id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.827 Rolnummer: Zaak: Arrest 131827 - - 27/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:00 Fiche Arrest nr 131.827 van 27 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.827 van 27 mei 2004 in de zaken A. 44.123/XII-
- (I) A. 46.074/XII-
- (II) A. 46.075/XII-
- (III) In zake : I. + II. + III. René STANDAERT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Aerts, kantoor houdende te Gent, Coupure 5 tegen : I. + II. d e GOUVERNEUR VAN DE PROVI N CI E OOST-VLAANDEREN, III. de GEMEENTE WAARSCHOOT. tussenkomende partij : II. + III. Ronny VAN HECKE, wonende te Waarschoot, Dorp 3, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René Standaert op 10 april 1991 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 januari 1991 waarmee de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen het besluit van 20 december 1990 van de gemeenteraad van Waarschoot tot benoeming van verzoeker tot gemeentesecretaris vernietigt (A. 44.123/XII-1048) (I); Gezien het verzoekschrift dat René Standaert op 20 februari 1992 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 december 1991 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij twee besluiten van 31 oktober 1991 van de gemeenteraad van Waarschoot worden vernietigd : enerzijds de opheffing van het besluit van 5 september 1991 van de gemeenteraad tot benoeming van Ronny Van Hecke tot gemeentesecretaris en anderzijds de benoeming van Ronny Van Hecke tot waarnemend gemeentesecretaris (A. 46.074/XII-1050) (II); XII-1048-1/14 Gezien het verzoekschrift dat René Standaert op 20 februari 1992 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 september 1991 van de gemeenteraad van Waarschoot waarbij Ronny Van Hecke tot gemeentesecretaris wordt benoemd (A. 46.075/XII-1049) (III); Gelet op het arrest nr. 37.040 van 22 mei 1991 in de zaak A. 44.123/XII-1048 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 10 juli 1992 in de zaak A. 46.074/XII-1050; Gelet op de beschikking van 14 juli 1992 die de tussenkomst van Ronny Van Hecke in de zaak A. 46.074/XII-1050 toelaat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 14 september 1992 in de zaak A. 46.075/XII-1049; Gelet op de beschikking van 4 november 1992 die de tussenkomst van Ronny Van Hecke in de zaak A. 46.075/XII-1049 toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Lust; Gelet op de beschikking van 10 augustus 1995 tot voeging van de zaken; Gelet op de beschikking van 10 augustus 1995 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2003; XII-1048-2/14 Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 20 januari 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Aerts, die verschijnt voor verzoeker, van adjunct van de directeur B. Heirbrant, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. Devers, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaken. 1.
- Op 8 november 1990 beslist de gemeenteraad van Waarschoot tot de vacantverklaring van de betrekking van gemeentesecretaris, bepaalt de benoe- mingsvoorwaarden en de inhoud van een wervingsexamen. Van de achttien kandidaten slagen er twee in de bekwaamheids- proef : verzoeker met 65 punten (op 100) en Ronny Van Hecke met 71 punten. De gemeenteraad besluit op 20 december 1990 verzoeker te benoemen tot gemeentesecretaris met ingang van 1 januari
- 1.
- Die benoeming wordt bij beslissing van 29 januari 1991 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen vernietigd. Reden hiervoor is dat de benoemde niet in het bezit is van een diploma of getuigschrift uitgereikt na het beëindigen van een volledige cyclus van leergangen administratieve wetenschappen, dat hij evenmin van dit bezit is vrijgesteld, dat hij bijgevolg ten onrechte tot het examen werd toegelaten en dat hij bovendien benoemd werd in strijd met de artikelen 25 en 145 van de gemeentewet. Het vernietigingsbesluit wordt verzoeker betekend met brief van dezelfde dag. XII-1048-3/14 1.
- Verzoeker dient er een “vraag tot willig beroep” tegen in bij een schrijven van 4 februari 1991, dat op 9 februari 1991 herhaald wordt. De gouverneur deelt op 8 februari 1991 mee geen reden te zien om terug te komen op zijn besluit van 29 januari
- 1.
