← België

Arrest 131938 - - 28/05/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 mei 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.938 Rolnummer: A. 131705/XIV-13426 Zaak: Arrest 131938 - - 28/05/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:01 Fiche Arrest nr 131.938 van 28 mei 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.938 van 28 mei 2004 in de zaak A. 131.705/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. DECRAMER en advocaat J.-M. VANSTAEN, kantoor houdende te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kameroense nationaliteit, op 13 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 augustus 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 december 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 21 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-13.426-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. DU BOIS, die loco advocaat M. DECRAMER en advocaat J.-M. VASTAEN verschijnen voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 18 augustus 2002 en zich vluchteling verklaart op 19 augustus 2002; dat op 27 augustus 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Eyumojok (South West Province) en woonde u sinds 2001 in Limbe. U was daar sinds 1998 lid van de oppositiepartij Social Democratic Front (SDF). U was voor deze partij waarnemer bij de gemeenteraads- en parlementsverkiezingen van 30 juni 2002 in Limbe. Toen u fraude vaststelde en dat aanklaagde, werd u samen met vijf leden van andere oppositiepartijen door acht gendarmes meegenomen met als bestemming de Senior Divisional Officer (de regeringsvertegenwoordiger) van Fako-division. Onderweg werden de vijf anderen echter uit de wagen gezet en u werd alleen naar Douala gevoerd waar u in het gendarmeriekantoor werd opgesloten. U werd er zwaar mishandeld maar nooit ondervraagd. Rond 8 augustus 2002 kwam uw vader u samen met twee SDF-leden in uw cel opzoeken. Het hoofd van het gendarmeriekantoor had met uw vader afgesproken dat hij op 19 augustus terug mocht komen om te bespreken wat ze konden doen. Hij had in zijn verslag de valse beschuldiging genoteerd dat er een stembus in uw huis gevonden was. Op 12 augustus kreeg u van de gendarmes te horen dat u op 17 augustus naar Yaoundé zou worden overgebracht. U gaf te kennen dit niet te willen omdat u uw vader op 19 augustus verwachtte. U vreesde dat ze u wilden executeren. Omstreeks 14 augustus kreeg u de opdracht de omgeving van het kantoor schoon te maken. U maakte van de onoplettendheid van uw bewaker gebruik om te ontsnappen. U nam een bus naar Limbe en ging naar uw vader, die er bij een vriend verbleef met het oog op het organiseren van uw ontsnapping. Op aandringen van uw vader ging u zich bij uw vriend Gabriel in Buea verbergen. Op 18 augustus kwam uw vader u daar opzoeken samen met een gendarmerie-officier en een ander man, die u naar de luchthaven van Douala bracht en er samen met u het vliegtuig naar België nam. Daar kwam u de volgende ochtend aan en vroeg u op 19 augustus 2002 asiel aan. Vage en incoherente verklaringen alsook een gebrek aan kennis omtrent het SDF-gebeuren in de periode van uw vermeende SDF-lidmaatschap en -activiteiten ondergraven de geloofwaardigheid van dit lidmaatschap en deze activiteit, alsook van uw betrokkenheid bij de verkiezingen van juni
