id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.966 Rolnummer: A. 136813/XII-3866 Zaak: Arrest 131966 - - 01/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-07 Raadplegingen: 181 - laatst gezien 2026-07-04 19:08 Fiche Arrest nr 131.966 van 1 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.966 van 1 juni 2004 in de zaak A. 136.813/XII-3866. In zake : de BVBA PLAYWORLD, die woonplaats kiest bij advocaat I. Lietaer, kantoor houdende te Kortrijk, President Rooseveltplein 1 tegen : de STAD KORTRIJK, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8 b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat BVBA Playworld op 17 mei 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 maart 2003 van de gemeenteraad van Kortrijk waarbij geweigerd wordt met haar een convenant te sluiten voor de uitbating van een kansspelinrichting klasse II op het adres Doorniksestraat 44 te Kortrijk; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 april 2004; XII-3866-1/15 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Lietaer, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat verzoekster een speelautomatenhal exploiteert te Kortrijk, Doorniksestraat 44; dat de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de uitbating van een kansspelin- richting klasse II of speelautomatenhal onderwerpt aan een voorafgaandelijk door de kansspelcommissie uit te reiken schriftelijke vergunning klasse B en bepaalt dat zij moet gebeuren krachtens een convenant met de gemeente; dat verzoekster met brief van 24 januari 2001 aan de verwerende partij vraagt een convenant te sluiten; Overwegende dat op 22 januari 2001 de gemeenteraad van Kortrijk in het algemeen beslist “geen convenanten af te sluiten betreffende uitbating van kansspelinrichtingen klasse II”; dat de gemeenteraad de beslissing op 10 december 2001 intrekt om reden dat de wettige uitoefening van de gemeentelijke appreciatiebevoegdheid vereist dat in elk geval afzonderlijk een besluit wordt genomen, rekening houdend met de aan de aanvraag eigen zijnde gegevens; dat op 15 april 2002 de gemeenteraad besluit geen convenant met verzoekster te sluiten aangezien de voorgestelde locatie “een 'maatschappelijk ongeschikte plaats'” is en onverenigbaar met artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999; dat de beslissing door de Raad van State eerst wordt geschorst, bij arrest nr. 113.806 van 17 december 2002, omdat “het onderzoek van de verwerende partij naar de eventuele nabijheid van de in artikel 36, 4, bedoelde inrichtingen en plaatsen, ertoe beperkt is gebleven na te gaan of er al dan niet zulke inrichtingen en plaatsen binnen een vooropgestelde straal van 500 meer rond XII-3866-2/15 de inplantingsplaats van verzoekster gelegen waren”, en nadien bij arrest nr. 122.463 van 2 september 2003 wordt vernietigd; Overwegende dat op 10 maart 2003 de gemeenteraad opnieuw beslist geen convenant met verzoekster te sluiten omdat “de voorgestelde locatie van de kansspelinrichting onverenigbaar is met de voorschriften van eerder vernoemd artikel 36, 4 van de Kansspelwet” en “een ‘maatschappelijk ongeschikte plaats’ is”; dat inzonderheid wordt gemotiveerd wat volgt : “Overwegende nu dat de voorgestelde locatie pal in het centrum van Kortrijk gelegen is, op minder dan 200 meter van de Grote Markt en langsheen een zeer belangrijke toegangsweg naar het centrum; Overwegende dat in de voorgestelde locatie zelf reeds een lunapark aanwezig is, dat vooral bezocht wordt door jongeren; dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren; Overwegende dat zich tegenover de voorgestelde locatie aan de overkant van de straat en in het gezichtsveld ervan, op minder dan 30 meter, de Vlasmarkt bevindt, met een aantal uitgaansgelegenheden voor jongeren, zijnde : de jongerencafés 't Geniep, De Zunne, De Loggio en een nieuw café in aanbouw en verder frituur De Vlasmarkt en een nachtrestaurant (naast club Maxim); dat een aantal van deze uitgangsgelegenheden voor jongeren zelfs vermeld zijn in de 'Stadsgids voor Studenten-West-Vlaanderen 2002-2003' (blz. 92-94 - De Zunne, 't Geniep, De Vlasmarkt); dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren; Overwegende dat de voorgestelde locatie zich op minder dan 200 meter (loopafstand) of minder dan 