← België

Arrest 131726 - - 26/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.726 Rolnummer: A. 110863/VII-24691 Zaak: Arrest 131726 - - 26/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 06:57 Fiche Arrest nr 131.726 van 26 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 131.726 van 26 mei 2004 in de zaak A. 110.863/VII-24.691 In zake : XXX verblijvende te 2547 LINT, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Macedonische nationaliteit, op 27 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 januari 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 mei 2004; VII-24.691-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. WERNAERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 13 juli 2001 en verklaarde zich op 16 juli 2001 vluchteling. 1.
  5. Op 19 juli 2001nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 29 augustus 2001 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Gekran (gemeente Gostivar) in Macedonië. In december 2000 zou u tot het 'Macedonische Bevrijdingsleger' (UÇK) zijn toegetreden. U zou een maand lang voedselpakketten naar de strijdende soldaten gebracht hebben en tevens vluchtende Albanezen naar de grens van Kosovo begeleid hebben. Gedurende deze maand zou het treffen tussen het UÇK en het Macedonische leger rond de stad Tetovo al volop aan de gang geweest zijn. De eerste beschietingen van dorpen rond Tetovo zouden volgens u reeds dateren van oktober
  7. Na deze maand zou u echter een verkoudheid opgelopen hebben en naar Gekran teruggekeerd zijn. U zou twee à drie weken thuisgebleven zijn en daarna gedurende één maand opgenomen zijn in het ziekenhuis van Tetovo. Eind februari of begin maart 2001 zou u daar ontslagen zijn en naar uw huis zijn teruggekeerd. Op 10 maart 2001 zouden het Macedonische leger en de politie rond middernacht uw woning omsingeld hebben. U zou getracht hebben te vluchten maar u zou gegrepen VII-24.691-2/6 zijn door de honden die de ordestrijdkrachten bij zich hadden. U zou gearresteerd en gedurende 33 dagen opgesloten zijn in het politiebureau van Tetovo. U zou er beschuldigd zijn van het verzorgen van voedseltransporten voor de strijders van het UÇK en het over de grens smokkelen van vluchtelingen. U zou er ook gefolterd zijn. Op 13 april 2001 zou u zonder gevolgen vrijgelaten zijn. De politie zou er echter mee gedreigd hebben u te vermoorden indien u nog langer in Macedonië zou blijven. U zou naar uw woning zijn teruggekeerd en zich zoveel mogelijk uit het publieke leven teruggetrokken hebben. De politie zou eind april, in mei en in juni 2001 nog thuis langsgekomen zijn en naar u gevraagd hebben maar u zou iedere keer afwezig geweest zijn. Ze zou dit gedaan hebben met de bedoeling u terug gevangen te zetten zoals ze had gezegd bij uw vrijlating. Begin juli 2001 zou u uw land van herkomst verlaten hebben, richting België. Op 16 juli 2001 vroeg u hier asiel aan. Er dient te worden opgemerkt dat u over geen enkel document beschikt waaruit uw afkomst of identiteit kan worden afgeleid. Bovendien laat uw geografische kennis van uw beweerde geboortestreek niet toe de twijfel over uw daadwerkelijke afkomst uit de streek van Gostivar te ontkrachten, zelfs integendeel. Zo herkende u de nabijgelegen dorpen Debrese, Lakavica en Pirok niet en kon u Zdunje helemaal niet situeren (verhoorverslag CGVS, p. 3) ofschoon deze vier dorpen allen in een straal van minder dan 15 km rond uw beweerde woonplaats liggen. Opmerkelijk is ook dat het vlakbij gelegen dorp 'Cajle' door u 'Lajce' genoemd wordt (CGVS, p. 3). Voorts beweerde u dat er geen spoorweg in Gostivar is (CGVS, p. 3) terwijl in werkelijkheid de lijn Tetovo-Gostivar-Kiceco er passeert. U beweerde dat er geen rivier door Gostivar stroomde (CGVS p. 3) terwijl de Vardar er loopt. U kende de postcode van Gostivar ook niet en gaf het verkeerde telefoonprefix op (0322 i.p.v. 42). Ten slotte schatte u de afstand tussen Gostivar enerzijds en twee andere grote steden en uw beweerde woonplaats anderzijds verkeerd in: naar Tetovo 55 km volgens u in plaats van 25 km in werkelijkheid, naar Skopje 180 km i.p.v. 70 km en naar Gekran 20 km i.p.v. 10 km. Daarnaast hebt u ook niet aannemelijk gemaakt dat u effectief voor het UÇK gestreden heeft. Zo kende u de leider van het UÇK in Macedonië niet (CGVS p. 5). U situeerde de eerste bombardementen van het Macedonische leger op dorpen rond Tetovo al in oktober 2000 (CGVS p. 7) terwijl algemeen geweten is dat het etnisch geweld in Macedonië pas geëscaleerd is in januari 2001 na een bomaanslag in Tearce waarbij het UÇK voor het eerst van zich liet horen (Albanews, 'Police in Macedonia face Kosovan separatist attacks, 30/01/2001). Meer specifiek begon het treffen tussen het Macedonische leger en het UÇK in de heuvels rond Tetovo pas in maart 2001 (ICG Balkans Report N/
  8. 05/04/2001, p. 3 en ICG Balkans Report N/ 113, 20/06/2001, p. 3). Gezien bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof gehecht worden aan uw beweerde afkomst noch aan uw vluchtmotieven.". Dit is de bestreden beslissing; 2.