- Ook verzoekers vraag van 12 februari 1991 aan de Gemeenschaps- minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Openbaar Ambt om het besluit van de gouverneur te vernietigen blijft zonder gevolg. De gemeenschapsminister laat met brief van 21 februari 1991 weten zich bij het standpunt van de gouverneur aan te sluiten. 1.
- Tegen de vernietigingsbeslissing van 29 januari 1991 van de gouverneur stelt de gemeente Waarschoot op 26 maart 1991 een beroep bij de Raad van State in (zaak gekend onder A. 44.051/IV-13.371), dat heeft geleid tot het arrest nr. 50.944 van 21 december 1994 houdende toewijzing van de afstand van het geding. Op 10 april 1991 is het verzoeker die tegen die beslissing het eerste voorliggende annulatieberoep indient (A. 44.123/XII-1048). Hij vraagt tevens de schorsing van de tenuitvoerlegging, welke vordering bij arrest nr. 37.040 van 22 mei 1991 verworpen wordt. 1.
- Bij besluit van 5 september 1991 benoemt de gemeenteraad van Waarschoot Ronny Van Hecke tot gemeentesecretaris. De gemeenteraad beslist op 31 oktober 1991 deze benoeming “in te trekken”. Hij voert daartoe “ernstige moeilijkheden en zware financiële gevolgen” aan ingeval de Raad van State de beslissing van 29 januari 1991 van de gouverneur zou vernietigen, hierdoor de benoeming van verzoeker zou herleven en de gemeente aldus twee vastbenoemde gemeentesecretarissen in dienst zou hebben. Aansluitend wordt Ronny Van Hecke benoemd tot waarnemend gemeentesecretaris. 1.
- Beide gemeenteraadsbesluiten van 31 oktober 1991 worden op 23 december 1991 door de gouverneur vernietigd. Hoofdzakelijk wordt overwogen dat een rechtshandeling die rechten toekent niet kan worden ingetrokken wanneer zij regelmatig is. XII-1048-4/14 1.
- Op 20 februari 1992 stelt verzoeker, bij afzonderlijke verzoek- schriften, het tweede en het derde van de voorliggende annulatieberoepen in tegen respectievelijk het vernietigingsbesluit van 23 december 1991 van de gouverneur (A. 46.074/XII-1050) en tegen het gemeenteraadsbesluit van 5 september 1991 (A. 46.075/XII-1049). Op 21 februari 1992 dient ook de gemeente een beroep in bij de Raad van State tegen de beslissing van 23 december 1991 van de provinciegouverneur (zaak gekend onder A. 46.098/IV-13.683) hetgeen leidt tot het arrest nr. 50.947 van 21 december 1994 houdende toewijzing van de afstand van het geding;
- Over de gegrondheid van de beroepen. 2.I. Inzake A. 44.
- 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel betoogt dat alle kandidaturen onmiddellijk na de indiening en na voorlegging van de bewijsstukken zijn onderzocht en getoetst aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden, dat verzoeker werd toegelaten tot het examen, wat meteen inhield dat hij voldeed aan alle toelaatbaar- heidsvoorwaarden, dat na het examen en na de benoemingsbeslissing de kandidatuur van verzoeker opnieuw werd onderzocht en dit keer verworpen, dat die handelwijze de gelijkheid schendt tussen de kandidaten doordat de nieuwe en laattijdige beoordeling beperkt was tot de kandidatuur van verzoeker (eerste onderdeel) en tevens het vertrouwen en de verwachtingen schendt die verzoeker uit de toelating tot deelname aan het examen mocht putten (tweede onderdeel); dat verzoeker daar in zijn memorie van wederantwoord nog aan toevoegt dat zelfs indien het onderzoek in het kader van het algemeen administratief toezicht ook een nieuwe toetsing aan de toelatingsvoorwaarden zou inhouden, het niet aan de gouverneur behoort om zich in de plaats te stellen van de benoemende overheid door aan de toelatings-voorwaarden een andere interpretatie te geven; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat van een schending van de gelijkheid er slechts sprake kan zijn wanneer vergelijkbare gevallen ongelijk of onvergelijkbare gevallen gelijk worden behandeld en wanneer daarvoor geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat in het kader van de uitoefening van het algemeen