130 meter (rechte lijn) situeert van de Burgemeester Reynaertstraat zijnde de uitgangsstraat bij uitstek voor jongeren, met navolgende jongerencafés : De Stradivarius, De Sens Unique, De Bugatti's, De Geverfde Vogel, Den Trap, Den Brass en navolgende eetgelegenheden : frituur Thelma en Louise, Pitta Istanbul; dat een aantal van deze uitgaansgelegenheden voor jongeren in deze straat evenzeer vermeld is in de 'Stadsgids voor Studenten - West-Vlaanderen 2002-2003' (blz. 92-94 - De Sens Unique, Den Trap, Den Brass, De Bugatti's, frituur Thelma en Louise en Pitta Istanbul), dat er regelmatig grote concentraties zijn van jongeren in deze straat, wat bewezen wordt aan de hand van het voorgelegde fotomateriaal en aan de hand van het gegeven dat er voor deze straat een stewardproject (F.O.X project) werd opgezet in uitvoering van de convenant tussen Stad - politie - horeca omtrent het leefklimaat van de buurt Burgemeester Reynaertstraat als woonomgeving en uitgangskwartier; dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren; Overwegende dat de voorgestelde locatie zich op minder dan 200 meter (rechte lijn) van het Stationsplein (met aansluitend de stelplaatsen van de Lijn) situeert; dat het station zich op ongeveer 50 meter situeert van het laatste pand XII-3866-3/15 in de Burgemeester Reynaertstraat; dat zeker gedurende het schooljaar het station (met stelplaatsen Lijnbussen) een plaats is die overwegend door heel veel jongeren wordt bezocht, met name vooral die jongeren die vanuit de wijde regio zich met de trein verplaatsen naar Kortrijk, teneinde er les te volgen in de talrijke onderwijsinstellingen (Katholieke Universiteit Leuven, Campus Kortrijk, Katholieke Hogeschool Zuid-West-Vlaanderen, Hogeschool West-Vlaanderen en vele andere); dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren; Overwegende dat de voorgestelde locatie zich op minder dan 150 meter (loopafstand) situeert van het bijgebouw van de stedelijke Academie en op minder dan 500 meter (rechte lijn) van het hoofdgebouw van de stedelijke Academie; dat er in het schooljaar 2001-2002 1138 leerlingen ingeschreven waren aan de stedelijke Academie, waarvan 691 jeugdigen tot 18 jaar cursus volgden in deze twee gebouwen (verder waren er ook nog een aantal jeugdigen ingeschreven in de bijgebouwen van de randgemeenten.); dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren; Overwegende dat de voorgestelde locatie zich situeert in de nabijheid van een aantal plaatsen waar erediensten worden gehouden, namelijk Sint-Maarten (op circa 250 meter, in rechte lijn), Sint-Michiel (OLV van Groeninge) (op circa 450 meter, in rechte lijn), O.L.Vrouw (op circa 400 meter, in rechte lijn); dat aansluitend bij de kerk van Sint-Michiel de Sint-Michielsbeweging zich situeert die zich blijkens haar eigen brochure vooral op jongeren richt ('Ja, ze bewegen, die vele jongeren waarvoor de Sint-Michielsbeweging een boontje heeft'); dat de beweging zich, blijkens haar brochure, richt tot specifieke doelgroepen ('We ontmoeten : veel verslaafden (drugs-, alcohol-, gokverslaafden)...'); dat de locatie van deze beweging duidelijk dus een kwetsbare inrichting is; dat deze overweging op zich volstaat om het sluiten van de gevraagde convenant te weigeren”; 2. Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zich slechts zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is; XII-3866-4/15 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4. Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoekster zes middelen aanvoert; Overwegende dat volgens het eerste onderdeel van het eerste middel de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft overschreden door de zogenaamde “nabijheidsregel” te hebben beoordeeld en toegepast, en door aldus de bevoegdheid van de kansspelcommissie te hebben geüsurpeerd; dat wordt toegelicht dat een lokaal bestuur dat een bevoegdheid heeft overeenkomstig artikel 34 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, in het kader hiervan geen criteria vermeld in artikel 36 van de wet kan inroepen, ook niet het criterium van artikel 36, 4; Overwegende dat in het tweede tot en met vierde onderdeel van het eerste middel ondeugdelijkheid van de motieven wordt aangevoerd; dat het tweede onderdeel zich richt tegen de motieven in verband met de nabijheid van de academiegebouwen, de plaatsen waar erediensten worden gehouden, de Vlasmarkt en de Burgemeester Reynaertstraat; dat in essentie wordt betoogd dat wanneer een lokaal bestuur meent het “nabijheidscriterium” bij de beoordeling van de aanvraag van een convenant te moeten betrekken, “het niet [volstaat] om bepaalde plaatsen die plaatsen zouden zijn in de zin van art. 36.4 van de kansspelwet op te sommen”, dat nader en concreet moet worden aangegeven “waarom een kansspelinrichting klasse II zich dan wel in de ‘nabijheid’ van de kansspelwet zou bevinden van (een) bepaalde plaats(
