← België

Arrest 131738 - - 26/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.738 Rolnummer: A. 104748/VII-31667 Zaak: Arrest 131738 - - 26/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-02 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 06:57 Fiche Arrest nr 131.738 van 26 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 131.738 van 26 mei 2004 in de zaak A. 104.748/VII-31.667 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 16 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken houdende de verwerping van de machtiging tot voorlopig verblijf, aan de verzoekende partij betekend op 18 april 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 februari 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-31.667-1/3 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die, loco advocaat P. MEULEMANS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 22 januari 2001 diende de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf in bij toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.
  3. Op 13 maart 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van machtiging tot voorlopig verblijf. Op 18 april 2001 werd deze beslissing aan de verzoekende partij betekend, met een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in het bezit werd gesteld van een identiteitskaart voor vreemdelingen; dat haar raadsman, daarover aangeschreven, aan de Raad van State heeft geantwoord: “Zoals u weet, zijn de rechten voor een persoon die als politiek vluchteling is erkend, ruimer en dien ik tevens de procedure verder te zetten zolang ik geen uitdrukkelijk ontslag hiervan heb”. Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partij klaarblijkelijk uit het oog verliest dat het hier niet gaat om een erkenning als politiek vluchteling; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij te dezen nog over het rechtens vereiste belang VII-31.667-2/3 beschikt om de procedure verder te zetten; dat deze vaststelling volstaat om het beroep en de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.667-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.738 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.