← België

Arrest 131807 - - 27/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.807 Rolnummer: A. 114009/XII-3378 Zaak: Arrest 131807 - - 27/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 06:59 Fiche Arrest nr 131.807 van 27 mei 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.807 van 27 mei 2004 in de zaak A. 114.009/XII-

  1. In zake : Frans ALLARD, wonende te Tienen, Breisemstraat 82 tegen : SCHOLENGROEP 13 ZUID-LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans Allard heeft ingediend op 11 december 2001 om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van de Beoordelingscommissie van de Scholengroep Zuid Limburg nr. 13 om [hem] niet te weerhouden om te fungeren als waarnemend directeur in het KTA2 Tongeren en van de beslissing van de Raad van Bestuur om nadien Pellaers Mieke waar- nemend aan te stellen in voornoemd ambt”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3378-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memories en het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 24 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 april 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker de enige kandidaat is voor de aanstelling tot waarnemend directeur van het KTA2 Tongeren; dat hem na een interview, op 27 september 2001, bij aangetekende brief van 28 september 2001 door de algemeen directeur namens de beoordelingscommissie wordt meegedeeld : “De beoordelingscommissie meldt u dat u echter, volgens de geldende criteria, niet weerhouden werd om te fungeren als waarnemend directeur in het KTA2 Tongeren”; Overwegende dat de raad van bestuur op 16 oktober 2001 beslist : “Artikel 1 De heer Frans Allard was enig kandidaat voor de functie van waarnemend directeur t.v.v. de titularis E. Forier, met ziekteverlof. XII-3378-2/5 De heer Allard voldeed niet aan de gestelde criteria van de beoordelings- commissie (eindscore 18 op 40 = onvoldoende) Artikel 2 Bij ontstentenis van een kandidaat werd Mevr. Marie-Josée Pellaers aangesteld als waarnemend directeur aan het KTA2 Tongeren. Motivatie : Mevr. Pellaers neemt deel aan de navorming georganiseerd door de RAGO. Deze navorming bereidt haar voor op de akte van directeur secundair onderwijs.”; Overwegende dat verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat “[d]e bestreden beslissing” aan verzoeker werd meegedeeld bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs van 28 september 2001, dat uit het ontvangstbewijs blijkt dat verzoeker de brief op 1 oktober 2001 heeft ontvangen, dat het verzoekschrift van 11 december 2001 niet ontvankelijk is wegens laattijdigheid aangezien het niet binnen zestig dagen na betekening van de bestreden beslissing is ingediend; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie opmerkt dat de in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorgeschreven vermeldingen niet voorkomen in de hem betekende beslissing, dat bijgevolg de termijn van zestig dagen niet is beginnen te lopen en hij zijn verzoek tot nietigverklaring tijdig heeft ingediend; Overwegende dat de exceptie faalt, zonder dat zelfs moet worden nagegaan of verzoeker zich op de bescherming van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mag beroepen; dat immers verwerende partij bij haar brief van 28 september 2001 aan verzoeker geen beslissing van de raad van bestuur heeft meegedeeld, maar enkel een mededeling namens de beoordelingscommissie; dat uit de bewoordingen van het inleidend verzoekschrift blijkt dat verzoeker een “beslissing van de Beoordelings- commissie” én een “beslissing van de Raad van Bestuur” aan de annulatiebevoegdheid van de Raad van State onderwerpt; dat voorts uit zijn verzoekschrift blijkt dat hem in wezen grieft, niet voor de door hem geambieerde aanstelling in aanmerking te zijn genomen; dat in dat verband uit de vermelding XII-3378-3/5 “De vergadering bevestigt dit advies” in het uittreksel uit de notulen van de vergadering van de raad van bestuur en uit de hiervoor aangehaalde gemotiveerde beslissing van datzelfde orgaan blijkt dat de beoordelingscommissie daarover slechts een advies verleent, hetgeen een voorbereidende handeling is; dat een aanstellingsprocedure zoals voorligt derhalve een complexe administratieve rechtshandeling is waarbij het advies van de beoordelingscommissie als een louter voorbereidende handeling verschijnt; Overwegende dat het verzoekschrift kennelijk is bedoeld en door de Raad van State zo wordt begrepen, als voornaamste voorwerp de beslissing te omvatten waarbij verzoeker niet als kandidaat in aanmerking wordt genomen; dat die beslissing te vinden is in de beslissing van de raad van bestuur van 16 oktober 2001; dat tussen de datum van de griefhoudende eindbeslissing van de raad van bestuur en het indienen van het voorliggend beroep geen zestig dagen zijn verstreken; dat verzoeker zich in het kader van voorliggend beroep op ontvankelijke wijze op de eventuele onwettigheid van de aan de eindbeslissing voorafgaande handeling, met name het advies van de beoordelingscommissie, kan beroepen; dat het verslag van het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat beperkt is gebleven tot het onderzoek van de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep; dat evenwel blijkt dat de vordering tijdig werd ingesteld; dat er derhalve grond is om de debatten te heropenen, BESLUIT: Artikel
  3. De debatten worden heropend. Artikel
  4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak. XII-3378-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3378-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.807 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.149.865 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.