id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.795 Rolnummer: A. 101375/XIV-2468 Zaak: Arrest 131795 - - 26/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 06:59 Fiche Arrest nr 131.795 van 26 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.795 van 26 mei 2004 in de zaak A. 101.375/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 7 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 8 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 maart 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 5 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 februari 2004; XIV-2468-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 16 september 1999 en zich vluchteling verklaart op 21 september 1999; dat op 11 april 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 8 februari 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt wordt gemotiveerd: "Betrokkene werd verhoord op 23 mei 2000 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is. Betrokkene, een Russisch staatsburger afkomstig uit de autonome Republiek Marijski, zou in haar land van herkomst problemen met de overheid hebben gekend. In mei of juni 1998 zou betrokkene die als juriste in een psychiatrische instelling werkte, hebben ontdekt dat de vroegere president van de autonome Republiek Marijski (Zotin Vjatcheslav) in de instelling was geïnterneerd. De ex-president zou aan betrokkene hebben gezegd dat hij volledig ten onrechte in de instelling werd vastgehouden en betrokkene zou daarna zelf hebben ontdekt dat er in het dossier van de ex-president bepaalde documenten (o.a. de diagnose) ontbraken. Betrokkene die om de correcte afhandeling van het dossier bekommerd was en die ook een zekere sympathie voor de ex-president voelde, zou in een brief aan de bevoegde overheidsdiensten een nieuwe diagnose hebben gevraagd. In september 1998 (een maand na de brief) zou betrokkene zowel door de Procureur als door de directeur van de psychiatrische instelling zijn opgedragen zich niet verder met de zaak te bemoeien. Betrokkene zou de zaak wat hebben laten rusten maar in november 1998 zou zij vanuit haar eigen woning door de politie zijn meegenomen en gedurende tien dagen zijn opgesloten. Gedurende deze 10 dagen zou betrokkene niet zijn ondervraagd maar wel zijn gedwongen een verklaring te ondertekenen waarin ze zich ertoe verbond de autonome republiek niet te verlaten. Na haar vrijlating zou betrokkene op haar werk zijn ontslagen. Via haar oom zou ze hebben vernomen dat zij werd verdacht van moord op één van de patiënten uit de instelling. De eigenaar van betrokkenes woning zou ook lucht hebben gekregen van betrokkenes problemen met de politie en betrokkene hebben gevraagd de gehuurde woning te ontruimen. Betrokkene zou daarna bij haar ouders zijn ingetrokken, maar op een dag in december 1998 zou ze een politiewagen bij het huis van haar ouders hebben opgemerkt. Uit vrees voor verdere vervolging zou betrokkene de Russische Federatie onmiddellijk hebben verlaten. Betrokkene verklaart dat zij als etnische Marijs noch op de bescherming van de plaatselijke (door een etnisch-Russisch president geleide) overheid noch op de bescherming van de Russische Federatie overheid kon rekenen. Op aanraden van een vriend zou betrokkene naar Oekraïne zijn gevlucht. In Oekraïne zou betrokkene op een boerderij hebben gewerkt. Vermits zij zich daar ook niet veilig voelde en er geen toekomstperspectieven zag, zou zij in september 1999 Oekraïne hebben verlaten. Op 21 september 1999 vroeg betrokkene in België het statuut van vluchteling aan. Ter staving van deze aanvraag legt betrokkene haar oud intern sovjetpaspoort voor. XIV-2468-2/5 Uit betrokkenes relaas kan niet worden afgeleid dat zij haar land ontvluchtte omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in de Vluchtelingenconventie. Betrokkene verklaart door de overheid van de Republiek Marijski te zijn vervolgd en ook elders in de Russische Federatie niet veilig te zijn voor de overheid van haar republiek die haar - volledig ten onrechte - van moord zou hebben beschuldigd. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat betrokkenes vrees voor deze beschuldiging uitsluitend is gebaseerd op een gerucht dat haar oom zou hebben opgevangen. Betrokkenes asielrelaas bevat geen enkel concreet element dat dit gerucht zou kunnen bevestigen: betrokkene werd nooit officieel in beschuldiging gesteld en werd - na de éénmalige arrestatie - ook niet meer geconvoceerd. Vervolgens brengt betrokkene geen enkel element aan waaruit blijkt dat zij - na een eventuele veroordeling in de Republiek Marijski - geen beroep zou kunnen indienen bij een federaal gerechtshof. Volgens de heer Pavlenko (voorzitter van de Lawyers of the 21ste Century Association) kan men tegen elke beslissing van een regionaal gerechtshof in beroep gaan bij een federaal gerechtshof. Op basis hiervan moet worden besloten dat er voor betrokkene wel degelijk binnen haar eigen land beschermingsmogelijkheden waren maar dat zij die niet heeft uitgeput. Bovendien brengt betrokkene geen concrete elementen aan om te staven dat