← België

Arrest 131998 - - 03/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.998 Rolnummer: A. 71226/VII-14722 Zaak: Arrest 131998 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-16 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 131.998 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 131.998 van 3 juni 2004 in de zaak A. 71.226/VII-14.

  1. In zake : Gabriël KRIECKEMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 33 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël KRIECKEMANS op 23 september 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 18 juli 1997 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 1 februari 1996 houdende weigering van de vergunning aan verzoeker, om een inrichting gelegen te 2440 Geel, Kastermanstraat 7, te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 64.582 van 18 februari 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen. Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; VII-14.722-1/8 Gelet op de beschikking van 27 november 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 20 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 maart 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VAN WYNSBERGHE die, loco Advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat R. PIETERS die, loco Advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De betwisting betreft de exploitatie van een kippenfokkerij aan de Kastermanstraat in Geel. De lopende basisvergunning werd op 11 maart 1993 aan verzoeker verleend door de bestendige deputatie voor, wat de dieren betreft, het houden van 46.000 kippen. 1.
  5. Op 6 oktober 1995 dient verzoeker een milieuvergunningsaanvraag in voor, wat de dieren betreft, de uitbreiding met 13.000 kippen tot in totaal 59.000 kippen. 1.
  6. Op 1 februari 1996 weigert de bestendige deputatie de gevraagde uitbreiding. Verzoeker tekent tegen die weigering administratief beroep aan. VII-14.722-2/8 1.
  7. Na ongunstige adviezen van de Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en een gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen wordt op 18 juli 1996 de bestreden beslissing genomen : de gevraagde vergunning voor de uitbreiding wordt geweigerd. 1.
  8. Bij arrest nr. 64.582 van 18 februari 1997 wordt de door verzoeker gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen, omdat niet was aangetoond dat verzoeker persoonlijk en rechtstreeks een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigde te ondergaan. Van belang bij deze beoordeling was de omstandigheid dat uit de stukken bij het verzoekschrift en uit het administratief dossier was gebleken dat niet verzoeker, maar wel de b.v.b.a. ALTRAK de exploitant van de betrokken inrichting is;
  9. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij, onder de hoofding "onontvankelijkheid van de vordering wegens gebrek aan belang in hoofde van verzoeker" volgende exceptie opwerpt : "Niet verzoeker is exploitant doch de BVBA Altrak en derhalve diende het verzoekschrift tot nietigverklaring ingesteld te worden door de exploitant. Verzoeker heeft in dit verband geen enkel belang. Evenzeer blijkt uit de rechtspraak bij de Raad van State dat een vennoot of een orgaan van de vennootschap geen voldoende belang heeft om een beslissing met betrekking tot de vennootschap aan te vechten. Daarenboven blijkt dat om ontvankelijk te zijn, het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing moet worden ingediend door de exploitant, zelfs als dat een andere persoon is dan degene die oorspronkelijk de aanvraag indiende. (R.v.St., CORNET d'ELZIUS DE PEISSANT en consorten, nr. 32.822, 27 juni 1989; R.v.St., VAES en VZW Limen, nr. 51.067, 9 januari 1995; R.v.St., DOCKX nr. 31.861, 26 januari 1989; R.v.St., DE CLERQ, nr. 32.554, 11 mei 1989). De door verzoeker ingestelde vordering is wegens gebrek aan belang, onontvankelijk"; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt repliceert : "
  12. Verweerder kan hierin niet gevolgd worden om drie redenen : Voorafgaandelijk dient opgemerkt dat verweerder in de schorsingsprocedure nooit gewag heeft gemaakt van de onontvankelijkheid van het annulatieberoep, alhoewel het bestaan van de rechtspersoon bekend was aan verweerder, ook ten tijde van de schorsingsprocedure; op sommige stukken van het bundel van VII-14.722-3/8 verzoeker stond de naam van voornoemde rechtspersoon immers duidelijk vermeld. Desondanks heeft verweerder zich in zijn nota die door hem werd opgesteld als antwoord op het verzoekschrift tot schorsing nooit beroepen op de onontvankelijkheid van het annulatieberoep; om die reden kan hij thans niet in het kader van de annulatieprocedure voor de eerste maal de onontvankelijk- heid van de vordering inroepen, zelfs niet indien hiervoor gegronde redenen voorhanden zouden zijn, quod certe non.