toezicht door de gouverneur op de benoemings- beslissing van 20 december 1990 de situatie van de benoemde zich fundamenteel XII-1048-5/14 verschillend voordoet van deze van de niet-benoemde kandidaten; dat dienvolgens het feit dat de gouverneur bij de toetsing van verzoekers benoeming niet, ook wat de overige kandidaten betreft, zou hebben nagegaan of zij de gestelde diplomavereisten vervulden, dan ook de gelijkheid tussen verzoeker en die andere kandidaten niet kan hebben geschonden; dat het middelonderdeel niet gegrond is; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat overeenkomstig artikel 5 van het gemeenteraadsbesluit van 5 juli 1990 waarbij het reglement betreffende de voorwaarden tot benoeming in de graden van gemeente- secretaris en gemeenteontvanger wordt vastgesteld, de kandidaten, om aan het examen te mogen deelnemen op de dag van het afsluiten van de inschrijvingen reeds houder moeten zijn van de vereiste diploma's of studiegetuigschriften; dat kan worden verdedigd dat de gemeente, door verzoeker tot het examen toe te laten, erkend heeft dat hij inzake diploma's of getuigschriften voldeed of dat die toelating dan tenminste toch bij verzoeker de indruk heeft gewekt dat de gemeente zulks had erkend; dat echter die toelating niet ook vanwege de toezichthoudende overheid de erkenning inhoudt dat verzoeker aan de diplomavereisten voldoet; dat het feit dat de door het onder toezicht staand bestuur eventueel geschapen verwachtingen rechtsgeldig ook tegen de toezichthoudende overheid zouden kunnen worden ingeroepen, onverenigbaar is met de rechtsfiguur van het bestuurlijke toezicht zelf; dat aan deze vaststelling geen afbreuk wordt gedaan door het enkele feit dat, zoals de verzoeker stelt in zijn inleidend verzoekschrift, “van de toezichthoudende overheid [...] een afvaardiging deel uitmaakte van de examenjury”; dat het middelonderdeel niet gegrond is en bijgevolg het middel in zijn geheel wordt verworpen; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel betoogt dat de benoeming van verzoeker vernietigd wordt omdat hij niet zou hebben voldaan aan de toelaatbaarheidsvereisten, dat het evenwel niet blijkt dat de kandidatuur en de bewijsstukken van de andere in het examen geslaagde kandidaat, Ronny Van Hecke, “ook opnieuw en op gelijke wijze aan een nieuw, weze het laattijdig, onderzoek werd onderworpen” en dat die ongelijke behandeling het gelijkheidsbeginsel schendt; XII-1048-6/14 Overwegende dat, in zoverre het middel al niet samenvalt met het eerste onderdeel van het eerste middel, het minstens zonder feitelijke grond is; dat immers op bladzijde 2 van een administratieve nota van 22 januari 1991 aan de gouverneur, uitdrukkelijk wordt vermeld : “Uit de aanwervingsprocedure resulteerde nochtans een kandidaat, met name de heer Ronny Van Hecke, die wel voldeed aan alle benoemingsvoorwaarden”; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat, door in het bestreden besluit te stellen dat de begrippen “zestig uren publiek, administratief en/of burgerlijk recht” in hun enge betekenis moeten worden opgevat en beoordeeld, de gouverneur aan de door de gemeenteraad op 8 november 1990 vastgestelde toelatingsvoorwaarden een nieuwe en bijkomende voorwaarde toevoegt, en dit dan nog op een ogenblik dat al is overgegaan tot de effectieve benoeming van verzoeker tot gemeentesecretaris, terwijl de gouverneur daartoe niet bevoegd is en bovendien niet alle kandidaten aan deze nieuwe voorwaarde werden onderworpen, hetgeen een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt; Overwegende dat overeenkomstig de artikelen 4 en 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1976 tot vaststelling van de grens van de algemene bepalingen betreffende de voorwaarden tot benoeming in de graden van gemeente- secretaris, adjunct-gemeentesecretaris en gemeenteontvanger, en het artikel 4, b, van het voormelde gemeenteraadsbesluit van 5 juli 1990 betreffende de voorwaarden