- en)in de zin van art. 36.4 van de kansspelwet”, dat te dezen de bestreden beslissing niets vermeldt over de aantrekkingskracht en de invloedssfeer van verzoeksters inrichting ten opzichte van de vermelde plaatsen, en dat die plaatsen ten XII-3866-5/15 onrechte als nabij worden beschouwd aangezien “uit de voorbereidende werken van de kansspelwet blijkt dat spelers een zekere inspanning moeten doen om naar een amusementshall te gaan, wat in casu het geval is”; Overwegende dat verzoekster in het derde onderdeel van het eerste middel tegen de motieven van de bestreden beslissing nog inbrengt dat het stationsplein, het spoorwegstation te Kortrijk en de stelplaatsen van de Lijn geen plaatsen zijn in de zin van artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, en dat de ligging van haar inrichting in het centrum en langs een toegangsweg naar het centrum, noch de aanwezigheid van een lunapark “in de voorgestelde locatie zelf” de weigering van een convenant kunnen verantwoorden; Overwegende dat in het vierde onderdeel van het eerste middel verzoekster stelt dat de feitelijke gegevens waarop de overheid zich steunt, materieel juist moeten zijn, en rechtens en in redelijkheid aanvoerbaar; dat zij meent dat er van een en ander geen bewijs of nadere motivering is en dat zelfs het tegendeel blijkt uit de eerste gemeenteraadsbeslissing tot weigering van een convenant, uit een motie van 8 september 2000 van de gemeenteraad en uit de vaststelling “dat de bestreden beslissing de derde weigeringsbeslissing is, nadat de twee vorige wegens onwettigheid werd[en] ingetrokken”; Overwegende dat in het eerste onderdeel van het tweede middel het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel geschonden worden genoemd, doordat de toepassing van het “nabijheidscriterium” er toe leidt “dat men niet inziet voor welke locatie er dan nog wel een convenant zou kunnen worden verleend te Kortrijk- centrum” en doordat er “duidelijk sprake [is] van een poging om via herhaalde weigeringen van een convenant op basis van een - onwettige - toepassing of interpretatie van het zgn. ‘nabijheidsbeginsel’ in te gaan tegen de wil van de wetgever”; Overwegende dat volgens het tweede onderdeel van het tweede middel de verwerende partij niet zorgvuldig tewerk is gegaan bij het verzamelen van de nuttige feitelijke gegevens en de evaluatie ervan; dat ter toelichting wordt vermeld XII-3866-6/15 dat de nota van 7 maart 2003 van verzoekster “blijkbaar niet [bestond] in de ogen van de stellers van de bestreden beslissing” en dat niet nauwgezet is nagegaan “wat de concrete en beweerde aantrekkingskracht is van het lunapark op de omgeving”; Overwegende dat in het derde middel verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is, dat de vereiste van afdoende motivering des te meer gold omdat de gemeenteraad over diverse mogelijkheden beschikte, “inzonderheid om de inhoud van dit convenant in te vullen”, en omdat de stad verzoekster nooit had belemmerd bij de uitbating van haar lunapark, maar integendeel bouw-, milieu en nachtvergunningen had uitgereikt; dat zij ook nog poneert dat uit de bestreden beslissing in het geheel niet kan worden opgemaakt dat rekening is gehouden met de inhoud van verzoeksters nota van 7 maart 2003, en dat haar aanvraag eenzijdig is bekeken en behandeld; Overwegende dat het vierde middel de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel doet gelden “gelet op de rechtmatige verwachtingen van verzoekster, ondermeer op basis van haar exploitatievergunning”; dat verzoekster uiteenzet dat de beginselen zich ertegen verzetten dat de overheid eerdere exploitatietoelatingen “opnieuw in