id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.001 Rolnummer: A. 65867/VII-16361 Zaak: Arrest 132001 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-10 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 132.001 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.001 van 3 juni 2004 in de zaak A. 65.867/VII-16.361. In zake : Hans MONSTREY, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te Brussel, H. Wafelaertsstraat 47-51, bus 1 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). ----------------------------------------------------------------------------------------------- -------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hans MONSTREY op 6 oktober 1995 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 10 augustus 1995 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits- verzekering, houdende bevestiging van de beslissing van 30 juni 1993 van de Beperkte kamer, waarbij beslist werd de verzekeringsinstellingen te verbieden tegemoet te komen in de kosten voor geneeskundige verstrekkingen, welke zullen worden verleend door apotheker Hans MONSTREY over een periode van één jaar; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 16 februari 1998 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-16.361-1/47 Gelet op de beschikking van 19 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. HEIJSE die, loco advocaten D. D'HOOGHE en J. BOUCKAERT verschijnt voor de verzoeker, en van Adjunct-adviseur F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoeker baat een apotheek uit te Antwerpen (Borger- hout), de n.v. ZWITSERSE APOTHEEK. 1.2. Er wordt een onderzoek gestart na een klacht i.v.m. mogelijke collusie tussen de verzoeker en geneesheer P. VAN DER HEIJDEN. Op 31 januari 1992 besluit het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle een enquête te laten uitvoeren. 1.3. Tijdens deze enquête worden de geneesmiddelenvoorschriften en de hernieuwingen over de periode van 1 januari tot en met 31 december 1991 opgezocht en gefotokopieerd. Er worden 79 verzekerden ondervraagd. Dr. P. VAN DER HEIJDEN en K. AXELSSON, zaakvoerster van het Psoriasis Centrum Antwerpen, worden ondervraagd. VII-16.361-2/47 1.4. Na kennisname van de resultaten van de enquête beslist het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle in zijn zitting van 28 augustus 1992 het dossier ten laste van de verzoeker naar de Beperkte kamer te verwijzen. Op basis van het samengesteld dossier worden de verzoeker in de periode van 1 januari tot en met 31 december 1991 volgende inbreuken op de Z.I.V.-reglementering ten laste gelegd : "1. Het aanrekenen van alle magistrale bereidingen op basis van door SORISON of P.C.A. voorgedrukte voorschriften waarop alleen de naam van de patiënt en de datum nog dienen ingevuld. Dit vormt een inbreuk op onderrichting 10.
- e)van het Officieel farmaceutisch tarief (45e uitgave, toepasselijk vanaf juli 1989 tot 31 december 1991); zie ook omzendbrief V.I. nr. 91/239 (346/73) punt C. en het veertiende bijvoegsel van het Officieel farmaceutisch tarief, punt C. (stukken 1 en 2) Dit werd vastgesteld in 182 gevallen voor een bedrag van 28.883.843 fr. remgeld inclusief. Het remgeld bedraagt : 1.971.699 fr. * SORISON : Vennootschap die een onderzoek uitvoert naar de effectiviteit van produkten en therapievormen ter bestrijding en ter voorkoming van de symptomen van hoofd-, huid-, en haarproblemen in de ruimste zin van het woord. Naast SORISON Nederland B.V. bestaat SORISON Belgium, eerst gevestigd te Wommelgem, vanaf 1.7.91 te Borgerhout onder de benaming P.C.A. : Psoriasis Centrum Antwerpen. 