tot benoeming in de graden van gemeentesecretaris en gemeenteontvanger, de kandidaat onder meer houder moet zijn van een diploma of getuigschrift uitgereikt na het beëindigen van een volledige cyclus van de leergangen van administratieve wetenschappen, met vrijstelling voor de houders van welbepaalde diploma's en voor de houders “van een diploma of getuigschrift, in aanmerking genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 1 in de rijksbesturen, voor zover die bekwaamheidsakte werd uitgereikt na studies die ten minste zestig uren publiek, administratief en/of burgerlijk recht omvatten”; dat niet wordt betwist dat verzoeker geen diploma of getuigschrift na het beëindigen van een volledige cyclus van leergangen administratieve wetenschappen bezit, noch een van de voormelde “welbepaalde” diploma's; dat hij wel houder blijkt van een diploma of getuigschrift dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau 1 in de rijksbesturen, namelijk dat van licentiaat in de lichamelijke opleiding; dat deze bekwaamheidsakte krachtens de voormelde bepaling evenwel alleen toereikend is voor zover zij werd verkregen XII-1048-7/14 na studies die tenminste zestig uur “publiek, administratief en/of burgerlijk recht” omvatten; Overwegende dat, naar de mening van de gouverneur, de door verzoeker ingeroepen bekwaamheidsakte aan het voormelde vereiste niet voldoet; dat, om tot die vaststelling te kunnen komen, de gouverneur zich een opvatting diende te vormen over de betekenis van de woorden “publiek, administratief en/of burgerlijk recht”; dat, daargelaten of die opvatting juist is en of de gouverneur niet eventueel een “nieuwe en bijkomende voorwaarde” heeft gehanteerd, hetgeen bij de bespreking van het vijfde middel wordt onderzocht, kan men het de gouverneur in ieder geval niet euvel duiden dàt hij er zich een opvatting over gevormd heeft; dat zulks betwisten zou inhouden dat hem het recht wordt ontzegd na te gaan of verzoeker aan de diplomavereisten voldoet; dat nochtans de gouverneur daartoe bevoegd is, in het kader van het bestuurlijk toezicht op verzoekers benoeming; Overwegende, wat de ingeroepen schending van het gelijkheids- beginsel betreft, dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel en van het tweede middel; dat dienvolgens het derde middel niet gegrond is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel betoogt dat, wanneer de overheid “het voornemen heeft tegen iemand een maatregel te nemen die hem nadeel berokkent”, zij hem in de gelegenheid moet stellen nuttig zijn standpunt naar voor te brengen en dat, door het benoemingsbesluit onmiddellijk te vernietigen, zonder voorafgaandelijke schorsing of zonder tenminste de verzoeker en/of de gemeente Waarschoot te horen, de gouverneur aldus de gelijkheid schond; Overwegende dat de hoorplicht, begrepen als de verplichting om de belanghebbende vooraf de gelegenheid te bieden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen, slechts wordt aanvaard bij beslissingen waarbij tegen iemand een ernstige maatregel wordt getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten; dat de bestreden beslissing, genomen als toezichtsmaatregel in het kader van het algemeen bestuurlijk toezicht, niet inhoudt dat het persoonlijk gedrag van verzoeker wordt beoordeeld, maar enkel het bezit van diploma's en getuigschriften; dat dienvolgens te dezen geen hoorplicht van toepassing was; XII-1048-8/14 Overwegende voorts, dat verzoeker niet verduidelijkt op welke wijze de gouverneur, door te dezen niet voorafgaandelijk te hebben gebruik gemaakt van zijn schorsingsrecht of door de verzoeker en de gemeente niet te hebben gehoord, de gelijkheid heeft geschonden; dat het middel op dat punt dienvolgens niet ontvankelijk is; Overwegende dat het vierde middel deels ongegrond, deels niet ontvankelijk is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel aanvoert dat de gouverneur in zijn vernietigingsbesluit aangeeft dat