  3. Aldus wordt de geloofwaardigheid van de kern van uw asielrelaas aangetast. Zo bleek u niet te weten hoeveel wards er in Limbe (het district waar Motowo deel van uitmaakte) waren of wie de voorzitter van Fako division (de division waar Limbe toe behoorde) was (gehoorverslag commissariaat-generaal, p. 2-3), niettegenstaande u beweerde (p. 2) sinds 1998 in Limbe lid van de SDF te zijn geweest en ‘vaak’ te hebben deelgenomen aan de wekelijkse vergaderingen van de ward Motowo waar u van de SDF lid was (p. 6). Evenmin bleek u te weten dat er in 1999 voorzittersverkiezingen waren en dat daarbij een belangrijke en opgemerkte tegenkandidaat voor John Fru Ndi, Chrétien Tabetsing, in de arena XIV-13.426-2/7 trad (cf. informatie waar het commissariaat-generaal over beschikt en waarvan kopie in het administratief dossier). Hoewel u stelde in Limbe waarnemer te zijn geweest bij de verkiezingen van 30 juni 2002, bleek u niet te weten dat in Limbe de SDF-kandidaat Matute Mbene gedurende de laatste maand vóór de verkiezingsdatum door de Senior Divisional Officer van Fako onverkiesbaar was verklaard (cf. informatie in het administratief dossier): op de vraag wie in Limbe kandidaat was voor de SDF antwoordde u eerst ontwijkend, waarna u stelde dat dit in principe Mbene Matute diende te zijn omdat hij de voorzitter van het district Limbe was (p. 2-3). Uw verklaringen over uw deelname aan de SDF-vergaderingen in Limbe zijn bovendien incoherent: u stelde eerst dat u soms naar de vergaderingen van uw ward ging, waarna u op een vraag naar precisering antwoordde dat u tussen januari en juni 2002 (sinds u naar Limbe was teruggekeerd) naar twee zulke vergaderingen ging en vervolgens verklaarde u dat het om twee vergaderingen op het niveau van het district Limbe ging en dat u aan de wekelijkse vergaderingen in uw ward Motowo ‘vaak’ deelnam (p. 6). Enkele tegenstrijdige verklaringen ondergraven verder de geloofwaardigheid van uw relaas. Tijdens het gehoor voor de dienst Vreemdelingenzaken (cf. gehoorverslag dd. 27 augustus 2002, vraag 42) stelde u dat bij uw overbrenging naar het gendarmeriekantoor van Limbe onderweg de twee afgevaardigden van andere partijen uit de wagen werden gezet, terwijl u voor het commissariaat-generaal verklaarde dat u samen met vijf leden van andere oppositiepartijen werd weggevoerd en dat deze vijf onderweg uit de wagen werden gezet (p. 4). Tijdens dit laatste gehoor zei u ook (p. 4) dat u de dag na uw aankomst in het gendarmeriekantoor van Douala, naar de brigadecommandant werd gebracht en van hem te horen kreeg dat hij toen geen tijd had maar u later zou ondervragen, terwijl u voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u de dag na uw aankomst aldaar naar een andere kamer werd gebracht waar u mishandeld werd, en dat u op de derde dag van uw opsluiting naar de brigadecommandant werd gebracht die u zei dat hij u later zou ontvangen wanneer hij meer tijd had (vraag 42). Het is ook bevreemdend dat u de opdracht kreeg rondom het kantoorgebouw schoon te maken precies op het moment dat uw overbrenging naar Yaoundé nakend was. Bij gebrek aan documenten kunnen uw reisweg en identiteit niet worden nagegaan. Ten slotte noch uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep, noch uw schriftelijk motivatie van dit beroep (aan het commissariaat-generaal overgemaakt door uw raadsman op 26 september 2002) enig ander element dat vemag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.”; 2.1.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing van commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, dd. 24/12/2002 waarbij de beslissing tot weigering van verblijf bevestigd werd, is in strijd met wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Aan de motiveringsplicht die door deze wet wordt opgelegd is niet op een voldoende wijze voldaan. Het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen stelt dat vage en incoherente verklaringen, alsook een gebrek aan kennis omtrent het SDF-gebeuren in de periode van het ‘vermeende’ SDF-lidmaatschap en activiteit de geloofwaardigheid van dit lidmaatschap en deze activiteit ondergraven, alsook de betrokkenheid van verzoeker bij de verkiezingen van juni