vraag kan stellen zonder dat daar concrete redenen voor worden opgegeven, of dat nieuwe rechtsregels haar daartoe dwingen”, dat te dezen de inwerkingtreding van de nieuwe kansspelwetgeving het stadsbestuur niet noopte tot een wijziging van haar standpunt, dat de bestreden beslissing zelfs niet in enige, laat staan een redelijke, overgangsperiode voorziet; Overwegende dat het vijfde middel bekritiseert dat de bestreden beslissing op korte termijn het ongestoord genot van de lopende vergunningen, de handelszaak en de handelshuur van verzoekster beëindigt en aldus artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden schendt, evenals artikel 16 van de Grondwet; Overwegende dat verzoekster in het eerste onderdeel van het zesde middel betuigt dat niet aan de vereisten van het proportionaliteitsbeginsel en het XII-3866-7/15 gelijkheidsbeginsel is voldaan omdat “er evengoed minder ingrijpende beslissingen dan een complete weigering om kansspelconvenanten af te sluiten voorhanden wa[ren], zoals het afsluiten van een kansspelconvenant met zeer stringente voorwaarden” en omdat het zeer beperkte voordeel dat de maatregel misschien kan opleveren buiten elke verhouding staat tot de kolossale impact op verzoeksters inrichting; dat verzoekster in die omstandigheden ook het principe van de vrijheid van handel en nijverheid geschonden acht, aangezien de vrijheid alleen kan worden beperkt indien daartoe een noodzaak bestaat en indien de beperking evenredig is met het nagestreefde doel; Overwegende dat, op dit eerste onderdeel voortbouwend, verzoekster de bestreden beslissing in het tweede onderdeel van het zesde middel verwijt niet te motiveren “waarom geen alternatief werd overwogen van een weigering van een convenant, zoals het nader laten onderzoeken van de aanvraag, doch vooral het beperken qua voorwaarden, ontbindende voorwaarde of termijn van een convenant”; 5. Overwegende dat verzoekster in de eerste plaats de bevoegdheid van de verwerende partij betwist “om te oordelen of een kansspelinrichting klasse II zich al dan niet in de nabijheid bevindt van de plaatsen waarvan sprake in art. 36.4 van de kansspelwet”; Overwegende dat artikel 36 van de wet van 7 mei 1999 de voorwaarden bepaalt waaronder een vergunning klasse B verkregen kan worden; dat aldus naar luid van artikel 36, 4, de aanvrager “ervoor [moet] zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen”; dat artikel 35, eerste lid, aan de kansspelcommissie opdraagt na te gaan of de aanvrager aan de voorwaarden voldoet; dat dit op het eerste gezicht niet de gemeenten belet, bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid die het artikel 34, derde lid, hen toemeet om al dan niet met de aanvrager een convenant te sluiten en die onder meer betrekking heeft op de XII-3866-8/15 vestigingsplaats van de kansspelinrichting, zelf ook rekening te houden met de nabijheid van de in artikel 36, 4, bedoelde instellingen en plaatsen; dat dit des te minder het geval lijkt gelet op de parlementaire voorbereiding van de wet, waaruit vooralsnog wordt opgemaakt dat de wetgever juist bewust ervoor gekozen heeft om de betrokken “nabijheid” niet zelf nader te preciseren, maar zulks aan onder andere de gemeenten over te laten, weliswaar onder controle van de rechter (Parl. St. Senaat, 1998-1999, nr. 1-419/17, pp. 139 en 140; Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, pp. 55 en 56); Overwegende dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ernstig is; 6.1. Overwegende, wat de zorgvuldigheid betreft waarmee de bestreden beslissing tot stand is gekomen, evenals de formele en inhoudelijke merites van de motivering ervan, dat de voorwaarde van het artikel 36, 4, er toe strekt te vermijden dat scholieren, jongeren en gedetineerden die de gevangenis mogen verlaten ertoe worden aangezet om een speelautomatenhal te bezoeken of dat een frivole omgeving wordt gecreëerd in de buurt van ziekenhuizen en plaatsen waar erediensten worden gehouden; dat de betrokken “nabijheid” op het eerste gezicht relatief is; dat dan ook de kwalificatie als “nabij”, om wettig te zijn, een onderzoek en afweging van de concrete omstandigheden en gegevens lijkt te vergen; dat, op het eerste gezicht, een en ander gereflecteerd moet worden in de formele motivering van