← België

Arrest 131816 - - 27/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.816 Rolnummer: A. 58353/XII-1406 Zaak: Arrest 131816 - - 27/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-07 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 06:59 Fiche Arrest nr 131.816 van 27 mei 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.816 van 27 mei 2004 in de zaak A. 58.353/XII-

  1. In zake : Gilbert VAN ZEEBROECK, die woonplaats kiest bij advocaat E. Van der Mussele, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18 A tegen : de STAD BRUSSEL. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gilbert Van Zeebroeck op 25 februari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de stad Brussel, die een verkapte tuchtmaatregel is, en waarbij verzoeker is overgeplaatst van de 11/ afdeling waar hij werkzaam was als hoofdin- specteur 1/ Klasse (onderofficier) in district 91, met ingang van 1-1-94, naar de 5/ afdeling om er de functie van adjunct-commissaris (officiersfunctie) uit te oefenen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur-generaal M. Roelandt; Gelet op de beschikking van 22 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1406-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Van der Mussele, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. De Bie, die loco advocaat R. Moszynski verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Collin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker, hoofdinspecteur eerste klasse bij de politie te Brussel, door de korpschef met ingang van 1 januari 1994 van de 11de naar de 5de politieafdeling wordt overgeplaatst; dat dit hem, naar eigen zeggen, op 28 december 1993 telefonisch is meegedeeld; dat het ook blijkt uit het dienstblad van 31 december 1993; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep betwist; dat zij in de eerste plaats doet gelden dat het verzoekschrift wemelt “van de vermelding van feiten” die zo onoverzichtelijk en verward worden voorgesteld dat het niet mogelijk is precies te vatten wat verzoeker beweert; dat in de tweede plaats wordt betoogd dat de bestreden beslissing niet voor vernietiging vatbaar is, want een maatregel is van inwendige orde, inwendig beheer of inwendige organisatie die de werking van de administratie betreft; Overwegende dat verzoeker de verwerende partij verwijt jegens hem in essentie een verdoken tuchtstraf te hebben genomen; dat aldus de overheid zijns inziens getracht heeft haar werkelijke motieven verborgen te houden; dat het bewijs daarvan haast noodzakelijk tot een minutieuze uiteenzetting van de concrete omstandigheden van de zaak noopt; dat het exposé van verzoeker, dat hij overigens uitvoerig met stukken staaft, geenszins zo duister is als de verwerende partij wil doen geloven; dat het niet de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat de eerste exceptie ongegrond is; Overwegende dat een beslissing die zich als een loutere maatregel van inwendige orde aandient niettemin ontvankelijk voor de Raad van State bestreden kan worden wanneer zij een verkapte tuchtsanctie zou blijken te zijn; dat volgens het eerste middel de bestreden mutatie zo een verkapte tuchtstraf is “zonder XII-1406-2/6 dat de regels i.v.m. de tuchtprocedure t.a.v. de leden van de gemeentelijke politie zijn toegepast”; dat bijgevolg de beoordeling van de exceptie een onderzoek van de grond van de zaak vereist; Overwegende dat in een eerste middel de schending van de nieuwe gemeentewet inzake de tuchtregeling wordt aangevoerd, doordat onder meer de voorschriften in verband met het tuchtdossier, het inzagerecht, de hoorplicht, het recht op bijstand van een raadsman, niet zijn nageleefd; dat verzoeker, ter toelichting dat de bestreden beslissing wel degelijk een verkapte tuchtstraf oplegt, onder meer ingaat op de gevolgen van de mutatie en de context ervan; dat hij in verband met het laatste vermeldt dat in de periode vóór de mutatie twee tuchtverslagen tegen hem zijn opgesteld, dat hem door zijn overste, nadat hij op 11 oktober 1993 een verslag over de problemen bij de 11de afdeling had opgesteld, was meegedeeld dat hij er weg moest, dat dezelfde overste zich ook minachtend over verzoeker heeft uitgelaten naar aanleiding van diens verslag over de val van een kind in een zwembad en dat verzoeker in de 11de afdeling vervangen werd door ene Ergo, komende uit de 5de afdeling, waar dan weer verzoeker naar toe moet; Overwegende dat in een tweede middel verzoeker onder meer aanklaagt dat de juiste motieven van de mutatie niet kenbaar worden gemaakt; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord wezenlijk repliceert dat de bestreden beslissing steunt op artikel 171bis van de nieuwe gemeentewet hetwelk de korpschef belast, onder het gezag van de burgemeester, met de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken van het politiekorps; dat de verwerende partij daar in de laatste memorie onder meer nog aan toevoegt dat, “[w]at betreft de feitelijke grondslag”, de mutatie een maatregel van inwendige orde is, waarvoor de leidraden een betere verdeling van de taken en de organisatie van het personeel waren, dat het juridisch statuut van verzoeker niet aangetast werd, dat verzoeker zich op tuchtrechtelijke verslagen steunt met de bedoeling verwarring te zaaien, dat hij inderdaad het voorwerp heeft uitgemaakt van twee tuchtverslagen, die leidden tot dossiers geopend op 19 februari 1993, respectievelijk 25 december 1993, dat in geen van beide gevallen de feiten ter kennis van de tuchtoverheid, zijnde de burgemeester en de gemeenteraad, zijn