2.1. Het aanrekenen van de honoraria welke gepaard gaan met de door de geneesheer voorgeschreven hoeveelheid magistrale bereiding in plaats van de hoeveelheid welke werkelijk werd afgeleverd door de apothe- ker. De magistrale bereidingen, voorgeschreven in kleine hoeveelheden op verschillende voorschriften, worden door de apotheker samengevoegd tot grotere hoeveelheden die gelijktijdig afgeleverd worden. Dit is een overtre- ding van het koninklijk besluit tot vaststelling van de nomenclatuur der farmaceutische verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeits- verzekering van 27 december 1967, artikel 2 § 1 code 0751 en art. 4 § 1 code 0775 en 0776. Dit werd vastgesteld in 104 gevallen voor een bedrag van 10.918.259 fr. aan honoraria. 2.2. Het aanrekenen van vlugoliën zijn slechts vergoedbaar tot een bepaalde maximale hoeveelheid per magistrale bereiding De hoeveelheden vlugoliën boven die bepaalde maximale hoeveelheid (door samenvoeging van de bereidingen) werden ten onrechte aangerekend. Dit is een overtreding van het Officieel Farmaceutisch Tarief (45e uitgave, toepasselijk vanaf juli 1989 tot 31 december 1991, deel III Tarief der genees- middelen, produkt vlugoliën). Dit werd vastgesteld in 104 gevallen. Het bedrag zit reeds vervat in dit van tenlastelegging 1. 3. Het aanrekenen van het remgeld rechtstreeks aan het Psoriasis Centrum Antwerpen B.V.B.A. zonder tussenkomst van de patiënten. Dit is een overtreding van onderrichting 23 van het Officieel farmaceu- tisch tarief, 45e uitgave, toepasselijk van juli 1989 tot 31 december 1991. Dit werd vastgesteld in 92 gevallen, in de periode van juli 1991 tot en met december 1991. VII-16.361-3/47 VII-16.361-4/47 4. Het aanrekenen van hernieuwingen zonder geneesmiddelenvoorschrift Overtreding van onderrichting 18,
- a)en
- b)van het officieel farmaceutisch tarief, 45e uitgave, toepasselijk vanaf juli 1989 tot 31 december 1991. Dit werd vastgesteld in 27 gevallen. 5. Het aanrekenen van magistrale bereidingen welke door de voorschrijven- de geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen rechtstreeks werden afgeleverd aan de patiënten in de officina. Overtreding van artikel 19 van het koninklijk besluit van 02.09.1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tussenkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen, zoals gewijzigd en aangevuld tot op heden. Dit werd vastgesteld in 13 gevallen. 6. Het aanrekenen van magistrale bereidingen in het raam van een weten- schappelijk onderzoek of in het raam van klinische proefnemingen met produkten of toestellen, op verzoek van handelsfirma's. Overtreding van artikel 1 § 9 van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrek- kingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zoals gewijzigd en aangevuld tot op heden. Vastgesteld in alle 182 gevallen. 7. Het aanrekenen van magistrale bereidingen bij patiënten die door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen BVBA naar de Zwitserse apotheek werden verwezen waardoor de vrije keuze van apotheker niet gewaarborgd is. Overtreding van artikel 71 § 1 van de wet van 9.8.1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring, zoals gewijzigd en aangevuld tot op heden. Dit werd vastgesteld in 66 gevallen. 8. De gelijktijdige uitvoering van voorschrift en hernieuwingsbons, waardoor honoraria voor magistrale bereidingen ten onrechte in rekening werden gebracht. Overtreding van Onderrichting 18