  13. Er is nog een tweede reden waarom verweerder zich niet met goed gevolg kan beroepen op de onontvankelijkheid van het annulatieberoep. In het arrest nr. 64.582 van 18 februari 1997 werd het schorsingsverzoek verworpen, niet op grond van onontvankelijkheid bij gebreke aan belang in hoofde van verzoeker, wel wegens het niet voldaan zijn aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, namelijk dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing of verordening i.c. geen moeilijk te herstellen ernstig (nadeel) berokkende. Voornoemd schorsingsarrest heeft gezag van gewijsde. Doordat het uitspraak doet over de afwezigheid van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, heeft de Raad van State impliciet doch zeker de ontvankelijkheid van de schorsingsvordering van verzoekster bevestigd. Gezien de annulatievordering identiek is aan de schorsingsvordering, zowel wat betreft het voorwerp als de persoon van verzoeker, en de vordering tot schorsing door de Raad ontvankelijk werd verklaard, vloeit daaruit voort dat ook het annulatieberoep ontvankelijk is.
  14. Tenslotte merkt verzoeker op dat de ingeroepen onontvankelijkheid ook op inhoudelijk vlak ongegrond is. Verzoeker is immers als werkend vennoot van de b.v.b.a. ALTRAK ook de exploitant van deze laatste. Dat verzoeker exploitant is blijkt ook uit het feit dat de aangevochten beslissing op naam van verzoeker staat, en niet op naam van de b.v.b.a. ALTRAK. Het is derhalve verzoeker die de feitelijke zeggenschap en controle heeft over de inrichting. Als exploitant getuigt hij derhalve van voldoende belang gezien de uitbreiding van zijn inrichting, waarvan hij werkend vennoot is, en de levensvatbaarheid ervan in het gedrang worden gebracht. Dit laatste kan zonder probleem worden gestaafd adhv. de stukken die betrekking hebben op de rechtspersoon. En zelfs indien Uw Raad de stukken op naam van de b.v.b.a. niet zou aanvaarden, dan kan er verwezen worden naar de aangifte en de aanslagbiljetten van de personenbelasting die op naam staan van verzoeker. Hieruit blijkt duidelijk dat het bedrijf zonder uitbreiding niet leefbaar is, en dat dit een nadeel belichaamt, nadeel waarvan verzoeker de verdwijning nastreeft middels onderhavig annulatieberoep. Gezien het belang door Lambrechts omschreven werd als dat verzoeker tenslotte nog verwijst naar het arrest nr. 53.398 van 19 mei 1995 inzake X-MANIA en consorten; 2.
  15. Overwegende dat na lezing van het auditoraatsverslag waarin tot de onontvankelijkheid van het annulatieberoep wordt besloten wegens gebrek aan hoedanigheid, verzoeker diverse argumenten aanbrengt om de Raad er van te overtuigen dat hij wel degelijk over een "voldoende individueel rechtstreeks en actueel belang" bij de door hem ingestelde procedure beschikt; dat een belangrijk VII-14.722-4/8 element daarvan is dat destijds aan hem de milieuvergunning voor de mestkuiken- stallen werd afgeleverd, dat de in het geding zijnde uitbreiding door hem werd gevraagd en dat zij aan hem werd geweigerd; dat uit de laatste memorie blijkt dat verzoeker zichzelf beschouwt als "de natuurlijke persoon-exploitant" die de vergunning als goodwill inbrengt in de vennootschap; dat hij nog betoogt dat de vordering onontvankelijk verklaren wegens gebrek aan belang een discriminatie zou meebrengen tussen natuurlijke personen dewelke geen vennoot zijn in enige rechtspersoon doch dewelke eenzelfde doel als de rechtspersoon nastreven en andere natuurlijke personen die alleen een dergelijk doel nastreven, alsook zou indruisen tegen de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, daar alsdan het uitoefenen van verzoekers recht op een onafhankelijke controle van een overheidsbeslissing onmogelijk zou worden gemaakt hoewel hij daartoe belang heeft; 2.4.
  16. Overwegende, vooreerst, dat bij het arrest waarbij verzoekers vordering tot schorsing werd verworpen, de Raad van State zich niet heeft uitgesproken over de ontvankelijkheid van het annulatieberoep, ook niet impliciet; dat integendeel de Raad in zijn arrest nr. 64.582 van 18 februari 1997 duidelijk heeft gesteld : "Overwegende dat derhalve niet is voldaan aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, zonder dat een onderzoek moet worden gewijd aan de ontvankelijkheid van de vordering"; 2.4.
  17. Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat zodoende de wetgever de schorsings- en vernietigingsprocedure van elkaar scheidt; dat daaruit volgt dat de verwerende partij het recht heeft om in haar memorie van antwoord voor het eerst een exceptie van onontvankelijkheid op te werpen; dat daarenboven de Raad van State ambtshalve dient te onderzoeken of het beroep ontvankelijk is; 2.4.3.
