id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.990 Rolnummer: A. 59389/XII-3871 Zaak: Arrest 131990 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-16 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:02 Fiche Arrest nr 131.990 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.990 van 3 juni 2004 in de zaak A. 59.389/XII-
- In zake : NV LUFTHANSA AIRPORT SERVICES BRUSSELS, thans de NV GLOBEGROUND BRUSSELS, die woonplaats kiest bij advocaat C. Erkelens, kantoor houdende te 1040 Brussel, Wetstraat 15 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Vervoer,
- de REGIE DER LUCHTWEGEN, thans de naamloze vennootschap van publiek recht BIAC, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'Hooghe en R. Heijse, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- tussenkomende partij : de NV BELGIAN AVIATION SERVICES, met zetel te 1930 Zaventem, Heidestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Lufthansa Airport Services Brussels, afgekort “NV LASB” op 16 augustus 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de afwijzende beslissing van 16 juni 1994 [...] welke beslissing bestaat in de weigering aan verzoekster toelating te verlenen luchthavenbijstand aan derden te verschaffen op de luchthaven Brussel-Nationaal”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 2 februari 1995; Gelet op de beschikking van 8 februari 1995 die de tussenkomst van de NV Belgian Aviation Services toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-3871-1/6 Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 19 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 februari 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. Erkelens en M. Martens, die verschijnen voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur L. Cloet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat R. Heijse, die loco advocaat D. D'Hooghe verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Met een aangetekende brief van 30 mei 1994 wordt door de NV LASB aan de toenmalige minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven de uitdrukkelijke toelating gevraagd voor het uitvoeren, op de luchthaven Brussel- Nationaal, van “luchthavenbijstand aan anderen (third party handling)”. Die brief bevat de volgende vaststelling : “Hoewel wij de mening toegedaan zijn dat geen enkele toelating wettelijk vereist is noch geëist kan worden op basis van de bestaande reglementaire en wettelijke bepalingen, herhalen wij bij deze formeel, ten strikt bewarende titel en voor het geval dat dergelijke toelating toch nodig zou blijven, ons verzoek tot XII-3871-2/6 uitdrukkelijke toelating tot het uitvoeren van luchthavenbijstand aan anderen (third party handling) op de luchthaven Brussel-Nationaal”; 1.
- Met een brief van 16 juni 1994 wordt de bestreden beslissing medegedeeld. Zij luidt als volgt : “Naar aanleiding van uw schrijven van 30 mei 1994 deel ik U mede dat het verlenen van luchthavenbijstand aan derden tot op heden is voorbehouden aan de door de Regie erkende handlingsmaatschappijen. Eerst en vooral moge ik laten opmerken dat de luchthavenbijstand wettelijk geregeld wordt krachtens het art. 7 van het K.B. dd. 22/12/89 houdende vaststelling van de vergoedingen te heffen door de R.L.W. Luidens voormeld artikel wordt de vergoeding voor het verlenen van luchthavenbijstand aan anderen vastgesteld bij akte van concessie (in casu Belgavia). De concessie wordt van rechtswege toegestaan aan de luchtvervoerders die, op datum van 1 april 1977 als gewone aktiviteit op de luchthaven Brussel-Nationaal, luchthavenbijstand verleenden aan vervoerders die vaste luchtdiensten vanuit of naar het Koninkrijk onderhouden (in casu Sabena). Gelet op het huidige aantal passagiers en de hoeveelheid vracht, vindt de Regie het momenteel niet opportuun een derde handlingmaatschappij toe te laten op de luchthaven Brussel-Nationaal”; 1.
- Bij arrest van 7 december 1995 willigt het Hof van Beroep te Brussel een vordering in die de verzoekende partij eerst bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel had ingediend. Aan de Regie der Luchtwegen en de tussenkomende partij wordt verbod opgelegd om zich er tegen te verzetten dat de NV LASB op de luchthaven Brussel-Nationaal de activiteiten van passagiersafhandeling aan derden zou verrichten. Dit verbod wordt opgelegd voor zover de NV LASB zich ertoe verbindt de verplichtingen na te leven waartoe de tussenkomende partij zich verbonden heeft en die onontbeerlijk zijn voor de vervulling van de openbare dienst die aan de Regie der Luchtwegen in verband met de bedoelde activiteit werd opgedragen. 1.