de beslissing die op deze prohibitieve nabijheid steunt; 6.2. Overwegende dat van zes motieven waarom verzoeksters kansspelinrichting niet in overeenstemming zou zijn met artikel 36, 4 van de wet van 7 mei 1999 en een maatschappelijk ongeschikte ligging zou hebben, de gemeenteraad in de bestreden beslissing expliciet doet gelden dat zij “op zich” volstaan om het sluiten van het gevraagde convenant te weigeren; dat het volgens verzoekster om “niet meer dan een stijlformule” gaat; dat zij meent dat er geen aanwijzing voor is “dat elk van deze zes weigeringsmotieven inderdaad ‘de deur dicht doet’ voor het sluiten van welkdanig convenant ook voor de door de verzoekende partij te Kortrijk voorgestelde locatie” en dat “ook indien de Raad van State van oordeel mocht zijn dat bepaalde XII-3866-9/15 weigeringsgronden in de bestreden beslissing niet onwettig zijn [...] de schorsing van de tenuitvoerlegging zich dan nog opdringt”, “nu het helemaal niet duidelijk is of de beslissing op dezelfde wijze zou zijn genomen indien deze bekritiseerde plaatsen niet in aanmerking zouden zijn genomen, en het ook duidelijk is dat de Raad van State zich niet in de plaats van het actief bestuur kan stellen”; Overwegende dat de bestreden beslissing op niet mis te verstane wijze doet kennen dat ieder van de zes bedoelde motieven decisief is geweest; dat het klaarblijkelijk om een weloverwogen en vastberaden keuze gaat; dat daarom in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat net door aan die manifeste wilsuiting voorbij te gaan, de Raad zich in de plaats van de verwerende partij zou stellen; dat dan ook de bestreden beslissing vooralsnog geacht mag worden op genoegzame grond te steunen indien tenminste één van die zes motieven een eerste wettigheidstoetsing kan doorstaan; 6.3. Overwegende dat een van de motieven die volgens de bestreden beslissing op zichzelf de weigering van een convenant kan verantwoorden, de nabijheid is van de Burgemeester Reynaertstraat, “zijnde de uitgangsstraat bij uitstek voor jongeren”, met daarin onder meer de cafés De Stradivarius, De Sens Unique, De Bugatti’s, De Geverfde Vogel en Den Trap; dat de beslissing ter nadere motivering argumenteert dat de straat gelegen is “op minder dan 200 meter (loopafstand)” en, voor het bewijs dat het om jongerencafés gaat, verwijst naar de bladzijden 92 en 94 van een “Stadsgids voor studenten”; dat een en ander er op lijkt te wijzen dat het motief wel degelijk op een in-concreto-onderzoek en -afweging gesteund is; Overwegende, voorts, dat verzoekster noch de opgegeven afstand betwist, noch betwist dat de cafés plaatsen zijn als bedoeld in het meer vermelde artikel 36, 4, te weten: plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht; dat zij wel van mening is dat niet op grond van die afstand alleen tot de prohibitieve nabijheid kan worden besloten; dat zij meer bepaald de verwerende partij had willen zien uitweiden “over de aantrekkingskracht en de invloedssfeer in casu en in concreto van de kansspelinrichting van de verzoekende partij”; dat dit op het eerste gezicht ten onrechte XII-3866-10/15 is; dat, zoals reeds gezegd, het nabijheidsverbod direct verband houdt met de betrachting om onder anderen jongeren te behoeden voor de verleiding dat zij een speelautomatenhal opzoeken wegens haar nabijheid - met andere woorden, omdat zij de inrichting niet ver verwijderd weten of omdat het maar een minimale inspanning vergt om ze te bereiken; dat aldus de concrete beoordeling van de meer vernoemde nabijheid ipso facto de aantrekkingskracht van de kansspelinrichting, en van de inspanning om er te geraken, betreft en lijkt in te sluiten; Overwegende dat op het eerste gezicht de aantrekkingskracht van een kansspelinrichting wegens haar nabijheid niet zomaar en zonder meer samenvalt met de aantrekkingskracht wegens haar aankleding; dat, weliswaar, naast de nabijheid ook het al dan niet “opzichtig” uitzicht van de inrichting een rol kan spelen met betrekking tot haar aantrekkingskracht; dat juist over de aantrekkingskracht vanwege dat uitzicht, en alleen daarover, de passus gaat die verzoekster uit het arrest van de Raad van State nr. 109.401, van 16 juli 2002, inroept; dat evenwel de gebeurlijke afwezigheid van een opvallend uitzicht als zodanig