  5. Het commissariaat-generaal stelt dat hierdoor de geloofwaardigheid van de kern van het asielrelaas van verzoeker werd aangetast. Het commissariaat-generaal wijst erop dat verzoeker niet weet hoeveel wards er in Limbe waren, niet weet wie de voorzitter van de Fako Division was, niettegenstaande verzoeker beweerde sinds 1998 in Limbe lid was van de SDF te zijn geweest en ‘vaak’ te hebben deelgenomen aan de wekelijkse vergaderingen van de ward Motowo waar verzoeker van de SDF lid was. Verzoeker wijst erop dat hij zich pas in 2001 in Limbe vestigde. Daarenboven stelt verzoeker dat Limbe de grootste stad is in de South West Province met 71.000 inwoners. Dat hij niet het exact aantal wards kent is dan ook niet onbegrijpelijk. Een ward is immers de kleinste eenheid van SDF. Hoeveel er exact zijn weet verzoeker niet, verzoeker kan enkel stellen dat er veel waren. Het feit dat verzoeker vaak heeft deelgenomen aan de wekelijkse vergaderingen van de ward Motowo doet geenszins afbreuk aan de geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker. Op de wekelijkse vergaderingen van de ward Motowo werden enkel zaken besproken m.b.t. de ward zelf. De andere wards kwamen er niet aan bod. XIV-13.426-3/7 Verzoeker kon tijdens zijn interview voor het commissariaat-generaal een perfecte beschrijving geven van een partijkaart van de SDF. Verzoeker begrijpt niet waarom er aan zijn lidmaatschap van de SDF wordt getwijfeld. Het commissariaat-generaal wijst erop dat verzoeker niet wist dat er in 1999 voorzittersverkiezingen waren en dat Chrétien Tabetsing een opgemerkte tegenkandidaat was van John Fru Ndi. Verzoeker wijst erop dat Chrétien Tabetsing hem niet volledig onbekend was. Tijdens het verhoor herinnerde verzoeker deze naam, maar kon hem op het eerste gezicht niet plaatsen. Verzoeker wist dat Chrétien Tabetsing ooit populair was geweest binnen de SDF. Daarenboven wijst verzoeker erop dat Chrétien Tabetsing na 1999 uit het publieke gezichtsveld verdwenen is. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat verzoeker hem niet direct kon plaatsen. De voorzittersverkiezingen dateren immers al van enkele jaren terug. Het commissariaat-generaal stelt het feit dat verzoeker waarnemer was tijdens de verkiezingen in vraag daar hij niet wist dat in Limbe de SDF-kanidaat Matute Mbene gedurende laatste maand voor de verkiezingsdatum door de Senior Divisional Officer van Fako onverkiesbaar was verklaard. Verzoeker wijst erop dat hem nooit werd gevraagd of er zich iets voorgedaan heeft met een SDF-kandidaat in de periode voorafgaandelijk aan de verkiezingen. Het commissariaat- generaal stelt het relaas van verzoeker in vraag zonder hem hierover te ondervragen. Verzoeker ziet niet in hoe het commissariaat-generaal tot deze overweging kon besluiten. Het commissariaat-generaal wijst er tevens op dat de verklaringen van verzoeker over zijn deelname aan de SDF-vergaderingen in Limbe incoherent zijn. Verzoeker wijst erop dat de verklaringen onduidelijk overkwamen omdat verzoeker deelnam aan twee soorten vergaderingen. Enerzijds nam verzoeker op regelmatige basis deel aan de vergaderingen in zijn eigen ward en occasioneel nam verzoeker deel aan vergaderingen op het niveau van het district. Het commissariaat-generaal meent bovendien dat enkele tegenstrijdige verklaringen de geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker ondergraven. Verzoeker wijst erop dat dit verwaarloosbare details betreft, die geenszins de kern van het relaas van verzoeker raken. Verzoeker wijst erop dat zijn verklaringen voor het commissariaat- generaal een correcte weergave van de feiten zijn. Het commissariaat-generaal stelt dat het bevreemdend is dat verzoeker de opdracht kreeg de omgeving rondom het kantoorgebouw schoon te maken op het moment dat de overbrenging van verzoeker naar Yaounde nakend was. Verzoeker meent dat dit helemaal niet bevreemdend is. Iedere gevangene had de verplichting om één dag schoon te maken. Er werd gewerkt met een doorschuifsysteem. Verzoeker werd eveneens in dit systeem ingeschakeld. Zo kreeg verzoeker omstreeks 14 augustus de opdracht de omgeving van het kantoor schoon te maken.”; 2.1.