- c)van het Officieel farmaceutisch tarief, 45e uitgave, toepasselijk vanaf juli 1989 tot 31 december 1991. Vastgesteld in 40 gevallen". 1.5. De verzoeker wordt opgeroepen om op 20 januari 1993 voor de Beperkte kamer te verschijnen. Op vraag van zijn toenmalige raadsman wordt de behandeling van de zaak uitgesteld tot de zitting van 3 maart 1993. Op 3 maart 1993 gelast de Beperkte kamer de Dienst voor geneeskundige controle met een aanvullend onderzoek i.v.m. de volgende punten : "- Kon apotheker MONSTREY redelijkerwijze op de hoogte zijn dat Sorison of Psoriasis Centrum Antwerpen (P.C.A.) voorgedrukte voorschriften heeft ter beschikking gesteld ? VII-16.361-5/47 - Welke waren de juiste professionele relaties tussen Dokter VAN DER HEIJDEN-P.C.A.-Sorison en apotheker MONSTREY ?". Eerstaanwezend geneesheer-inspecteur J. VAN REEPINGEN legt hieromtrent op 14 juni 1993 een aanvullend verslag neer. 1.6. Bij beslissing van 30 juni 1993 legt de Beperkte kamer de verzekeringsinstellingen het verbod op tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen welke door de verzoeker zullen worden verleend over een periode van één jaar. Deze beslissing rust op volgende redengeving : "De Beperkte Kamer, inzake de feiten ten laste gelegd onder 1, na inzage van het dossier en het verslag naar aanleiding van het aanvullend onderzoek, acht de feiten bewezen omdat de administratie genoegzaam aangetoond heeft de collusie tussen enerzijds Sorison of P.C.A. en anderzijds apotheker MONSTREY waaruit ten genoege van rechte kan besloten worden dat het om voorgedrukte voorschriften gaat. Dit blijkt nog ten overvloede uit het verhoor dat van betrokkene werd afgenomen op 27 mei 1993 (zoals aangegeven in het verslag van 1 juni 1993 op pagina 8 en 9), waar apotheker MONSTREY flagrante onwaarheden naar voor brengt over de periode van 1 januari 1991 tot 31 mei 1992 inzake het uitvoeren van bereidingen op basis van voorgedrukte voorschriften, daar waar dokter VAN DER HEIJDEN zelf verklaarde op 14 april 1993, dat er op een bepaald ogenblik voorschriften werden gedrukt (cfr. verslag dd. 1 juni 1993 pag. 5). De Beperkte Kamer beslist derhalve de eerste tenlastelegging aan te houden. Wat de tenlastelegging 2.1. betreft, blijkt uit het dossier dat comparant bereidingen in grotere hoeveelheden dan voorgeschreven maakt en derhalve het honorarium voor elke voorgeschreven hoeveelheid aanrekent in plaats van het honorarium van de aangemaakte hoeveelheid. De Beperkte Kamer wijst er bovendien op dat zoals comparant zelf beweert hij gehouden is uit te voeren wat voorgeschreven werd, zodat het gemak of het voordeel van de patiënt op geen enkele wijze bepalend kan zijn voor de wijze van aanmaken van magistrale bereidingen. De Beperkte Kamer acht dus deze tenlasteleg- ging bewezen en houdt deze aan. Met betrekking tot de tenlasteleggingen vermeld onder 2.2., beslist de Beperkte Kamer, gelet op het feit dat betrokkene geacht wordt magistrale bereidingen te maken in grotere hoeveelheden dan voorgeschreven, dat het maximum aan vergoedbare vlugoliën werd overschreden, zodat de hoeveel- heid boven dit maximum ten onrechte werd aangerekend. Deze feiten zijn derhalve bewezen en worden dan ook door de Beperkte Kamer aangehou- den. Inzake tenlastelegging 3, merkt de Beperkte Kamer op dat apotheker MONSTREY facturen overmaakte aan het P.C.A. B.V.B.A. met het verzoek de bedragen voor een VII-16.361-6/47 Inzake de feiten vermeld onder 4, wenst de Beperkte Kamer er op te wijzen dat het bestaan van een oorspronkelijk geneesmiddelenvoorschrift onontbeerlijk is opdat hernieuwingen zouden kunnen aangerekend worden. Het niet voorhanden zijn van deze oorspronkelijke voorschriften, om welke reden ook, zelfs verlies, maakt geen verrechtvaardiging uit van het in rekening brengen van deze hernieuwingen. De Beperkte Kamer beschouwt de ten laste gelegde feiten bewezen en houdt deze aan. Wat de feitelijkheden