niet lijkt te beletten dat de kansspelinrichting rechtmatig geacht kan worden een te grote verlokking voor jongeren in te houden, wegens haar vestiging in de nabijheid van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, waardoor het ze maar een geringe moeite kost om zich er naar toe te begeven; Overwegende dat in de huidige stand van de procedure ook de eventuele waarborgen die in de voorwaarden van het convenant tussen de gemeente en de uitbater zijn, of tenminste konden worden, opgenomen ten behoeve van de jongeren, niet kunnen meebrengen dat de afstandsvereiste van het artikel 36, 4, dient te worden voorbijgezien; dat verzoekster wel mag vinden dat “het afsluiten van een kansspelconvenant met zeer stringente voorwaarden qua openingsuren, -dagen, controle e.d.m.” voldoende tegen de vereiste kan opwegen en er een valabel alternatief voor is, maar dit rechtens niet relevant lijkt; dat de wetgever er nu eenmaal een andere mening op na hield; XII-3866-11/15 6.4. Overwegende dat het op het eerste gezicht niet de grenzen van de redelijkheid te buiten lijkt te gaan door van een kansspelinrichting, die op een loopafstand van minder dan 200 meter is gelegen van diverse jongerencafés, aan te nemen dat zij in hun “nabijheid”, als bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999, is gelegen; dat verzoekster tegen die beoordeling tevergeefs inbrengt dat er dan blijkbaar geen enkele locatie in het centrum van Kortrijk aan de voorwaarden voor het sluiten van een convenant kan voldoen; dat, daargelaten de feitelijke juistheid hiervan, verzoekster er blijkbaar van uitgaat dat een kansspelinrichting in het centrum mogelijk moet zijn; dat de Raad van State geen dergelijk voorschrift bekend is; dat er daarentegen wel een wetsvoorschrift bestaat dat kansspelinrichtingen in de buurt van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, verbiedt; dat verzoekster terecht van mening is dat die nabijheid in het licht van de concrete omstandigheden van elke zaak moet worden beoordeeld, maar dan weer niet meer gevolgd kan worden waar zij daaruit a priori lijkt te concluderen dat een kansspelinrichting in het centrum van de stad per se moet kunnen, op straffe van het redelijkheidsbeginsel te schenden; dat trouwens de enkele omstandigheid dat, beweerdelijk, de verwerende partij zonder onredelijk te zijn de besproken jongerencafés ook als niet-nabij had kunnen beschou- wen en een convenant had kunnen sluiten met betrekking tot een kansspelinrichting in het centrum van de stad, niet meebrengt dat, nu de verwerende partij dat niet gedaan heeft, zij van de weeromstuit geacht moet worden ónredelijk te hebben gehandeld; dat discretionaire beoordelingsbevoegdheid nu eenmaal per definitie de mogelijkheid insluit van verschillende oplossingen die elk als redelijk kunnen voorkomen; 6.5. Overwegende dat, in zoverre verzoekster de tegenstrijdigheid doet gelden tussen de motieven van de bestreden weigering en de gemeenteraadsbesluiten van 22 januari 2001 en 15 april 2002, voorlopig wordt vastgesteld dat die laatste besluiten retroactief uit het rechtsverkeer zijn gehaald, zodat ze geacht moeten worden niet te hebben bestaan; dat zij bovendien zijn ingetrokken of vernietigd omdat ze niet genoegzaam op een in-concreto-onderzoek van verzoeksters aanvraag steunden; dat, naar hierboven is gebleken, die kritiek op het eerste gezicht niet kan gelden voor de bestreden beslissing; dat, waar verzoekster de verwerende partij verwijt een “negatieve ingesteldheid” ten opzichte van de vestiging van een kansspelinrichting klasse II op XII-3866-12/15 haar grondgebied te hebben, zij niet ver bezijden de waarheid lijkt te zitten; dat zulks reeds uit de motie van 8 september 2000 van de gemeenteraad (artikel 1) kan worden opgemaakt; dat het echter hoe dan ook niet op een principiële afwijzing van elke dergelijke inrichting (“de ‘nuloptie’”) is dat de bestreden beslissing gebaseerd werd; dat integendeel de verwerende partij voor de aangevochten weigering van het convenant steun zoekt in de, op het eerste gezicht jùist gebleken, nabijheid van plaatsen als bedoeld in artikel 36, 4, van de wet van 7 mei 1999; Overwegende dat de deugdelijkheid van het nabijheidsmotief en het motief van de maatschappelijke ongeschiktheid van de