  6. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit de lezing van het eerste middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij met andere woorden de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het onderdeel van het middel enkel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing in essentie is gesteund op twee motieven, namelijk de vage en incoherente verklaringen van de verzoekende partij met inbegrip van haar gebrek aan kennis omtrent het SDF-gebeuren in de periode van haar XIV-13.426-4/7 vermeende SDF-lidmaatschap, en de tegenstrijdige verklaringen over de incidenten naar aanleiding van haar arrestaties en overbrenging naar de gendarmeriekantoren van Limbe en Douala; dat deze motivering als één geheel dient te worden aanzien zonder dat het vereist is dat ieder element afzonderlijk de bestreden beslissing kan dragen; Overwegende dat uit het verhoorverslag van het commissariaat- generaal blijkt dat de verzoekende partij had verklaard sinds 1998 in Limbe lid van de SDF te zijn geweest en “vaak” deel te hebben genomen aan de wekelijkse vergaderingen van de ward Motowo; dat, gelet op het onderwijsniveau dat de verzoekende partij beweert genoten te hebben en het politieke vertrouwen waarmee het uitoefenen van een waarnemersfunctie bij de verkiezingen normaliter gepaard moest gaan, het voor de commissaris-generaal geenszins onredelijk was vast te stellen dat de verzoekende partij, na ongeveer vier jaar lidmaatschap van de SDF, de namen van Chrétien Tabetsing en S. M. niet concreet in verband kon brengen met de SDF, voorzitter van de vrouwenvleugel van de SDF niet bij naam kon noemen en de belangrijke SDF-figuren op een voorlegde foto niet kon identificeren; dat haar betoog naar luid waarvan zij niet zou weten of er in het jaar 2000 nog andere uitdagers waren van John Fru Ndi omdat zij er zelf toen “niet bij” was, niet overtuigt, nu zij wel in staat was de gebeurtenissen van vóór haar lidmaatschap van SDF aan te halen, namelijk de conventie van een nieuwe voorzitter in 1997; Overwegende dat de verzoekende partij de door de commissaris- generaal vastgestelde tegenstrijdigheden in haar verklaringen slechts op algemene wijze minimaliseert, zonder er in concreto op in te gaan, laat staan ze te weerleggen; Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, heeft genomen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “De beslissing van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is in strijd met art. 3 E.V.R.M. Krachtens art. 3 E.V.R.M. mag niemand worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Door deze beslissing krijgt verzoeker het bevel het grondgebied te verlaten. Verzoeker beschikt niet over de nodige documenten om naar een derde land te reizen. Het verlaten van het Belgische grondgebied staat voor verzoeker gelijk met een terugkeer naar Kameroen. Indien verzoeker teruggewezen zou worden naar Kameroen, het land waar verzoeker gezocht wordt, zal dit een zodanige psychologische ontreddering teweegbrengen bij verzoeker. Een gedwongen terugkeer zal in dit geval overeenstemmen met een behandeling die door art. 3 E.V.R.M. verboden is. XIV-13.426-5/7 Daarenboven zal verzoeker, bij een gedwongen terugkeer naar Kameroen, gedwongen worden te leven in een constante angst. Verzoeker weet dat hij gezocht wordt. De regering is immers op de hoogte van het feit dat hij getuige was van fraude. In het verleden werden andere personen om dezelfde reden vermoord of voor lange tijd opgesloten.”; 2.2.
  8. Overwegende, dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige uitdrukking van een vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M. en dat de verzoekende partij enkel verwijst naar het feit dat zij niet over de nodige documenten zou beschikken om naar een derde land te reizen of dat een terugkeer naar Kameroen een psychologische ontreddering bij haar zou teweegbrengen; dat niet kan worden ingezien hoe de commissaris-generaal artikel 3 van het E.V.R.M. zou hebben geschonden enkel en alleen omdat de verzoekende partij niet over de nodige documenten zou beschikken om naar een derde land te reizen; de asielaanvraag met de bestreden beslissing bedrieglijk is bevonden en dat haar grieven daartegen blijkens de bespreking van het eerste middel ongegrond zijn zodat de verzoekende partij zich niet meer op haar asielrelaas kan steunen; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt; dat het tweede middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.426-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig mei tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.426-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.