id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.992 Rolnummer: A. 78204/XII-1456 Zaak: Arrest 131992 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:02 Fiche Arrest nr 131.992 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.992 van 3 juni 2004 in de zaak A. 78.204/XII-
- In zake :
- DEUTSCHE LUFTHANSA AG,
- NV LUFTHANSA AIRPORT SERVICES BRUSSELS, thans de NV GLOBEGROUND BRUSSELS, die woonplaats kiezen bij advocaat C. Erkelens, kantoor houdende te 1040 Brussel, Wetstraat 15 tegen : de REGIE DER LUCHTWEGEN, thans de naamloze vennootschap van publiek recht BIAC, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'Hooghe en M. Kestemont, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Deutsche Lufthanse AG en de NV Lufthansa Airport Services Brussels, afgekort “NV LASB” op 9 april 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Regie der Luchtwegen van 13 februari 1998 “om op de luchthaven Brussel-Nationaal tweede [verzoekende partij] de platformafhandeling van de Lufthansa - groep te verhinderen”; Gelet op het arrest nr. 76.127 van 6 oktober 1998 van de Raad van State waarbij de afstand van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt toegewezen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; XII-1456-1/8 Gelet op de beschikking van 20 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 februari 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. Erkelens en M. Martens, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en van advocaat R. Heijse, die loco advocaat D. D’Hooghe verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Bij brief van 10 april 1997 laat de NV LASB aan de Regie der Luchtwegen weten dat zij vanaf 1 januari 1998 de platformafhandeling voor de Lufthansa-groep (“onze groep”) zou verzorgen. 1.
- Met een schrijven van 29 april 1997 meldt de Regie dat zij het “ogenblik niet opportuun acht om reeds een standpunt in te nemen” en dat zij wachtte op “de toepassing van de Europese directieve betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap en dit in functie van wat de Belgische overheid dienaangaande zal beslissen”. XII-1456-2/8 1.
- Na een herinneringsbrief van 19 augustus 1987, schrijft de NV LASB bij brief van 9 februari 1998 aan de Regie der Luchtwegen onder andere, hetgeen volgt : “Bij brief van 10.04.1997 hebben wij onze intentie medegedeeld de platformafhandeling voor onze groep te verzorgen vanaf 1.01.
- Teneinde de organisatorische en financiële aspecten hiervan met u te bespreken stelden wij een vergadering voor. Deze werd geweigerd met verwijzing naar een nakend Belgisch wetgevend initiatief in het kader van de richtlijn 96/67/EEG. [...] Van enige Belgische wetgeving die betrekking heeft op platformafhandeling hebben wij tot op heden nog steeds geen kennis. Elk verder uitstel van de platformafhandeling door onszelf voor onze groep lijkt dan ook nutteloos en onterecht. [...] U gelieve tenslotte te noteren dat wij ons ertoe verbinden de verplichtingen na te leven waartoe Belgavia N.V. zich met betrekking tot haar platformafhandeling heeft verbonden en die onontbeerlijk zijn voor de vervulling van uw openbare dienst. Indien wij binnen de 8 dagen geen bevestiging uwentwege ontvangen als voormeld, gaan wij ervan uit dat u ons de platformafhandeling voor onze groep verder onmogelijk wenst te maken en zullen wij ons genoodzaakt zien proceduremaatregelen te nemen. [...]”; 1.