inplantingsplaats evenmin in het gedrang wordt gebracht doordat verzoekster eerder “ondermeer bouw- en milieuvergunningen uitgereikt [kreeg] en nachtvergunningen”; dat de bestreden beslissing en de genoemde vergunningen van verschillende organen uitgaan; dat, tevens, zij door beweegredenen van verschillende aard zijn ingegeven en aan verschillende bekommernissen voldoen; dat verzoekster niettemin aandringt dat “uit het probleemloos, protestloos en herhaaldelijk verlenen door de stad Kortrijk van de laatstgenoemde drie soorten vergunningen minstens [blijkt] dat een verstoring van de materiële openbare orde niet voorhanden was en is”; dat dit niet ter zake doet; dat de bestreden beslissing niet door een verstoring van de materiële openbare orde is gemotiveerd maar wezenlijk door redenen van sociale bescherming; 6.6. Overwegende dat de bestreden beslissing geen melding maakt van de nota van 7 maart 2003 die verzoekster aan de gemeenteraad deed toekomen; dat zij echter wel verwijst naar het proces-verbaal van de hoorzitting van 10 maart 2003 waarop de raadsman van verzoeker de nota -“die wij hebben laten voegen aan het dossier dat moet voorliggen voor de gemeenteraadsleden”- toelichtte; dat de nota ook effectief blijkt deel uit te maken van het administratief dossier; dat verwerende partij, na uitdrukkelijk te hebben bevestigd dat “goed akte genomen werd” van de voorgebrachte argumenten, ze uiteindelijk verwerpt omdat zij “niets vermogen af te doen” aan de motieven van de weigering van het convenant; dat dit niet onterecht lijkt; dat, zoals uit wat voorafgaat blijkt, die motieven inderdaad stand lijken te houden; XII-3866-13/15 6.7. Overwegende, samenvattend, dat in de huidige stand van de procedure niet wordt bijgetreden dat de bestreden beslissing onvoldoende zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, onvoldoende formeel gemotiveerd zou zijn of niet op voldoende draagkrachtige motieven zou zijn gesteund; dat het tweede, derde en vierde onderdeel van het eerste middel niet ernstig zijn, evenmin als het tweede middel, het derde middel, het eerste onderdeel (gedeeltelijk) en het tweede onderdeel van het zesde middel; 7. Overwegende dat verzoekster zich ten slotte beklaagt over de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, over de schending van het recht op het ongestoord genot van haar goederen, over de disproportionele impact op haar inrichting en over de schending van het principe van de vrijheid van handel en nijverheid; Overwegende dat de wet van 7 mei 1999 het gevaar wil beperken dat de kansspelinrichtingen voor de maatschappij betekenen en daartoe het bestaande principiële verbod op kansspelinrichtingen handhaaft, maar uitzonderingen toelaat voor wie over een voorafgaande schriftelijke vergunning beschikt; dat de wet met betrekking tot de vergunning voor een kansspelinrichting klasse II voorschrijft dat de uitbating moet geschieden krachtens een convenant en ter zake de gemeenten bevoegd maakt; dat, zoals hoger is gebleken, de verwerende partij niet de grenzen van haar bevoegd- heid te buiten lijkt gegaan, noch die bevoegdheid verkeerd lijkt te hebben gebruikt, maar haar beslissing op het eerste gezicht op voldoende geëxpliciteerde en draag- krachtige motieven heeft gestoeld; dat in deze omstandigheden de besproken onwettigheden in voorkomend geval wezenlijk terug te voeren lijken tot de wet van 7 mei 1999 zelf, welke wet voor het verkrijgen van een vergunning voor een speelautomatenhal geen onderscheid maakt naargelang het om een bestaande inrichting gaat dan wel een nieuwe, noch in overgangs- of begeleidingsbepalingen voorziet ten behoeve van inrichtingen die al van vóór de wet bestaan; dat de wet niet tot het voorwerp van de vordering behoort; XII-3866-14/15 Overwegende dat het vierde middel, het vijfde middel en het eerste onderdeel (gedeeltelijk) van het zesde middel niet ernstig zijn; 8. Overwegende dat verzoekster geen ernstige middelen aanvoert; dat aldus aan een van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een juni 2004, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-3866-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.966 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.781 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div