← België

Arrest 131686 - - 25/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.686 Rolnummer: A. 109641/X-10537 Zaak: Arrest 131686 - - 25/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:55 Fiche Arrest nr 131.686 van 25 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 131.686 van 25 mei 2004 in de zaak A. 109.641/X-10.537. In zake : 1. René 's JONGERS, wonende te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Waterlozenstraat 37, 2. Roger 's JONGERS, wonende te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Zandstraat 60, 3. Willy 's JONGERS, wonende te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Zandstraat 62 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ch. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg 60. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René 's JONGERS, Roger 's JONGERS en Willy 's JONGERS op 10 augustus 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder tegen het besluit van 23 december 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hun de regularisatievergunning wordt verleend voor het verbouwen van een feestzaal tot twee studio’s gelegen te Heusden-Zolder, Zandstraat 45, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 494m; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.537-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. GNEO die, loco Advocaat M. VAN BOSCH verschijnt voor verzoekers, en van Advocaat W. LAMBRECHTS die, loco Advocaat Ch. LEMACHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekers op 30 maart 1998 de regularisatievergunning aanvragen voor het verbouwen van een feestzaal tot twee studio’s gelegen te Heusden-Zolder, Zandstraat 45, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 494m; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder op 3 juli 1998 de regularisatievergunning weigert; dat verzoekers op 14 augustus 1998 beroep instellen tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 23 december 1998 beslist het beroep in te willigen; dat de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder op 12 januari 1999, respectievelijk 19 januari 1999 beroep instellen tegen deze inwilligingsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 11 juni 2001 beslist de beroepen in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; X-10.537-2/5 Overwegende dat verzoekers wat betreft hun belang in hun laatste memorie uiteenzetten wat volgt: "Het verslag van (

  1. de)auditeur voorziet in de niet ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring omwille van het feit dat verzoekers niet het vereiste belang zouden aantonen. Het ontbreken van een belang op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift op 10 augustus 2001, zou dienen afgeleid (
  2. te)worden uit art. 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, waarin voorzien wordt dat een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na de opstelling van het certificaat bedoeld in art. 158, § 2 van dit decreet. Verzoekers zijn van mening dat het ontbreken van het in art. 158 voorziene certificaat met betrekking tot de transactiesom in deze geen aanleiding kan geven tot het besluiten tot het ontbreken van een belang in hoofde van verzoekers. Art. 158 voorziet uitdrukkelijk de procedure waarbij een vergelijk middels een transactiesom gecombineerd met de aanvraag van een regularisatievergunning wordt gehanteerd als een MOGELIJKHEID doch hoegenaamd geen verplichting. Onder de toenmalige wetgeving stond niets het indienen van een regularisatieaanvraag in de weg, zonder dat een transactiesom werd betaald. Art. 158 voorziet duidelijk het bekomen van een vergelijk middels een transactiesom en regularisatie enkel voorzien wordt in de gevallen opgesomd in art. 158 § 1, eerste lid. Het initiatief dient te komen van de vergunningverlenende overheid in samenspraak met de stedenbouwkundige inspecteur. Het kan niet zijn omwille van het ontbreken van het certificaat van betaling van de transactiesom - wanneer deze nooit is voorgesteld - achteraf verzoekers niet over het vereiste belang zouden beschikken om verdere procedure te voeren."; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie repliceert als volgt : "Verwerende partij treedt de verslaggeving en besluitvorming van de auditeur bij, verwijzende naar de toepasselijke tekst van art.158-159 van het DRO van toepassing sedert 1.05.2000 en naar de rechtspraak van de Raad en rechtsleer, aangehaald in voetnoten 15 en 16 van voormelde verslaggeving. Eisers verwijzen in laatste memorie naar een in art. 158 DRO voorziene 'mogelijkheid', daarbij de decretale verplichting van het voorleggen van een certificaat voorafgaand aan het tussenkomen van een regularisatievergunning, voorzien in art. 159 DRO negerend. Deze verplichting bleef onvervuld op 10.08.2001, datum van het indienen van het annulatieberoep, zodat het rechtens vereiste actueel belang tot het bekomen van een vernietiging in hoofde van verzoekers niet voorhanden was. Het belang kan niet ontluiken ingevolge wijziging in de regelgeving NA indienen van het beroep en aflopen van de beroepstermijn."; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het X-10.537-3/5 opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. niet inhouden dat de minister voorafgaand aan zijn besluit over het beroep het initiatief moet nemen om de stedenbouwkundig inspecteur te vatten omtrent een voorstel tot vergelijk; dat de overige argumentatie van de verzoekende partijen in hun laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikten; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekers derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang hadden bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerven; dat deze vaststelling volstaat om het beroep te verwerpen; dat de opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. X-10.537-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig mei 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.537-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.686 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.