← België

Arrest 131793 - - 26/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.793 Rolnummer: A. 94804/XIV-18042 Zaak: Arrest 131793 - - 26/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-11 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 06:58 Fiche Arrest nr 131.793 van 26 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.793 van 26 mei 2004 in de zaak A. 94.804/XIV-18.

  1. In zake : XXX die woont te 1020 BRUSSEL tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door:
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Armeense nationaliteit, op 23 augustus 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2000 tot bevestiging van de beslissing van 17 januari 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 september 2000 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.042-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-P. VIDICK, die verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 8 juli 1997 en zich op 9 juli 1997 een eerste keer vluchteling verklaart; dat op 29 juli 1997 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat op 15 september 1999 de verzoekende partij zich een tweede keer vluchteling verklaart; dat op 17 januari 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 11 juli 2000 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht De bestreden beslissing verwerpt de aanvraag van de betrokkene op basis van de overweging dat het relaas van de betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is omdat, volgens het CGVS, de betrokkene tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd bij de DVZ en bij het CGVS. De motivering van het CGVS is onvolledig, onjuist en allesbehalve redelijk. Op 20 juni 2000, de dag van het interview van verzoekster, was zij ernstig ziek. Zij werd bijna onder dwang en onder begeleiding van medewerkers van het asielcentrum naar het gebouw van het CGVS gebracht om een interview af te leggen. Zonder rekening wordt gehouden met haar leeftijd, 65 jaar oud, en haar gezondheidssituatie, werd een interview afgenomen door het CGVS. Het is evident dat een oude dame met een slechte gezondheidssituatie, (zij staat onder constant medisch toezicht sinds haar aankomst in België) niet in staat is om een interview af te leggen. Het CGVS was verplicht in te gaan op het verzoek van betrokkene om tenminste het interview uit te stellen en haar te ondervragen op een moment dat zij wel in staat was om met volle verstand te antwoorden op de gestelde vragen. De aangehaalde tegenstrijdigheden, zelfs indien zij bewezen zijn, zijn enkel een gevolg van de gezondheidssituatie van verzoekster. De motivering is aldus onredelijk en gaat in tegen de beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien met gesteld worden dat de tegenstrijdigheden helemaal niet van die aard zijn om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren. Het niet vermelden van een bepaald feit kan niet als een tegenstrijdigheid beschouwd worden, hetgeen in casu ten onrechte door het CGVS werd gedaan. Tenslotte moet gesteld worden dat de overweging van het CGVS dat gemengde Azerisch-Armeense koppels in Armenië niet vervolgd worden, geen relevantie heeft in het kader van de asielaanvraag van de betrokkene.”; XIV-18.042-2/4 2.
  6. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij voor het verhoor op het commissariaat-generaal vermeldde dat zij ziek was, met name dat zij last had van hoge bloeddruk, hoofdpijn en draaierigheid; dat echter niet blijkt dat zij een medisch attest heeft overgelegd teneinde het interview uit te stellen; dat ook niet blijkt dat zij door haar ziekte niet in de onmogelijkheid verkeerde om de vragen naar behoren te begrijpen en te beantwoorden; dat zij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de vastgestelde tegenstrijdigheden, die zij niet eens tracht te weerleggen, “enkel een gevolg (zijn) van de gezondheidssituatie van verzoekster”; dat het enige middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-18.042-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.042-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.793 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.