de begrippen “zestig uren publiek, administratief en/of burgerlijk recht” in hun enge betekenis moeten worden opgevat, dat nochtans uit “de algemene termen en bewoordingen en uit het alternatieve karakter (en/of) van de opsomming ervan” de bedoeling van de regelgever blijkt van een brede uitlegging en toepassing, dat ook “de toevoeging in 1978 van het tweede lid van artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1976 aan een tekst die voordien alleen de hogere diploma's opsomde waarvoor een min of meer grondige studie van het recht is vereist”, “logischerwijze alleen uiting [geeft] aan de expliciete bedoeling om de vrijstelling van het voorleggen van het getuigschrift van een volledige cyclus administratieve wetenschappen nog uit te breiden tot andere studierichtingen”, dat dienvolgens de gouverneur aan het voormelde koninklijk besluit van 20 juli 1976 een uitleg heeft gegeven in strijd met dat besluit; Overwegende dat blijkens het bestreden vernietigingsbesluit de gouverneur inderdaad van mening is dat de begrippen “publiek, administratief en/of burgerlijk recht” “in hun enge betekenis moeten worden opgevat en beoordeeld”; dat hij zulks als volgt verduidelijkt : “dat met name het burgerlijk recht inhoudt de studie van het burgerlijk wetboek en de belangrijkste bijzondere wetten; dat verder het publiek recht, aangezien dit geplaatst wordt naast het administratief recht, inhoudt de studie van de grondwet en de belangrijkste bijzondere wetten”; dat de uitlating, dat de begrippen “publiek, administratief en/of burgerlijk recht” in enge zin begrepen moeten worden er aldus op neerkomt, volgens de gouverneur, dat de term “burgerlijk recht” niet als “privaat recht” mag opgevat worden en dat de term “publiek recht” de betekenis van “grondwettelijk recht” heeft; Overwegende dat, in verband met het “burgerlijk recht” -zoals doorgaans wordt aangenomen slechts één tak van het privaat recht- de vraag reeds XII-1048-9/14 was gerezen of het met “privaat recht” mocht worden gelijkgesteld, zodat er bijvoorbeeld ook handels- en vennootschapsrecht onder viel; dat volgens de vroegere gouverneur, in een schrijven van 22 juli 1982 aan de minister van Binnenlandse Zaken, zulks niet mocht en het begrip in zijn “traditionele” betekenis diende te worden verstaan; dat de toenmalige minister hem in een brief van 3 september 1982 bijviel, stellende “dat het begrip 'burgerlijk recht' in zijn enge betekenis dient opgevat en beoordeeld. De mogelijke samenhang van het privaat recht [...] met het burgerlijk recht is [...] geen afdoend argument om op dit specifiek domein een gelijkstelling van het privaat recht met het burgerlijk recht te verantwoorden”; dat een dergelijke interpretatie niet strijdig is met het voormelde koninklijk besluit van 20 juli 1976; Overwegende dat voorts de vraag was gerezen hoe de begrippen “publiek, administratief” recht moesten worden begrepen, er rekening mee houdend dat het administratief recht immers als een onderdeel van het publiek recht, -in ruime zin- kan worden beschouwd; dat meer bepaald te dezen diende te worden uitgemaakt of wordt bedoeld dat de studie van het publiek recht enkel de studie van het administratief recht tot voorwerp kon hebben; dat volgens de gouverneur, in de voormelde briefwisseling, bijgetreden door de minister, zulks niet het geval is, maar te dezen onder het “publiek recht” het “grondwettelijk recht” moet worden verstaan gesteld naast of tegenover “administratief recht”; dat een dergelijke interpretatie opnieuw niet strijdig is met het koninklijk besluit van 20 juli 1976; dat dienvolgens de bestreden beslissing geen voorwaarden toevoegde aan deze van het koninklijk besluit van 20 juli 1976 en aan de gemeenteraadsbeslissing van 8 november 1990; dat het middel niet gegrond is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel betoogt dat noch na het gemeenteraadsbesluit van 8 november 1990, noch na het onderzoek van de kandidaturen