aan comparant ten laste gelegd onder 5, betreft, merkt de Beperkte Kamer op dat alle magistrale recipies moeten afgeleverd worden door daartoe wettelijk gemachtigde personen, om voor tegemoetko- ming in aanmerking genomen te worden. Deze gemachtigde houdt dus in, de apotheker zelf, zijn eventuele assistent of helper onder toezicht van de apotheker. Een andere, in casu iemand van het P.C.A. bezit dus niet de kwalificatie. Derhalve is deze tenlastelegging bewezen, en wordt ze weerhouden door de Beperkte Kamer. Met betrekking tot tenlastelegging 6 blijkt uit de patiëntenverklaringen dat in de officina van apotheker MONSTREY geen remgeld hoefde betaald te worden in het kader van de behandeling van psoriasis. Patiënten die aan- vankelijk remgeld betaalden in het kader van hun behandeling, beweerden dat ze De feitelijkheden vermeld onder 7 worden door de Beperkte Kamer bewezen geacht. Dit blijkt overduidelijk uit het dossier en de patiëntenverkla- ringen. Derhalve worden deze feiten ten laste van apotheker Monstrey door de Beperkte Kamer aangehouden. Wat de feiten vermeld onder 8 betreft, stelt de Beperkte Kamer dat het Koninklijk Besluit van 4 juli 1991 in artikel 9, 5e stipuleert : zijn van elke verzekeringstegemoetkoming uitgesloten de magistrale bereidingen die zijn vermeld op hernieuwingsbons. Derhalve doet deze bepaling geen afbreuk aan de vroeger geldende reglementering waarbij een tegemoetkoming voor gelijktijdige uitvoering van voorschriften en hernieuwingsbons voor magistrale bereidingen niet toegekend wordt. Uit de verklaringen van de patiënten blijkt volgens de Beperkte Kamer overduidelijk dat de magistrale bereidingen en de hernieuwingen gelijktijdig werden uitgevoerd. Derhalve worden deze feiten door de Beperkte Kamer bewezen geacht en aangehou- den. De aangehouden feiten maken een inbreuk uit op de wets- en verordeningsbepalingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering namelijk op artikel 71 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, artikel 2 en 4 van het Koninklijk Besluit van 27 december 1967 tot vaststelling van de nomenclatuur der farmaceutische verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, artikel 1 van de bijlage bij het Koninklijk Besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tussenkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen en onderrichting 10, 13, 23 en deel III van het officieel Farmaceutisch Tarief (45e uitgave). VII-16.361-7/47 Dientengevolge bestaat er aanleiding tot een verbod van verzekerings- tegemoetkoming. De Beperkt Kamer, overwegende dat de aangehouden feiten een zware inbreuk uitmaken op de bepalingen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat het bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties niet gering is, dat comparant een systeem opzette waarbij het er hem alleen om te doen was een maximum aan winsten en voordelen te bekomen, dat de handelingen van aard zijn het ziekte- en invaliditeitssysteem gevoelig te ontwrichten, acht een ernstige sanctiemaatregel aangewezen en verbiedt de verzekeringsinstellingen tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen welke zullen worden verleend door apotheker MONSTREY Hans over een periode van 1 jaar". 1.7. Op 12 augustus 1993 tekent de verzoeker tegen deze beslissing hoger beroep aan. 1.8. Met een aangetekend schrijven van 15 februari 1995 wordt hij opgeroepen om op 28 maart 1995 voor de Commissie van beroep te verschijnen. Op 17 maart 1995 worden door zijn raadsman conclusies neergelegd. Op de zitting van 28 maart 1995 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. 