- De Regie der Luchtwegen antwoordt met een brief van 13 februari 1998 hetgeen volgt : “[...] Ik vestig er uw aandacht op dat er een duidelijk verschil bestaat tussen passagiersafhandeling en platformafhandeling. In tegenstelling tot passagiersafhandeling kan de Regie het aantal dienstver- leners, wat de platformafhandeling betreft, tot twee beperken. Dienaangaande verwijs ik U naar artikel 6 punt 2 van de Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grond- afhandelingsmarkt van de Gemeenschap. Gelet op hetgeen voorafgaat heeft de Regie beslist vooralsnog geen concessie voor platformafhandeling te verlenen aan uw maatschappij. Overigens beantwoordt volgens dezelfde Richtlijn uw maatschappij ook niet aan de voorwaarden inzake 'zelfafhandeling'”. In die brief is de bestreden beslissing vervat; XII-1456-3/8
- Over het begrippenkader. Overwegende dat Richtlijn 96/97/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap, in artikel 2, d), het begrip “gebruiker van een luchthaven” omschrijft als “iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die vanaf of naar de desbetreffende luchthaven door de lucht passagiers, post en/of vracht vervoert”; dat volgens artikel 2, e), onder “grondafhandeling” de diensten worden verstaan “die op een luchthaven aan een gebruiker worden verleend, zoals beschreven in de bijlage”; dat in die bijlage elf categorieën diensten worden vermeld, zijnde :
- administratieve grondafhandeling en supervisie
- passagiersafhandeling
- bagageafhandeling
- vracht- en postafhandeling
- platformafhandeling
- vliegtuigservicing
- brandstof- en olielevering
- lijnonderhoud
- vluchtafhandeling en administratie van cabinepersoneel
- grondtransportafhandeling
- catering; dat de categorie “platformafhandeling” nader wordt omschreven als omvattende : - het geleiden op de grond van het vliegtuig bij aankomst en bij vertrek - assistentie bij het parkeren van het vliegtuig en het verstrekken van de benodigde middelen - de verbindingen tussen het vliegtuig en de dienstverlener op het platform - het beladen en lossen van het vliegtuig, met inbegrip van het verstrekken en inzetten van de benodigde middelen, alsmede het vervoer van bemanning en passagiers tussen het vliegtuig en het luchthavengebouw, alsmede het vervoer van bagage tussen het vliegtuig en het luchthavengebouw - assistentie bij het taxiën van het vliegtuig en verstrekking van de hiervoor benodigde middelen - verplaatsing van het vliegtuig zowel bij aankomst als bij vertrek, de levering en de toepassing van de benodigde middelen - het vervoer, het inladen in en het uitladen uit het vliegtuig van voedsel en dranken; dat artikel 2, f), “zelfafhandeling” omschrijft als “situatie waarbij een gebruiker zichzelf rechtstreeks een of meer categorieën afhandelingsdiensten verleent en met derden geen enkel contract, hoe ook genaamd, dat de verlening van dergelijke diensten tot doel heeft, afsluit” en daarbij bepaalt dat “voor de toepassing van deze definitie gebruikers onderling niet als derden [worden] aangemerkt : - als de één een meerderheidsbelang in de ander heeft of - als een zelfde entiteit in elk van beide een meerderheidsbelang heeft”; XII-1456-4/8 dat ten slotte artikel 2, g), onder “verlener van grondafhandelingsdiensten” verstaat “iedere natuurlijke of tussenpersoon die aan derden een of meer categorieën grondafhandelingsdiensten verleent”;
- Over de ontvankelijkheid. 3.
- Overwegende, wat de eerste verzoekende partij betreft, dat de verwerende partij in een exceptie opwerpt dat er geen enkele band bestaat tussen de eerste verzoekende partij en de bestreden beslissing, zodat zij niet de vereiste hoedanigheid en niet het vereiste belang heeft bij het annulatieberoep; Overwegende dat niet de eerste, maar de tweede verzoekende partij, een andere rechtspersoon, de voormelde briefwisseling heeft gevoerd met de Regie der Luchtwegen; dat de bestreden beslissing er enkel toe strekt “vooralsnog geen concessie voor platformafhandeling te verlenen aan uw maatschappij” zijnde de tweede verzoekende partij; dat de exceptie dienvolgens gegrond is en het beroep, wat de eerste verzoekende partij betreft, niet ontvankelijk is; dat de eerste verzoekende partij zich overigens blijkbaar bij die conclusie heeft neergelegd, nu, nadat kennis was genomen van het auditoraatsverslag en van het standpunt van het auditoraat, dat de exceptie gegrond was, de laatste memorie enkel nog is opgesteld voor de tweede verzoekende partij; 3.2.
- Overwegende, wat de tweede verzoekende partij betreft, dat de verwerende partij in een exceptie opwerpt dat deze geen belang heeft bij het annulatieberoep, omdat zij hoe dan ook niet in aanmerking komt voor de door haar gevraagde toelating tot zelfafhandelingsactiviteiten, nu zij geen luchtvaart- maatschappij is; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord hun belang verdedigen, maar daarbij geen enkel onderscheid maken tussen het belang van de eerste of het belang van de tweede verzoekende partij, en dus evenmin tussen de voormelde eerste en de hier besproken tweede exceptie; dat zij in elk geval geenszins antwoorden op de vaststelling in de exceptie dat tweede verzoekende partij geen luchtvaartmaatschappij is en dus niet aan zelfafhandeling mag doen; XII-1456-5/8 3.2.