en de daaropvolgende toelating van de kandidaten tot het examen, de gouverneur in het kader van het algemeen toezicht is opgetreden, dat de gouverneur slechts na de benoemingsbeslissing van mening is dat de begrippen opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli 1976 en het gemeenteraadsbesluit van 8 november 1990 op een enge wijze moeten worden begrepen en dat deze laattijdigheid de redelijkheid te buiten gaat; Overwegende dat het niet blijkt dat de gouverneur eerder moest, of zelfs maar kon zijn opgetreden dan hij deed; dat voorts herhaald weze dat de gouverneur, door te menen dat de termen “publiek, administratief en/of burgerlijk XII-1048-10/14 recht” eng moeten worden geïnterpreteerd, niets blijkt te hebben toegevoegd aan het koninklijk besluit van 20 juli 1976 en aan de gemeenteraadsbeslissing van 8 november 1990, wat reeds in het vijfde middel is vastgesteld; dat het middel niet gegrond is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel aanvoert dat de motivering van het vernietigingsbesluit uitgaat van de als evident voorgestelde noodzaak tot enge interpretatie van artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1976, dat het een uitvloeisel is van de rechtsstaatgedachte dat de door het bestuur uitgevaardigde normen duidelijk moeten zijn geformuleerd, zodat de burger weet waar hij aan toe is, dat de enge interpretatie afwijkt van “de algemene gangbare taalkundige, rechtswetenschappelijke en -pedagogische terminologie”, dat gebrekkige motivering gelijk staat met een ontbrekende motivering, terwijl nochtans een vernietigingsbesluit met redenen omkleed moet zijn krachtens artikel 27 van het decreet van 7 juni 1989 houdende vaststelling, voor het Vlaamse Gewest, van regelen betreffende de organisatie alsook de uitoefening van het administratief toezicht op de gemeenten; Overwegende dat het bestreden besluit ontegenzeggelijk een formele motivering bevat; dat voorts de in deze motivering gehuldigde opvatting dat de begrippen “publiek, administratief en/of burgerlijk recht” “in hun enge betekenis moeten worden opgevat en beoordeeld”, zoals reeds hoger is vastgesteld, in rechte aanvaardbaar is; dat het zevende middel dienvolgens niet gegrond is; 2.I.
- Overwegende dat verzoeker in een achtste middel betoogt dat de gouverneur de hem voorgelegde feiten, documenten, diploma's en attesten verkeerd heeft beoordeeld, minstens onvoldoende de precieze en werkelijke inhoud van de door verzoeker gevolgde lessen heeft onderzocht, dat het attest van 3 december 1990 van de academische overheid aantoont dat verzoeker dertig uren burgerlijk recht heeft gevolgd, aan de hand van een handboek waarin al de belangrijke onderwerpen uit het Burgerlijk Wetboek worden behandeld en dat verzoeker in het kader van de cursus “lichamelijke opleiding en publieke instellingen” dertig uren publiek en administratief recht heeft gevolgd, dat verzoekers voldoende kennis van het recht ten andere blijkt uit het feit dat hij 63 % van de punten behaalde voor het examengedeelte dat overeenkomt met de leerstof van een volledige cyclus administratieve wetenschappen; XII-1048-11/14 Overwegende dat het aan de kandidaten toekomt om er op toe te zien dat hun dossiers, wat de toelatingsvoorwaarden betreft, duidelijke, precieze en volledige gegevens bevatten; dat verzoeker in dat verband, blijkens hetgeen hij stelt in zijn verzoekschrift, door de gemeente met een brief van 3 december 1990 uitdrukkelijk is verzocht ten laatste op 12 december 1990 de stukken voor te leggen die konden bewijzen dat hij de in het geding zijnde toelatingsvoorwaarde vervulde en dat verzoeker daarop enkel geantwoord heeft met een attest van 3 december 1990 van de Katholieke Universiteit Leuven waarin wordt bevestigd dat verzoeker het diploma van licentiaat in de lichamelijke opleiding heeft behaald na studies die “dertig uren inleiding tot het recht” en “dertig uren burgerlijk recht” inhielden; dat in die