1.9. Op 10 augustus 1995 neemt de Commissie van beroep de thans bestreden beslissing waarbij het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en de beslissing a quo van de Beperkte kamer in al haar beschikkingen wordt bevestigd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : "Aangezien appellant, hierin bijgestaan door zijn raadsman, ter zitting van de Commissie van Beroep de grieven en middelen vervat in de akte van hoger beroep, aangevuld door conclusies, uitvoerig toelicht; IN RECHTE Aangezien appellant vóór de Commissie van Beroep in hoofdorde de schending van de rechten van verdediging en de nietigheid van de procedure aanvoert; dat appellant hierbij verwijst naar de tussenbeslissing van de Beperkte Kamer van 3 maart 1993, waarbij een aanvullend onderzoek met ondervra- ging werd bevolen inzake de feiten die appellant onder 1 ten laste worden gelegd; dat dit aanvullend onderzoek aanleiding heeft gegeven tot een verslag van Dokter J. VAN REEPINGEN; dat dit verslag aan appellant niet werd betekend; dat appellant zich vóór de Beperkte kamer niet in rechte heeft kunnen verdedigen wat betreft de feiten die in het verslag vermeld zijn, terwijl de Beperkte Kamer een definitieve beslissing nam op 30 juni 1993; dat appellant de gevoerde procedure in strijd acht met : VII-16.361-8/47 - artikel 6 § 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; - de rechten van verdediging; - de algemene beginselen van het behoorlijk bestuur waardoor de Beperkte Kamer gebonden is; Overwegende dat de Beperkte Kamer, bij beslissing van 3 maart 1993, een aanvullend onderzoek met ondervraging heeft bevolen van appellant wat de hem ten laste gelegde feiten onder 1 betrof; dat de ondervraging twee delen bevatte :
- a)welke waren de juiste professionele relaties tussen Dr. VAN DER HEYDEN - het P.C.A. - SORISON en apotheker MONSTREY?
- b)kon apotheker MONSTREY redelijkerwijze op de hoogte zijn dat SORISON of P.C.A. voorgedrukte voorschriften heeft ter beschikking gesteld? dat appellant omtrent bovenvermelde punten werd ondervraagd door Dr. J. VAN REEPINGEN, E.a. geneesheer-inspecteur op 27 mei 1993; dat de neerslag van de ondervraging is opgenomen in het verslag dat Dr. J. VAN REEPINGEN heeft neergelegd op 14 juni 1993; dat appellant een copie heeft ontvangen van het onderhoor van 27 mei 1993; Overwegende dat de Beperkte Kamer haar beslissing van 30 juni 1993 heeft gesteund op de samenlezing van de stukken uit het dossier, de verklaringen en argumenten van appellant aangebracht ter zitting van 3 maart 1993 en de verklaringen van appellant van 27 mei 1993, opgenomen in het verslag van Dr. J. VAN REEPINGEN; Overwegende dat de Commissie van Beroep uit dezelfde samenlezing van de hierboven vermelde stukken afleidt dat ingevolge het door de Beperkte Kamer bevolen onderzoek geen nieuwe of uitgebreidere inbreuken aan appellant werden ten laste gelegd; dat het aanvullend onderzoek erop gericht was de Beperkte Kamer een beter inzicht te verschaffen inzake de tenlaste- legging onder l; dat appellant zich tegenover de geneesheer-inspecteur in opdracht handelend, totaal vrij heeft kunnen uitdrukken, wat ook blijkt uit de ontwikkeling van de argumenten van appellant voor de Commissie van Beroep, die grotendeels gebaseerd zijn op zijn verklaringen zoals opgenomen in het verslag van Dr. J. VAN REEPINGEN, wat een impliciete aanvaarding van het desbetreffende verslag inhoudt; Overwegende dat de Beperkte Kamer door in haar beslissing rekening te houden met het door haar gevraagde verslag van onderzoek, noch in strijd met de rechten van verdediging van appellant heeft gehandeld, noch artikel 6 § 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens heeft