← België

Arrest 131722 - - 26/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.722 Rolnummer: A. 111345/VII-24788 Zaak: Arrest 131722 - - 26/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 06:57 Fiche Arrest nr 131.722 van 26 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 131.722 van 26 mei 2004 in de zaak A. 111.345/VII-24.788 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J.-P. VIDICK, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Augustijnernonnenstraat 67 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 19 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en van het bevel om het grondgebied te verlaten, beide beslissingen aan verzoekende partij betekend op 20 augustus 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 januari 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-24.788-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-P. VIDICK, die, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 23 januari 1999 en verklaarde zich op 25 januari 1999 vluchteling. De asielaanvraag werd ontvankelijk verklaard en op 2 maart 2000 nam de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  3. Op 31 augustus 2000 nam de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. De verzoekende partij diende hiertegen een beroep in bij de Raad van State. Bij arrest nr. 95.015 van 26 april 2001 werd dit beroep verworpen. 1.
  4. Op 28 augustus 2000 diende de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. 1.
  5. De minister van Binnenlandse Zaken verklaarde op 24 juli 2001 de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  6. Op 20 augustus 2001 werd aan de verzoekende partij bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. "(...) Reden van de beslissing VII-24.788-2/5 Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen die hij als journalist in zijn land zou hebben, hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De betrokkene brengt verder geen andere elementen noch bewijzen aan dan deze die reeds tijdens de asielprocedure werden neergelegd. Indien hij/zij dit bevel niet opvolgt, loopt de voornoemde gevaar, onverminderd rechtsvervolging op grond van art. 75 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig art. 27 van dezelfde wet.". Dit is de bestreden beslissing;
  7. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij eveneens stelt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beoordelingsfout heeft begaan; dat in wezen wordt gesteld dat de minister van Binnenlandse Zaken ingaat op de gegrondheid van de aanvraag, hoewel hij de ontvankelijkheid daarvan te beoordelen had; dat, steeds volgens de verzoekende partij, niet wordt gemotiveerd waarom de motieven die ter ondersteuning van de asielaanvraag waren ingeroepen, niet zouden kunnen worden aangewend om de buitengewone omstandigheden aan te tonen die een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet kunnen rechtvaardigen; dat de verzoekende partij tenslotte uiteenzet dat zij bij terugkeer naar haar land van herkomst gevaar loopt voor haar leven of het risico loopt op een vernederende behandeling; Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke dienst of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid, evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet aanvragen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten die werden ingeroepen om als vluchteling te worden erkend en die ongegrond werden bevonden; dat de in de bestreden beslissing weergegeven motieven VII-24.788-3/5 afdoende zijn; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat deze berusten op feitelijk onjuiste gegevens, noch dat deze kennelijk onredelijk zouden zijn; Overwegende dat artikel 3 van het E.V.R.M bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen; dat deze bepaling slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel zeer summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, VII-24.788-4/5 staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-24.788-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.