  18. Overwegende dat luidens artikel 2, 2/ en 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) als "exploitant" wordt beschouwd : "elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd"; dat "exploiteren" in dit decreet als volgt wordt gedefinieerd : "in werking stellen of VII-14.722-5/8 houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting (...)"; dat dienaangaande de bevoegde minister naar aanleiding van de parlementaire voorberei- ding van het milieuvergunningsdecreet in de Commissie voor Leefmilieu en Waterbeleid verklaarde dat de woorden "of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd", noodzakelijk zijn, omdat het in de praktijk dikwijls voorkomt dat een eigenaar een bedrijf laat exploiteren door een aangestelde en dat de eigenaar in dat geval de eigenlijke "exploitant" en de "juridisch verantwoordelijke" blijft (Vlaamse Raad, stuk 291 (1984-1985), nr. 14, p. 21); dat het dan ook de "exploitant" is in de zin van de definitie die het milieuvergunningsdecreet aan die term geeft, die uitsluitend de adressaat is van de rechten en de verplichtingen die voortspruiten uit het milieuvergunningsdecreet; dat dit ook logisch is vermits het hele milieuvergunningssysteem onwerkbaar zou zijn indien de exploitant zich zou kunnen verschuilen achter allerlei juridische constructies om aan de uit het milieuvergun- ningsdecreet voortspruitende verplichtingen te ontsnappen; dat derhalve alleen de "exploitant", als titularis van de uit het milieuvergunningsdecreet voortspruitende rechten, titularis is van de vorderingsrechten die in verband daarmee ten bate van de inrichting die hij exploiteert kunnen uitgeoefend worden; dat hij dan ook de enige is die de vereiste hoedanigheid heeft om de daarop betrekking hebbende rechtsvorde- ringen in te stellen; dat dit ook logisch is; dat immers de belangen van de exploitant en deze van de persoon die voor zijn rekening werkt, onder welk juridisch statuut dan ook, niet steeds noodzakelijk gelijklopend zijn; 2.4.3.
  19. Overwegende dat artikel 2 van het algemeen procedurereglement voorschrijft dat het verzoekschrift onder meer de hoedanigheid vermeldt van de verzoekende partij, hetgeen er ook op wijst dat ook die partij over de vereiste hoedanigheid dient te beschikken; 2.4.3.
  20. Overwegende dat uit diverse stukken neergelegd door verzoeker zelf blijkt dat niet verzoeker maar de b.v.b.a. ALTRAK, waarvan verzoeker zaakvoerder is, de exploitant van de inrichting is in de zin van artikel 2 van het milieuvergunningsdecreet; dat dit met name blijkt uit de mestexportovereenkomst van 11 maart 1996, gesloten tussen de b.v.b.a. ALTRAK, "producent" en de n.v. AGRILAND, "exporteur", de jaarrekening 1995 van de betrokken inrichting die op naam staat van de b.v.b.a. ALTRAK, de factuur dd. 1 mei 1995 betreffende een mestafzetcontract gesloten tussen de b.v.b.a. VAN DE POEL Karel en Zonen en de b.v.b.a. ALTRAK, en facturen aan de b.v.b.a. ALTRAK gericht met betrekking tot het bouwdossier voor de nieuwe stal; dat het feit dat de bestreden beslissing de VII-14.722-6/8 vergunning aan verzoeker weigert daar niets aan afdoet; dat, immers, gelet op het feit dat verzoeker de vergunningsaanvraag zelf had ingediend en administratief beroep had aangetekend, de verwerende partij dan ook niet kan worden verweten dat zij verzoeker als exploitant heeft beschouwd; dat dit gegeven hoe dan ook geen gevolgen heeft voor de procesbevoegdheid van verzoeker; dat op het ogenblik dat de b.v.b.a. ALTRAK de exploitatie effectief heeft opgestart of overgenomen zij de exploitant is geworden; dat het gegeven dat zij blijkbaar die overname niet heeft gemeld, zoals zij nochtans verplicht is, niet betekent dat de b.v.b.a. ALTRAK niet als exploitant moet worden beschouwd; dat het dan ook de b.v.b.a. ALTRAK is die adressaat is van de rechten en plichten die voortspruiten uit het milieuvergunnings- decreet en dat het de b.v.b.a. is die titularis is van de vorderingsrechten die in verband daarmee kunnen worden uitgeoefend; dat dienvolgens wordt vastgesteld dat verzoeker niet de vereiste hoedanigheid heeft om de voorliggende vordering in te stellen; dat het betoog van verzoeker in wezen betrekking heeft op zijn belang en niet op zijn hoedanigheid, en derhalve in casu niet relevant is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-14.722-7/8 A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.722-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.998 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.64.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.