omstandigheden de gouverneur zich, om na te gaan of verzoeker aan de voor het examen gestelde toelatingsvereisten voldeed, mocht beperken tot het onderzoek van het voormelde attest en hij bezwaarlijk verkeerd kan hebben gehandeld door geen rekening te houden met een attest van professor Van Elslande dat pas op 4 maart 1991, dit is meer dan een maand na de bestreden beslissing, is opgesteld; Overwegende dat volgens de bestreden beslissing geen van de twee in het attest van 3 december 1990 vernoemde cursussen beantwoordt aan wat artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juli 1976 vereist; Overwegende dat verzoeker zijn oorspronkelijke kandidaatstelling bleek te willen steunen op twee attesten die melding maakten van dertig uren “inleiding tot het recht” en dertig uren “burgerlijk recht”; dat alleen degenen die nooit een inleiding tot het recht hebben genoten zouden kunnen denken dat er geen verschil bestaat tussen “publiek, administratief” recht en een “inleiding tot” het recht; dat verzoeker zich echter wel beroept op een vorming in het recht en dienvolgens meteen had kunnen inzien dat dertig uur inleiding tot het recht in elk geval niet gelijkstonden aan dertig uur publiek/administratief recht; dat, ongeacht de beslissing van de gemeente, aldus verzoeker zelf zijn kandidatuur op het vlak van de benoemings- voorwaarden al meteen gebrekkig maakte; dat hij ten onrechte in zijn laatste memorie daaromtrent stelt dat die attesten “voldoende duidelijk” waren; dat, hoe de inschatting door de gouverneur van de dertig uur “burgerlijk recht” ook gebeurde, verzoeker in zijn middel geen grieven aanbrengt tegen de beslissing van de gouverneur betreffende de dertig uur “publiek/administratief” recht; dat de conclusie van de gouverneur, dat verzoekers diploma niet tenminste zestig uur van de beide voormelde studies inhoudt, aldus in elk geval overeind blijft; dat voorts het slagen van verzoeker in het voormelde examen hem niet vrijstelt van de diplomavereisten; XII-1048-12/14 dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden; dat bij gebrek aan enig gegrond middel het beroep in de zaak A. 44.123 moet worden verworpen; 2.II. Inzake A. 46.074 en A. 46.
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat door de verwerping van verzoekers beroep inzake nr. A. 44.123, de beslissing van 29 januari 1991 waarbij de gouverneur vaststelt dat verzoeker niet tot het examen voor het ambt van gemeentesecretaris mocht zijn toegelaten omdat hij niet aan de diplomavereisten voldeed, definitief wordt; dat meteen vaststaat dat verzoeker zelf de benoeming als gemeentesecretaris niet kon verkrijgen; dat hij in die omstandigheden niet van het vereiste belang doet blijken om de nietigverklaring te kunnen vorderen van de benoeming in dat ambt van Ronny Van Hecke of, wat op hetzelfde neerkomt, de annulatie van de intrekking/opheffing van diens benoeming, tenzij indien én in zoverre hij daartoe als middel zou aanvoeren dat ook Ronny Van Hecke niet aan de benoemings- voorwaarden voldeed, wat verzoeker evenwel niet doet; dat verzoeker overigens met de beide besproken beroepen in wezen wilde voorkomen dat de daarmee bestreden beslissingen definitief werden en daardoor het rechtsherstel dat hij met zijn eerste verzoekschrift beoogde in de weg zouden staan; dat de vrees dat beslissingen een volledig rechtsherstel onmogelijk maken vanzelfsprekend vervalt wanneer er, zoals te dezen, ingevolge de verwerping van het eerste beroep, geen reden tot enig rechtsherstel meer blijkt te bestaan; dat dienvolgens verzoeker geen actueel belang meer heeft bij de twee besproken beroepen, BESLUIT: Artikel
- De beroepen worden verworpen. XII-1048-13/14 Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomsten in de zaken A. 46.074 en A. 46.075, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig mei 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1048-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.