← België

Arrest 131948 - - 01/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.948 Rolnummer: A. 53496/IX-400 Zaak: Arrest 131948 - - 01/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-04 07:01 Fiche Arrest nr 131.948 van 1 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.948 van 1 juni 2004 in de zaak A. 53.496/IX-

  1. In zake : Willy GILIS, die woonplaats kiest bij advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), die woonplaats kiest bij advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy GILIS op 25 augustus 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen van 7 december 1992 waarbij hem de aanschrijving “zeer goed” wordt onthouden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 9 januari 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-400-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat; Gelet op de beschikking van 24 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die loco advocaat W. VAN DER GUCHT verschijnt voor verzoeker, en van advocaat V. PETITAT, die loco advocaat bij het Hof van Cassatie Ph. GERARD verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Op 18 augustus 1992 stelt verzoekers onmiddellijke chef voor om hem de aanschrijving “zeer goed” te geven voor het eerste semester
  5. Ook de tweede beoordelaar gaat akkoord met dit voorstel. 1.
  6. Op 7 december 1992 beslist de gedelegeerd bestuurder evenwel slechts de aanschrijving “goed” toe te kennen. Die beslissing is als volgt gemotiveerd : “De aanschrijving ‘zeer goed’ wordt niet toegekend; de verdienste en IX-400-2/5 de geschiktheid van betrokkene beantwoorden niet aan de in het bericht 4 P/1959 voorziene criteria”. 1.
  7. Die beslissing wordt op 4 maart 1993 aan verzoeker meegedeeld. Op 8 maart 1993 dient hij er bezwaar tegen in. 1.
  8. Klaarblijkelijk heeft de verwerende partij zich nog niet uitdrukkelijk uitgesproken over zijn bezwaarschrift.
  9. Over de ontvankelijkheid van het verzoekschrift. 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij opmerkt dat verzoekers annulatieberoep gericht is tegen een beslissing die niet het vereiste definitieve karakter heeft en derhalve niet ontvankelijk is; dat zij uiteenzet dat verzoeker gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de door hem bestreden beslissing overeenkomstig artikel 3, vierde lid , van hoofdstuk IV van het statuut van het personeel van de NMBS en dat er over dat bezwaar nog niet werd beslist zodat de beslissing van de gedelegeerd bestuurder nog niet definitief is; dat verzoeker de procedure van artikel 14, § 3, (huidige versie) van de gecoöördineerde wetten op de Raad van State niet heeft toegepast; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker, anticiperend in zijn verzoekschrift en later ook in zijn memorie van wederantwoord, betoogt dat de aanschrijving definitief is geworden op 15 juli 1993; dat hij er mocht van uitgaan dat zijn bezwaar, dat hij op 8 maart 1993 indiende, op die datum impliciet maar zeker verworpen was aangezien volgens artikel 3, (vijfde) lid, van hoofdstuk IV van het statuut van het personeel van de NMBS het bezwaar tegen een aanschrijving niet meer wordt aangenomen vijftien dagen na het verstrijken van het semester waarin de bestreden aanschrijving werd vastgesteld of bevestigd; dat zijn verzoekschrift dan ook gericht is tegen een definitieve beslissing in verband met zijn aanschrijving, beslissing die hij dateert op 15 juli 1993, zodat zijn verzoekschrift dat werd ingediend op 25 augustus 1993 dan ook tijdig is; dat hij in zijn laatste memorie nog omstandig uiteenzet dat binnen de IX-400-3/5 diensten van de verwerende partij het voornoemde artikel 3 steeds op die wijze is geïnterpreteerd; 2.
  12. Overwegende dat artikel 3 van hoofdstuk IV van het statuut van het personeel van de NMBS als volgt luidt : “De bediende behoort elk voorstel tot toekenning of wijziging van aanschrijving te viseren. Hij krijgt kennis van elke beslissing die met dit voorstel niet overeenkomt en van de redenen van dergelijke beslissing. Hij heeft het recht kennis te nemen van al de stukken welke zijn aanschrijving betreffen. Bij bezwaar mag hij zich laten bijstaan door een in dienst zijnd lid van het personeel of door een afgevaardigde van een erkende organisatie (hoofdstuk XIII). Elke klacht inzake aanschrijving moet worden ingediend op de wijze voorgeschreven voor de bezwaren en aanvragen in het algemeen. Ze wordt niet meer aangenomen na verloop van een termijn van 15 dagen na het semester waarin de betwiste aanschrijving werd vastgesteld of bevestigd. (...)”; dat verzoeker onmiskenbaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar in te dienen; dat uit het genoemde artikel 3, vijfde lid, alleen blijkt dat, om ontvankelijk te zijn, dergelijk bezwaar moet worden ingediend binnen de termijn van vijftien dagen na het semester waarin de betwiste aanschrijving werd vastgesteld of bevestigd; dat de interpretatie van verzoeker, zelfs al blijkt de verwerende partij ook in die zin te hebben geïnterpreteerd en gehandeld, geen afbreuk vermag te doen aan de tekst zelf die aan duidelijkheid helemaal niets te wensen overlaat; dat, ofschoon in die bepaling niet voorzien is in een termijn waarbinnen over het ingediende bezwaar moet worden beslist, de verwerende partij terecht opmerkt dat verzoeker in voorkomend geval een beroep had kunnen doen op artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat verzoekers beroep derhalve gericht is tegen een beslissing die ingevolge zijn bezwaar nog geen definitief karakter heeft gekregen en derhalve niet ontvankelijk is, IX-400-4/5 BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-400-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.