id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.815 Rolnummer: A. 75575/XII-330 Zaak: Arrest 131815 - - 27/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 06:59 Fiche Arrest nr 131.815 van 27 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.815 van 27 mei 2004 in de zaak A. 75.575/XII-
- In zake : Emmanuel BENOY, wonende te Wilrijk, Kerkhofstraat 32 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emmanuel Benoy op 4 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van het provincieraadsbesluit dd. 4.02.1997 houdende wijziging van het geldelijk en administratief statuut, meer bepaald artikel 5 waarin gesteld wordt dat in het administratief personeelsstatuut, vastgesteld in het raadsbesluit van 21.12.1994 in artikel G 2 de tweede paragraaf wordt geschrapt en de nummering van de volgende paragrafen hieraan wordt aangepast, terwijl in artikel 44 de tweede alinea wordt geschrapt”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 21 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 januari 2004, op welke datum de zaak in voortzetting is uitgesteld naar de terechtzitting van 2 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-330-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker, op 1 november 1963 in dienst getreden van de provincie Antwerpen, sinds 1 oktober 1970 lijdt aan een beroepsziekte die een arbeidsongeschiktheid van 15 % tot gevolg heeft; dat overeenkomstig artikel 60 van het administratief personeelsstatuut het personeelslid beschikt over een contingent van 666 ziektedagen en, wanneer dit aantal bereikt wordt, kan worden doorverwezen naar de Administratieve Gezondheidsdienst (pensioencommissie); dat aanvankelijk artikel 62, § 2, in een uitzondering daarop voorziet wanneer het om ziekteverlof gaat naar aanleiding van een arbeidsongeval, ongeval op de weg naar en van het werk of beroepsziekte; dat luidens het voorschrift deze dagen afwezigheid niet worden aangerekend op het contingent van 666 werkdagen vermeld in artikel 60; dat de provincieraad van Antwerpen artikel 62, § 2, van het personeelsstatuut op 4 februari 1997 schrapt, met uitwerking vanaf 1 januari 1994; Overwegende dat op een klacht hiertegen vanwege verzoeker, de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting op 4 juli 1997 antwoordt dat de provincieraad in principe geen onwettelijke beslissing heeft genomen aangezien geen enkele wettelijke bepaling verbiedt de afwezigheden wegens beroepsziekte of arbeidsongeval aan te rekenen op het contingent ziektedagen, maar dat bij het besluit “toch enkele bemerkingen” te maken zijn; dat zo een bemerking luidt: “de regeling voor beroepsziekten en arbeidsongevallen gaat er, minstens impliciet, van uit dat de werkgever aansprakelijk is voor beroepsziekten en arbeidsongevallen. Om deze redenen mag een personeelslid geen nadeel ondervinden van deze regeling, hetgeen in casu wel het geval is”; dat de minister vanwege de bemerkingen op 8 juli 1997 de bestendige deputatie verzoekt de provincieraad voor te stellen de wijziging van het personeelsstatuut, ofschoon intussen “uitvoerbaar”, niettemin in te trekken; dat de bestendige deputatie met brief van 26 augustus 1997 doet kennen dat de aangehaalde opportuniteitsredenen niet opwegen tegen de bekommernis die aan de grondslag van het provincieraadsbesluit XII-330-2/6 ligt: “Meer bepaald wou de provincieraad immers misbruiken voorkomen die met het vorig systeem - waarbij ongelimiteerd ziekte-verlof mogelijk was bij arbeidsongeval of beroepsziekte - niet konden worden uitgesloten”; Overwegende dat als het precieze voorwerp van het annulatie- beroep moet worden aangemerkt de schrapping, door artikel 5 van de beslissing van 4 februari 1997 van de provincieraad van Antwerpen, van de tweede paragraaf van artikel 62 van het administratief personeelsstatuut; Overwegende dat verzoeker tegen die schrapping in een enig middel aanvoert dat zij niet formeel gemotiveerd is en alleszins niet op aanvaardbare motieven gestoeld kan zijn; dat wordt toegelicht dat door de schrapping geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen de afwezigheden wegens ziekte en de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval of beroepsziekte, zodat ook die laatste afwezigheden op het contingent van 666 ziektedagen zullen worden aangerekend, dat dit “gebrek aan onderscheid” niet op objectief aanvaardbare redenen steunt, dat de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op weg van en naar het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en de uitvoeringsbesluiten toepasselijk zijn en dat daarin, “[h]oewel niet expliciet vermeld”, “de stelling gehuldigd [wordt] dat de schadeloosstelling algeheel moet zijn en er geen bijkomend nadeel voor de betrokkene mag blijven bestaan”; dat verzoeker besluit: “Uitgaande van de hypothese dat de slachtoffers van arbeidsongeval of beroepsziekte geen bijkomend nadeel mogen ondervinden en gelet op de aansprakelijkheid van de werkgever in deze, dient het statutair personeelslid - in casu verzoeker - aanspraak te kunnen maken op de doorbetaling van zijn wedde zonder dat de tijdspanne van tijdelijke ongeschiktheid in mindering mag worden gebracht van zijn ziektekrediet”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de bestreden wijziging van een provinciaal reglement niet formeel gemotiveerd moet worden omdat het geen rechtshandeling met individuele strekking betreft, dat ook de artikelen 