van de vergunningsverlenende overheid - en anderzijds de betaling van de in dit voorstel bepaalde som (zgn. 'transactiesom') door de overtreder. Dat hieruit kan worden afgeleid dat zolang de overheid, c.q. de stedenbouwkundige inspecteur in samenspraak met de vergunningverlenende overheid geen dergelijk voorstel tot vergelijk heeft gedaan, geen transactiesom kan worden betaald en bijgevolg evenmin een certificaat - waarin zowel de betaling van de transactiesom aan de rekenplichtige van het grondfonds als de aanvraag van de regularisatievergunning wordt bevestigd - door de stedenbouwkundige inspecteur kan worden verleend. Dat de vernieuwde en thans vigerende versie van voornoemde bepaling (artikel 158) trouwens voorschriften omvat met strafrechtelijke implicaties - een vergelijk is thans slechts mogelijk na voorafgaand akkoord vanwege de Procureur des Konings - alsook procedurele regels bepaalt in het kader van de regularisatievergunningen, zodat deze bepaling conform gevestigde rechtspraak en rechtsleer onmiddellijk van toepassing is op hangende procedures, hetgeen maakt dat de Raad van State bij de beoordeling van onderhavige procedure met de huidige regeling rekening dient te houden. Dat buitendien opgemerkt weze dat geen der vergunningverlenende overheden (d.w.z. de stad NINOVE evenmin als de Bestendige Deputatie van de Provincie OOST-VLAANDEREN) in de motieven en overwegingen van hun weigeringsbesluit melding maken van het feit dat aan verzoeker geen regularisatievergunning kon worden verleend om reden dat het certificaat, zoals bedoeld in artikel 158, paragraaf 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, (nog) niet voorhanden zou zijn. Dat de alhier bestreden beslissing vanwege de verwerende partij zelfs expliciet stelt : 'Overwegende dat het beroep ingediend werd overeenkomstig artikel 53 van voornoemd decreet van 22 oktober 1996 en aldus ontvankelijk is'. Dat het standpunt van de auditeur bovendien uitdrukkelijk afwijkt van het standpunt van de verwerende partij zelf, die immers in haar schrijven dd. 22.11.2001 - ter begeleiding van de kopie van de bestreden beslissing welke op 08.11.2001 werd genomen - stelde : 'Op grond van artikel 53, paragraaf 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 zoals gewijzigd door het decreet van 26 april 2000 en de huidige jurisprudentie van de Raad van State kan u tegen deze beslissing van de Bestendige Deputatie beroep indienen bij de Raad van State'. Dat de verwerende partij tenslotte in haar memorie van antwoord in het kader van huidige procedure voor de Raad van State evenmin de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van verzoeker inroept. 3) Aangezien de omstandigheid dat bij Decreet van 8 maart 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening de bewuste artikelen 158 en 159 zijn vervangen in die zin dat het voorafgaandelijk voorhanden zijn van het certificaat niet langer vereist X-10.743-3/6 wordt volgens het auditoraatsverslag niet tot gevolg zou hebben dat de verzoekende partij alsnog het vereiste belang zou verwerven, nu de omstandigheid dat een belang ontstaat hangende het geding, niet inhoudt dat het beroep hierdoor ontvankelijk wordt aangezien volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State het belang reeds moet aanwezig zijn bij het instellen van het beroep. Dat deze interpretatie naar de mening van verzoeker faalt naar recht. Dat het belang traditioneel wordt gedefinieerd als ' het voordeel dat de verzoeker kan verwachten uit de verdwijning van de schade die voor hem is ontstaan uit de bestreden beslissing, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging.' (...) Dat het belang van verzoeker (bij de bestrijding van de beslissing van de verwerende partij) in casu aan voormelde definitie voldoet. Dat het belang van verzoeker bovendien voldoet aan alle vereisten welke traditioneel door rechtspraak en rechtsleer terzake het belang worden gesteld : dat het belang van verzoeker persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd is. Dat het belang van verzoeker op de dag van de tussen te komen uitspraak hoe dan ook ontegensprekelijk vaststaat en zeker is. Dat in dat verband opgemerkt weze dat de Raad van State reeds in een aantal arresten de exceptie van niet-ontvankelijkheid niet weerhield wanneer het belang van de verzoekende partij zou bestaan in de mogelijkheid om na de vernietiging alsnog in de gelegenheid te worden gesteld te voldoen aan de vereisten om na vervulling van wettelijke formaliteiten een beslissing te kunnen bekomen.(...) Dat deze rechtspraak ten deze toepasselijk is, nu na een gebeurlijke vernietiging de kwestie van het certificaat zoals bepaald in de thans opgeheven regeling - zich niet langer stelt. 4) Aangezien verzoeker in de meest ondergeschikte orde en zulks indien de Raad van State per impossibile het verslag van de auditeur zou volgen en de onontvankelijkheid van het annnulatieberoep zou weerhouden, wenst op te merken dat de verwerende partij tot de kosten van onderhavige procedure dient veroordeeld te worden, nu zij uitdrukkelijk gemeld heeft dat verzoeker de mogelijkheid had een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State, zodat zij alleszins een rechtmatig en gewettigd vertrouwen bij verzoeker opgewekt heeft"; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat hij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de X-10.743-4/6 nietigverklaring van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie terecht opmerkt dat, aangezien de verwerende partij bij de betekening van het bestreden besluit melding heeft gemaakt van "de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State", de kosten ten laste van het Vlaamse Gewest dienen te worden gelegd, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. X-10.743-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.743-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.685 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.