- Op 13 maart 1996 wordt tussen de Regie der Luchtwegen en de NV LASB een concessieovereenkomst betreffende het verlenen van passagiers- afhandeling op de luchthaven Brussel-Nationaal gesloten. Uit het voorwerp daarvan, zoals het is omschreven in artikel 1, blijkt dat het gaat om passagiersafhandeling aan derden en overeenkomstig artikel 2 wordt de concessie verleend tot 30 september 2010; XII-3871-3/6
- Over de ontvankelijkheid. Overwegende, ambtshalve, dat de vraag rijst of de verzoekende partij nog langer over het vereiste actueel belang beschikt bij haar beroep tot nietigverklaring, nu zij met de voormelde concessieovereenkomst die zij sloot met de Regie der Luchtwegen lijkt te hebben verkregen wat zij met haar beroep beoogde te verkrijgen; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie daaromtrent betoogt dat zij nog belang blijft houden bij de gevorderde nietigverklaring, verwijzende naar schade die zij heeft geleden omdat zij onrechtmatig verhinderd werd “de activiteit, waarvoor zij werd opgericht” uit te oefenen, zijnde “de grondafhandeling in het algemeen”; Overwegende dat bij de Richtlijn 96/97 EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap, zij het van latere datum dan het inleidend verzoekschrift en de voornoemde concessieovereenkomst, in een bijlage een lijst wordt meegegeven van de activiteiten categorieën die “grondafhandelingsdiensten” zoal omvatten, namelijk administratieve grondafhandeling en supervisie, passagiers- afhandeling, vracht- en postafhandeling, platformafhandeling, vliegtuigservicing, brandstof- en olielevering, lijnonderhoud, vluchtafhandeling en administratie van cabinepersoneel, grondtransportafhandeling en catering; dat meteen blijkt dat een aantal van die diensten niet zijn begrepen in het maatschappelijk doel van de verzoekende partij die zelf in haar inleidend verzoekschrift daaromtrent haar statuten aanhaalt en daarbij stelt dat de bedoelde diensten betrekking hebben op “de behandeling en de registratie van de passagiers en hun bagage, de vracht, de briefwisseling, de traiteurdiensten en de verkopen”; dat zulks inderdaad de weergave is, op dat punt, van artikel 4 van de bedoelde statuten; dat aldus niet mag worden aanvaard dat met de aanvraag, waarop met de bestreden beslissing is geantwoord, voor het uitvoeren van “luchthavenbijstand aan anderen” onbetwistbaar al de denkbare grondafhandelingsdiensten waren bedoeld, althans degene die later in de voormelde richtlijnbijlage zijn opgenomen; dat integendeel uit een aantal gegevens van het dossier juist moet worden afgeleid dat de oorspronkelijke aanvraag en het beroep tot nietigverklaring enkel mogen worden betrokken op de passagiers- afhandeling, voorwerp van de voormelde concessieovereenkomst; XII-3871-4/6 Overwegende aldus, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift tot nietigverklaring, haar aanvraag van 30 mei 1994 beschrijft als een vervolg op het incident van 27 maart 1994, datum waarop de Regie der Luchtwegen haar zou hebben verhinderd prestaties van luchthavenbijstand te leveren voor Lauda- air Luftfahrt AG, waarvan zij zegt dat deze haar had opgedragen “een deel” van haar luchthavenbijstand te verzorgen “met name de passagiersafhandeling”; dat de verzoekende partij voorts in haar laatste memorie zelf betoogt dat de vordering die heeft geleid tot het voormelde arrest van het Hof van Beroep van 7 december 1995, “inderdaad passagiersafhandeling voor derden [betrof]”; dat voorts de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar hetgeen de verzoekende partij zelf schrijft in haar dagvaarding van 5 maart 1998 voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel waarmee zij beoogde de toelating te verkrijgen voor het verlenen van “platformafhandelingsdiensten” -een andere activiteitencategorie dan passagiers- afhandeling- op de luchthaven Brussel-Nationaal; dat in die dagvaarding wordt gesteld dat de luchtvaartmaatschappij Lufthansa pas in 1997 besliste om vanaf 1 januari 1998 voor haar “platformafhandeling” op de luchthaven Brussel-Nationaal geen beroep meer te doen op derden, zijnde hetzij de luchtvaartmaatschappij Sabena, hetzij de tussenkomende partij; dat zulks spoort met de brief van 10 april 1997 die de verzoekende partij voorlegt en waarbij zij aan de Regie der Luchtwegen haar intentie meedeelt om vanaf 1 januari 1998 de “platform-afhandeling” voor haar groep te verzorgen; dat het dienvolgens niet geloofwaardig overkomt dat met de aanvraag die tot de huidige procedure heeft geleid reeds alle grondafhandelingsdiensten zouden zijn bedoeld; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat moet worden afgeleid dat het belang van de verzoekende partij bij het indienen van haar beroep gelegen was in het kunnen verrichten van passagiersafhandeling; dat de voormelde concessie- overeenkomst haar zulks in elk geval toestaat en zij nergens beweert dat zij verhinderd wordt om die activiteit nog uit te oefenen; dat zij aldus niet langer belang heeft bij het beroep, nu haar oorspronkelijk belang is teloor gegaan; dat voorts het ondersteunen van een door haar bij de gewone rechter reeds ingeleide vordering tot schadevergoeding waar zij in haar laatste memorie naar verwijst, niet als het rechtens vereiste belang wordt aangenomen; dat de omstandigheden van de zaak er wel toe leiden de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, XII-3871-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3871-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.990 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.