- Overwegende dat de in het geding betrokken partijen in hun aan het geding voorafgaande briefwisseling, in het verzoekschrift en in hun memories verwijzen naar de aangehaalde Richtlijn 96/67/EG; dat aldus de tweede verzoekende partij in haar voormelde brief van 9 februari 1998 weliswaar niet verwijst naar artikel 7 van de richtlijn of de term “zelfafhandeling” gebruikt maar wel spreekt van platformafhandeling “voor onze groep” en “door onszelf voor onze groep”; dat de verzoekende partijen in hun inleidend verzoekschrift er wel onomstotelijk van uitgaan dat de betwisting enkel de “zelfafhandeling” betreft in de zin van de richtlijn; dat zij immers uitdrukkelijk verklaren, bij het eerste middel in het inleidend verzoekschrift, dat “de platformafhandeling door tweede verzoekster voor de Lufthansa-groep zelfafhandeling [is], geen derdenafhandeling” en dat “eerste en tweede verzoeksters onderling niet als 'derden' mogen worden aangemerkt”; dat voorts het derde en het vierde middel op schending van artikel 7.
- van de voormelde richtlijn steunen, dat alleen de zelfafhandeling betreft; dat de verzoekende partijen ten slotte, in hun memorie van wederantwoord nogmaals benadrukken dat zij “de grondafhandeling door LASB NV voor hun eigen groep als zelfafhandeling [hebben] bestempeld” en “menen dat het wel degelijk zelfafhandeling betreft zoals bedoeld door de grondafhandelingsrichtlijn” en zulks daarbij ondersteunen onder verwijzing naar artikel 2, f), van de meervermelde richtlijn, dat de definitie van “zelfafhandeling” bevat; Overwegende dat niet wordt betwist dat de tweede verzoekende partij geen passagiers, post en/of vracht vervoert “door de lucht”, met andere woorden geen luchtvaartmaatschappij is zoals de eerste verzoekende partij er wel een is; dat zulks ook blijkt uit de in artikel 4 van haar statuten omschreven doelstelling van de tweede verzoekende partij “[vertaling] dienstverlening op luchthavens, bijstand aan vliegtuigen, diensten op de grond ten behoeve van het luchtverkeer en vervoer over de weg”; dat zij aldus buiten de definitie valt van wat volgens artikel 2, d), van de richtlijn een “gebruiker van een luchthaven” is en dienvolgens ook niet aan “zelfafhandeling” kan doen aangezien de omschrijving van die dienst met zich meebrengt dat enkel “een gebruiker” een dergelijke dienst kan verrichten, hetgeen zij niet is; dat verzoekende partijen aldus dwalen waar zij platformafhandeling door de tweede verzoekende partij ten behoeve van de eerste verzoekende partij (of van de “Lufthansa-groep”) willen laten doorgaan als de bedoelde zelfafhandeling; dat de vennootschaprechtelijke banden van de tweede verzoekende partij met een luchtvaartmaatschappij zoals de eerste verzoekende partij, haar moedervennootschap, terzake niet relevant zijn, aangezien krachtens artikel 2, f), op grond van bepaalde XII-1456-6/8 meerderheidsbelangen enkel “gebruikers onderling” niet als derden kunnen worden beschouwd voor de definitie van “zelfafhandeling” en niet een “gebruiker” zoals de eerste verzoekende partij, enerzijds, en een “niet-gebruiker” zoals de tweede verzoekende partij, anderzijds; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de tweede verzoekende partij beoogde bepaalde voordelen van het statuut van “zelfafhandelaar” te verkrijgen, hetgeen haar niet toegelaten was omdat zij niet als zodanig mocht worden aangemerkt; dat dienvolgens, in zoverre in de bestreden beslissing een weigering is vervat die de zelfafhandeling betreft, de tweede verzoekende partij geen belang heeft bij de gevraagde nietigverklaring; Overwegende dat, in zoverre in de brief van 13 februari 1998 de Regie der Luchtwegen geacht zou moeten worden ook een beslissing te hebben genomen betreffende afhandeling voor derden, de tweede verzoekende partij evenmin belang heeft om die beslissing met het huidige annulatieberoep aan te vechten, aangezien het verkrijgen van voordelen gesteund op die kwalificatie, niet mag worden geacht begrepen te zijn in het belang, waarop het annulatieberoep oorspronkelijk steunde, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. XII-1456-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1456-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.992 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.76.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.