een eventueel beroep bij een federaal gerechtshof niet eerlijk zou worden behandeld. Tenslotte dient te worden vastgesteld dat betrokkene tegenstrijdige opeenvolgende verklaringen heeft afgelegd, waardoor haar geloofwaardigheid op ernstige wijze wordt aangetast. Zo verklaarde betrokkene op het commissariaat-generaal dat ze na de waarschuwingen van de vice-procureur van Marijski en de directeur van de psychiatrische instelling in september 1998 (CG-verslag p. 14-15) de zaak liet rusten maar dat zij later, in november 1998, door twee politieagenten werd opgepakt (CG-verslag p. 17). Op de dienst Vreemdelingenzaken situeerde betrokkene het onderhoud met het Openbaar Ministerie, het gesprek met haar overste en de arrestatie echter op éénzelfde dag (zie DVZ, verslag vraag 42). Gezien het bovenstaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld. Het paspoort dat betrokkene voorlegt, bevestigt enkel haar identiteit maar doet geen afbreuk aan deze vaststellingen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 11 april
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het artikel 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout. Dat verweerder het artikel 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt wanneer hij in zijn beslissing zomaar zonder gegronde redenen stelt dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. Dat de bestreden beslissing stelt dat verzoekster in haar eigen land de gerechtelijke beschermingsmogelijkheden niet uitgeput heeft. Dat dient opgemerkt te worden dat verweerder zich onvoldoende geïnformeerd heeft alvorens een beslissing te nemen. XIV-2468-3/5 ‘Elke bestuurhandeling moet gebaseerd zijn op juiste en relevante feiten. De zorgvuldigheidsplicht verplicht de overheid er overigens toe om zich volledig en correct in te lichten alvorens een beslissing te nemen.’ Dat immers uit het rapport van het U.S. Department of State dd. 25.02.2000 ‘Russia Country Report on human rights practices for 1999' blijkt dat het Russische gerecht geenszins onafhankelijk is, evenmin een belangrijk tegengewicht vormt voor de andere Russische machten en het voorwerp is van manipulatie van centrale en locale machthebbers. De Russische rechters zijn vaak het slachtoffer van fysiek geweld en omkoperij (cf. http://www.stat.gov/www/global/human_rights/1999hrp_report/russia.html.’ denial of fair public trial’ cf. stuk 2). Dat derhalve, gezien het weinig vertrouwen gevende Russische gerecht en gezien verzoeksters zaak politiek getint is daar zij voortvloeit uit de ontdekking van onterechte internering van de ex-president van de autonome Republiek Marijski, verweerder geenszins in de bestreden beslissing kon stellen dat verzoekster niet aannemelijk maakte waarom zij bij een eventueel beroep bij een federaal gerechtshof niet eerlijk zou worden behandeld. Dat verweerder weinig zorgvuldig tewerk ging en een manifeste beoordelingsfout maakte door geen rekening te houden met het weinig onafhankelijk Russische gerechtsapparaat en de politiek geladen problemen van verzoekster. Dat derhalve verweerder geenszins kon stellen dat verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond is, waardoor de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is. Dat verder verweerder in de bestreden beslissing stelt dat verzoeksters geloofwaardigheid aangetast wordt door tegenstrijdige verklaringen. Dat verzoekster dienaangaande opmerkt dat zij tijdens de verschillende verhoren een coherent en gedetailleerd asielrelaas uiteenzette. Dat de door verweerder enig aangehaalde tegenstrijdigheid niet afdoende is om zomaar te stellen dat geen geloof kan gehecht worden aan verzoeksters relaas. Dat deze tegenstrijdigheid in geen geval de kern raakt van verzoeksters asielrelaas. Dat derhalve verweerder een manifeste beoordelingsfout maakte en de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, wanneer deze, zonder gegronde redenen, besluit tot een bedrieglijke asielaanvraag. Dat verweerder het artikel 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de zorgvuldigheidverplichting schendt, wanneer hij in zijn beslissing zomaar zonder gegronde redenen stelt dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven, waarop de bestreden beslissing is gesteund, kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel enkel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de informatie waarnaar de commissaris-generaal verwijst, namelijk deze verschaft door de voorzitter van de “Lawyers of the 21st Century Association”, niet wordt weerlegd door het door de verzoekende partij ingeroepen internationaal mensenrechtenrapport; dat met het louter verwijzen naar voornoemd rapport zonder het op haar eigen individuele toestand te betrekken en met het louter minimaliseren van de vastgestelde tegenstrijdigheid de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is; XIV-2468-4/5
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig mei tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2468-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.795 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.