  9. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij tracht uit te leggen waarom zij geen paspoort kon voorleggen en waarom zij weinig kennis had van de geografische en politieke situatie van haar land van herkomst; dat zij dit laatste verklaart door haar lage scholingsgraad; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen VII-24.691-3/6 aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat bovendien van iemand die beweert politiek vluchteling te zijn in redelijkheid kan worden verwacht dat deze iets of wat kent van de politieke situatie in zijn beweerd land van herkomst; dat het middel niet gegrond is; 2.
  10. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt aangevoerd van het recht van verdediging omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing verwijst naar een document dat niet aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht; Overwegende dat de verplichting voor het bestuur om de rechten van de verdediging na te leven, behoudens andersluidend voorschrift, enkel geldt in tuchtzaken; dat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geen dergelijk voorschrift bevat; dat de bestreden beslissing vermeldt uit welke documentatiebron de desbetreffende informatie werd gehaald, zodat de verzoekende partij deze in het kader van huidig annulatieberoep kan tegenspreken; dat het middel niet gegrond is; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij nog een derde middel inroept dat als volgt is gesteld: "Het verzoek van verzoeker wordt door het CGVS als bedrieglijk bestempeld. Het CGVS laat echter na aan te tonen waarin het door verzoeker aangewende bedrog zich zou bevinden. Zoals verzoeker bovendien reeds aangaf kunnen de argumenten die door het CGVS aangehaald worden om te besluiten tot een bedrieglijke aanvraag, niet weerhouden worden. Zo zou het CGVS kunnen besluiten tot de bedrieglijkheid van de aanvraag indien verzoeker verklaringen had afgelegd die manifest tegenstrijdig zijn met de bekende feiten. De door verzoeker afgelegde verklaringen zijn echter in geen geval manifest strijdig met de bekende feiten. Integendeel. Verzoeker wenst aan te halen dat de door hem aangebrachte feiten ondersteund worden door het verslag van Amnesty International (zie stukken 4 en 5) waaruit duidelijk blijkt dat de spanningen tussen de etnische groepen, reeds sedert 2000 aan de gang zijn. Het is dan ook niet verwonderlijk dat verzoeker melding maakt van eerste ongeregeldheden in oktober
  12. Na de verkiezingen van september 2000 zijn de onregelmatigheden in verschillende streken begonnen. Nadat enkele politieagenten vermoord werden, zijn de Macedonische autoriteiten op grote schaal mensen gaan arresteren en mishandelen, tot zelfs buitengerechtelijk executeren. Opvallend hierbij is dat het telkens om etnische Albanezen gaat. ( zie stuk 5). Wanneer daarbij nog het gegeven in acht wordt genomen dat verzoeker lid is van het UÇK, is het niet verwonderlijk dat verzoeker geen andere keuze meer had dan het land te verlaten. De feiten die door het CGVS worden ingeroepen kunnen bijgevolg niet als volledig beschouwd worden, waardoor de beoordeling op grond van onvolledige gegevens is gebeurd die bijgevolg niet als bewijskrachtig kunnen worden beschouwd. Een ander argument van CGVS is dat verzoeker niet op alle vragen over Macedonië kon antwoorden. Volgens het CGVS zou dit aantonen dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk is. Niets is echter minder waar. Er werden verzoeker zeer specifieke vragen gesteld omtrent de geographie van Macedonië. Er dient hierbij in de eerste plaats te VII-24.691-4/6 worden opgemerkt dat verzoeker slechts enkele jaren school gelopen heeft en bijgevolg aardrijkskundig niet zo goed onderlegd is. Daarbij komt nog dat ook de zenuwen hem parten hebben gespeeld. In de tweede plaats kan de vraag gesteld worden of dergelijke vragen wel duidelijk overkwamen. Wat voor de ene mens als een beekje beschouwd wordt, kan volgens de andere een rivier zijn. Het is dan ook ten zeerste de vraag of het verkeerd uitspreken van de naam van een dorpje of het een aantal kilometers verkeerd inschatten van een afstand, een voldoende bewijs vormt voor het afwijzen van de aanvraag van verzoeker als bedrieglijk. Zoals blijkt kunnen verschillende redenen aangehaald worden voor het onnauwkeurig of vaag beantwoorden van de vragen, waardoor helemaal niets erop wijst dat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk is. Zelfs in geval van twijfel is er in ieder geval geen sprake van manifeste tegenstrijdigheid met de algemeen bekende feiten, waardoor een onderzoek ten gronde zich opdringt en de aanvraag van verzoeker ontvankelijk diende te worden verklaard."; Overwegende dat een middel de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel moet vermelden en de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden; dat in de hierboven weergegeven opwerpingen geen ontvankelijk middel wordt gezien;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. VII-24.691-5/6 De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-24.691-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.