gebracht, dat dus de dossiers op geen enkel ogenblik tuchtrechtelijke dossiers zijn geworden en hun inhoud beperkt bleef tot een informatie aan de korpschef, dat men dan ook niet kan beweren dat de overheid het gedrag van de betrokkene als foutief heeft XII-1406-3/6 beschouwd “daar er geen enkel gevolg aan werd voorbehouden”, dat de nieuwe werkomgeving door verzoeker “als minder beproevend moet ervaren worden qua uurregeling”, dat hij nu een gemakkelijker verbinding tussen zijn woon- en werkplaats heeft, dat de bestreden beslissing enkel is ingegeven door de zorg om de goede werking van de betrokken dienst optimaal te verzekeren, dat zij dus “perfekt gemotiveerd” is; Overwegende dat de bestreden mutatie in werkelijkheid als een verkapte tuchtstraf te beschouwen is, wanneer zou moeten worden aangenomen dat zij niet louter door de zorg voor de goede werking van de dienst is ingegeven, maar door tuchtredenen, weze het dat die redenen verborgen zijn gehouden; Overwegende dat verzoeker, ter staving dat de verwerende partij hem met de overplaatsing in wezen heeft willen straffen, onder meer wijst op de eigenaardigheid dat hij in de 11de afdeling wordt vervangen door een stagedoende hoofdinspecteur eerste klasse die “niet eens” de eed heeft afgelegd en die komt van de 5de afdeling, waar zijn plaats als onderofficier blijft openstaan en verzoeker dan weer “in overtal de plaats van officier inneemt”; dat hij ook de aandacht vestigt op verslagen waarin hij ongezouten kritiek uit op de gang van zaken in de 11de afdeling; dat hij bijvoorbeeld in een verslag van 11 oktober 1993 noch min noch meer deed gelden dat “de normale werking van de 11 de afdeling onmogelijk [is] geworden” en dat hij “niet van plan [is] op te draaien als zondebok, voor wat dan ook”; dat verzoeker tevens betoogt, en met stukken aantoont, dat hij rond de tijd van de bestreden beslissing verscheidene disciplinaire aanvaringen had met oversten; dat aldus tegen hem een “verslag” is opgesteld op 15 februari 1993, een “verslag” op 6 december 1993, en op 29 december 1993 een nota die blijkens haar vermeldingen “als een verslag” te beschouwen is; Overwegende dat de verwerende partij toegeeft dat tegen verzoeker tuchtverslagen zijn opgesteld, die er toe hebben geleid dat op 19 februari 1993 en 25 december 1993 “administratieve dossiers” zijn geopend; dat zij wel benadrukt dat de betrokken feiten alleen aan de korpschef en niet ook aan de burgemeester of gemeenteraad, zijnde de tuchtoverheden, ter kennis zijn gebracht; dat de verwerende partij daar uit concludeert dat de overheid het gedrag van de betrokkene niet als foutief heeft beschouwd “daar er geen enkel gevolg aan werd voorbehouden”; dat zij ook argumenteert dat in geen enkel van de dossiers een van de tuchtsancties van het artikel 283 van de nieuwe gemeentewet is opgelegd; XII-1406-4/6 Overwegende dat een en ander naast de kwestie is; dat verzoeker niet aan de burgemeester of de gemeenteraad verwijt hem te hebben willen straffen, maar aan de korpschef, middels de bestreden mutatie; dat juist de korpschef wél van de feiten op de hoogte blijkt gebracht; dat hij ook effectief jegens verzoeker is opgetreden; dat de enkele omstandigheid dat dit optreden geen eigenlijke tuchtstraf uitmaakt niet uitsluit dat er gebeurlijk wel van een verholen of bedekte tuchtstraf sprake kan zijn; dat een verkapte tuchtstraf zich nu eenmaal per definitie niet als een echte tuchtstraf voordoet; Overwegende dat in de gegeven omstandigheden, zo de verwerende partij geloofwaardig wil blijven staande houden dat de korpschef zich bij de mutatie niet door tuchtredenen heeft laten leiden, het zich opdringt dat zij doet kennen welke motieven dan wel bij hem hebben voorgezeten; dat de mutatie, ook in de veronderstelling dat zij géén verkapte tuchtstraf is en niet voor annulatie vatbaar, net als elke administratieve beslissing op deugdelijke motieven dient te berusten; Overwegende dat de verwerende partij die redenen niet kenbaar maakt; dat de verwerende partij weliswaar aangeeft op welke rechtsgrond de korpschef zich voor de mutatie heeft gesteund, maar er opvallend niet toe komt de feitelijke redenen te vermelden die hem er toe hebben doen beslissen; dat ook nog nadat zij in het auditoraatsverslag kon lezen dat de materiële motiveringsplicht voor geschonden moet worden gehouden “omdat er geen elementen voorhanden zijn waaruit de reden voor verzoekers mutatie kan afgeleid worden”, de verwerende partij in gebreke blijft ter zake zelfs maar een begin van uitleg te verstrekken; Overwegende dat dit stilzwijgen aan verzoeker moet ten goede komen, en gelet op de concrete en precieze gegevens van de zaak moet worden aangenomen dat tuchtmotieven niet vreemd zijn geweest aan de aangevochten mutatie; dat de overplaatsing bijgevolg te aanzien is als een verkapte tuchtstraf - tuchtstraf die is opgelegd zonder dat daarvoor de vereiste grondslag bestaat of de vereiste procedure is gevolgd; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt, eensdeels, dat de mutatie als zodanig voor vernietiging vatbaar is en, anderdeels, dat zowel het tweede als het eerste middel gegrond zijn, XII-1406-5/6 BESLUIT: Artikel
  2. Vernietigd wordt de beslissing van de korpschef van de politie van de stad Brussel om Gilbert Van Zeebroeck, hoofdinspecteur eerste klasse, met ingang van 1 januari 1994 van de 11de naar de 5de politieafdeling over te plaatsen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1406-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.816 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.