15 en 18 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid geen onderscheid maken tussen ziektedagen en dagen van afwezigheid wegens beroepsziekte of arbeidsongeval wat het aantal dagen ziekteverlof betreft die uitgeput moeten worden vooraleer een personeelslid wegens ziekte of gebrekkigheid definitief XII-330-3/6 ongeschikt kan worden verklaard, dat de wet van 3 juli 1967 zelf, blijkens het artikel 5, impliciet rekening houdt met de mogelijkheid om wegens arbeidsongeval, ongeval op weg van en naar het werk of beroepsziekte vervroegd op rust gesteld te worden, dat tenslotte de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting bevestigd heeft dat de provincieraad geen onwettelijke beslissing genomen heeft, aangezien geen enkele wettelijke bepaling verbiedt dat de afwezigheden wegens beroepsziekte of arbeidsongeval op het contingent ziektedagen worden aangerekend; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de loutere verwijzing naar een gelijkaardige regeling in een andere reglementering, zoals het koninklijk besluit van 1 juni 1964, geen voldoende motivering van de eigen reglementering kan uitmaken, dat het immers “goed mogelijk [is] dat de regeling waarnaar verwezen wordt eveneens behept is met een ongeoorloofde gelijkschakeling van twee ongelijke situaties”, dat bovendien het koninklijk besluit van 1 juni 1964 “nog altijd in een gunstiger regime voorziet voor verlof ten gevolge van een arbeidsongeval of beroepsziekte”, dat verwerende partij een verkeerde conclusie trekt uit de lezing van artikel 5 van de wet van 3 juli 1967, dat volgens het artikel het slachtoffer van een arbeidsongeval de keuze heeft tussen enerzijds een cumulatie van zijn invaliditeitsrente met een rustpensioen dat overeenkomstig de normale regels wordt berekend en anderzijds een rustpensioen berekend volgens de gunstige regeling van artikel 9 van de wet van 21 juli 1844, maar dan zonder cumulatie met de invaliditeitsrente, dat de betrokkene kan kiezen voor de regeling die voor hem het gunstigste is, dat uit die keuzevrijheid de bekommernis van de wetgever blijkt om de slachtoffers van een arbeidsongeval geen bijkomend nadeel te berokkenen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie nog verduidelijkt dat zijn middel inhoudt dat het motief voor de bestreden schrapping “niet aanvaardbaar kan zijn precies omwille van de strijdigheid met o.m. de wet van 3 juli 1967, m.n. met het daarin gehuldigde principe dat een slachtoffer van een beroepsziekte geen bijkomend nadeel mag ondervinden”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie stelt dat de motivering van de aangevochten beslissing niet strijdig is met de wet van 3 juli 1967 “vermits deze wet zelf in de mogelijkheid voorziet dat een ambtenaar wegens een beroepsziekte vervroegd op rust wordt gesteld”; XII-330-4/6 Overwegende dat het besproken middel twee onderdelen behelst; dat het eerste de afwezigheid van een formele motivering bekritiseert; Overwegende dat de Raad van State geen verplichting tot formele motivering van een beslissing als de bestreden wijziging van het personeelsstatuut, die een reglementair karakter heeft, bekend is en verzoeker een dergelijke verplichting ook niet doet kennen; dat die grief verworpen wordt; Overwegende dat een tweede onderdeel van het middel hierop neerkomt dat, welk ook de reden voor de wijziging mag zijn, die reden geen afbreuk kan doen aan het door de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector impliciet gehuldigde principe dat het slachtoffer van een arbeidsongeval of beroepsziekte geen bijkomend nadeel mag lijden; Overwegende dat één zaak de schending van de wet van 3 juli 1967 is en een andere de schending van een principe dat bij de totstandkoming van die wet heeft voorgezeten en daarin is toegepast; dat verzoeker geen enkel voorschrift van de wet van 3 juli 1967 -wet die het artikel 62, § 1, tweede lid, van het personeelsstatuut uitdrukkelijk op de provincieambtenaren van toepassing verklaart- aanwijst waarmee de bestreden afschaffing in strijd zou komen; Overwegende dat in de mate waarin verzoeker de onwettigheid van de afschaffing op het voornoemd principe steunt, de vraag rijst naar de rechtswaarde van dat principe; dat, blijkens zijn hoger vermelde brief van 4 juli 1997, alvast naar het oordeel van de Vlaamse minister het beginsel geen wettigheids-, maar wezenlijk een billijkheidsvoorschrift betreft; dat verzoeker, van zijn kant, het beginsel in rechte erkend ziet door de wet van 3 juli 1967, weze het alleen “impliciet”; dat dit aldus begrepen wordt dat de wetgever er in sommige artikelen van de wet van 3 juli 1967 toepassing van heeft gemaakt; dat evenwel enerzijds, zoals gezien, niet beweerd wordt dat de bestreden beslissing een van dergelijke artikelen schendt en anderzijds verzoeker ook niet aannemelijk maakt dat uit deze artikelen, die hij zelfs niet nader preciseert, een rechtsbeginsel is af te leiden dat op zichzelf -buiten elke consecratie van het beginsel in een normatieve tekst om- moet worden nageleefd; dat niet is aangetoond dat het besproken principe een rechtsregel is; dat bijgevolg de schending XII-330-5/6 ervan geen rechtsmiddel oplevert; dat zij niet tot nietigverklaring kan leiden; dat ook de tweede grief niet opgaat; Overwegende dat het middel in al zijn onderdelen verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-330-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.