← België

Arrest 131980 - - 02/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.980 Rolnummer: A. 111724/XIV-6991 Zaak: Arrest 131980 - - 02/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-23 Raadplegingen: 46 - laatst gezien 2026-07-04 07:02 Fiche Arrest nr 131.980 van 2 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 131.980 van 2 juni 2004 in de zaak A. 111.724/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. BLANMAILLAND, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 juli 1956 en van XXX nationaliteit, op 15 oktober 2001 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot onontvankelijkheidsverklaring van een verzoek tot herziening van 5 september 2001, gericht tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2001, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 17 september 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde datum heeft ingediend tot het bekomen van voorlopige maatregelen; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 17 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 21 april 2004 om 14.00 uur; XIV-6991-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROBERT die, loco Advocaat F. BLANMAILLAND, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak, rekening houdend met het voorwerp van de vordering tot schorsing, als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. Op 26 februari 2000 huwt verzoeker te W. met een dame van XXX nationaliteit. 1.
  4. Op 2 januari 2001 wordt aan verzoeker het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 23 mei 2001 meldt verzoeker zich aan bij de gemeente W. om een aanvraag tot vestiging in te dienen. (adm. dossier, stuk 190). De aanvraag zelf bevindt zich niet in het administratief dossier. 1.
  6. Op 9 juli 2001 wordt aan verzoeker het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten (adm. dossier, bijlage bij stuk 199). 1.
  7. Op 12 juli 2001 dient verzoeker een verzoek tot herziening in van voornoemd bevel. 1.
  8. Op 5 september 2001 beslist de Minister van Binnenlandse Zaken dat dit verzoek tot herziening onontvankelijk is (adm. dossier. bijlage bij stuk 201). Dit is de thans bestreden beslissing die als volgt luidt: “(...) Het verzoek tot herziening dat door betrokkene via de raadsman, Meester Blanmailland, werd ingediend op 16.07.2001 tegen het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 04.07.2001, hem betekend op 09.06.2001, is onontvankelijk. Bovenvermelde beslissing werd gemotiveerd op basis van artikel 7, 1, 1 van de wet van 15.12.80: Betrokkene verblijft in het rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: geen visum. XIV-6991-2/5 Artikel 44 van de wet van 15 december 1980 bepaalt : “Kunnen aanleiding geven tot een verzoek tot herziening voorzien in artikel 64 : 1/ elke weigering van afgifte van een verblijfsvergunning aan een EG-vreemdeling aan wie, overeenkomstig artikel 42, een recht op verblijf wordt verleend, alsmede iedere beslissing tot verwijdering van het grondgebied vóór de afgifte van een dergelijke vergunning”. Maar, krachtens de artikelen 42 van de wet van 15 december 1980, 49, § 1, lid 1 en 61, §1 van het K.B. van 8 oktober 1981, zoals gewijzigd bij K.B. van 12 juni 1998, wordt de erkenning van het recht op verblijf van de niet EU-familieleden van de Belgische of van een EU-onderdaan afhankelijk gesteld van het voorafgaandelijk vervullen van de binnenkomstdocumenten, te weten een geldig paspoort of ... [voorzien van een geldig visum]. Bijgevolg staat er geen verzoek tot herziening open tegen het bevel om het grondgebied te verlaten. (...).”.
  9. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  10. Overwegende dat verzoeker in een enig middel het volgende doet gelden: “Schending van het artikel 40, § 6, 1/, 42 en 44 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 43 en 61 van het K.B. van 08.10.1981 en schending van de omzendbrief van 06.06.2001 ter verduidelijking van de toepassing van verschillende omzendbrieven, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 04.07.2001) en van de motiveringsplicht zoals onder andere bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.07.1991.”; 3.
  11. Overwegende dat op het tijdstip waarop de bestreden beslissing werd genomen, het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 25 juli 2002 (C- 459/99) nog niet was uitgesproken, daargelaten de vraag welke rechtsgevolgen worden verbonden in voorliggende zaak aan antwoorden op prejudiciële vragen gesteld aan voornoemd Hof in een andere zaak; dat in het kader van een schorsingsprocedure en een prima facie onderzoek wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing rekening hield met alle relevante elementen gekend door de verwerende partij op het tijdstip waarop zij haar beslissing heeft genomen; 3.
  12. Overwegende dat noch uit het administratief dossier, noch uit de debatten ter zitting van 21 april 2004 is gebleken dat verzoeker een nieuw verzoek tot herziening of een nieuwe vestigingsaanvraag heeft ingediend onder meer rekening houdend met de gevolgen van voornoemd arrest van het Hof van Justitie, zodat op het eerste gezicht vaststaat dat de vestigingsaanvraag die verzoeker heeft ingediend op basis van zijn huwelijk met een XXX dame, is afgesloten door de thans bestreden beslissing; dat in het kader van een nieuwe vestigingsaanvraag verzoeker voornoemd arrest en de omzendbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 oktober 2002 kan inroepen; XIV-6991-3/5 3.
  13. Overwegende dat het enig middel van verzoeker niet ernstig is en dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen; 3.
  14. Overwegende dat er in het huidig stadium van de procedure geen aanleiding is om de tegenpartij het bevel te geven om aan verzoeker een bijlage 35 af te leveren, binnen de tien dagen na uitspraak van huidig arrest, gelet op wat voorafgaat, BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. Het verzoek tot het bekomen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten worden voorbehouden. XIV-6991-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-6991-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.