geschonden, noch in strijd heeft geoordeeld met de algemene beginse- len van behoorlijk bestuur; Overwegende dat de Commissie van Beroep geen grond heeft tot vernietiging van de gevoerde procedure; TEN GRONDE Wat betreft de tenlasteleggingen : 1. Het aanrekenen van alle magistrale bereidingen op basis van door SORISON of P.C.A. voorgedrukte voorschriften waarop alleen de naam van patiënt en de datum nog dienen ingevuld. Aangezien appellant, bij conclusies, zijn vroegere verklaringen bevestigt dat in zoverre er al voorschriftenformulieren zouden gedrukt zijn door enige VII-16.361-9/47 dergelijke den worden; dat hij enkel voorschriften heeft uitgevoerd, uitgaande van een daartoe bevoegd geneesheer, en welke voorschriften overigens in se niet in het minst toelieten hieruit af te leiden dat deze hoe dan ook door enige zouden zijn voorgedrukt; dat appellant de vraag stelt op grond van welk objectief element hij dergelijke voorkennis zou moeten gehad hebben, dit, het weze herhaald, in zoverre deze documenten door een fabrikant zouden gedrukt zijn; dat hij naar aanleiding van de behandeling van deze zaak voor de Beperkte Kamer kennis heeft kunnen nemen van bepaalde verklaringen, waaruit zou blijken dat SORISON NEDERLAND inderdaad bepaalde kosten van drukwerk in dit verband zou gedragen hebben; dat dergelijke kennisname uiteraard post factum is gebeurd en hem alsdusdanig niet kan worden tegengesteld; dat er dienvolgens enkel kan vastgesteld worden dat niet tot voldoening van recht bewezen is dat concluant voorschriften zou hebben uitgevoerd die gedrukt werden door enige fabrikant; Overwegende dat de tenlastelegging onder 1 betrekking heeft op het overtreden van het bepaalde bij onderrichting 10.1 van het Officieel Farmaceutisch Tarief, 45e uitgave : rekend : ... 1. de door de fabrikanten gedrukte voorschriften zelfs indien deze op de voorschriftbriefjes zijn gekleefd'. Overwegende dat de Commissie van Beroep hierbij overweegt : - dat een geconventioneerd apotheker, in casu appellant zich dient te schikken naar de bepalingen van het Officieel Farmaceutisch Tarief (O.F.T.) - dat de onderrichting 10.1 van O.F.T. duidelijk stelt dat de farmaceutische verstrekkingen afgeleverd ingevolge gedrukte voorschriften, zelfs indien zij op voorschriftenbriefjes zijn gekleefd, niet mogen aangerekend worden aan de verzekering; - dat de vraag zich niet stelt of appellant kennis had van het feit dat de hem voorgelegde voorschriftenbriefjes al dan niet voorgedrukt waren; dat het O.F.T. enkel stelt dat verstrekkingen verleend op vertoon van voorge- drukte voorschriftenbriefjes niet mogen aangerekend worden; - dat elke apotheker-verstrekker geconfronteerd met massale hoeveelheden voorgedrukte voorschriften zich de vraag dient te stellen of het ingevolge de vigerende wetgeving toegelaten is deze aan te rekenen; Overwegende dat appellant op de vraag of hij niet kon vermoeden dat de duizenden voorschriften die hij te verwerken kreeg van Dr. VAN DER HEYDEN, voorzien van stereotiepe formules, voorgedrukt waren door een firma, i.c. SORISON, enkel antwoordt dat hij de plicht had de hem aangeboden voorschriften uit te voeren en dat het niet zijn taak was om dokters terecht te wijzen; (P.V. 27 mei 1993) dat appellant op dezelfde vraag, gesteld tijdens de zitting van de Commissie van Beroep, hetzelfde antwoord geeft; Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat in opdracht van het Psoriasis Centrum Antwerpen, vroeger SORISON BELGIUM, door drukkerij BOUT geneesmiddelenvoorschriften werden gedrukt; (cfr. facturen aan P.C.A. vanwege drukkerij BOUT) VII-16.361-10/47 dat uit de verklaringen van de betrokkenen verder blijkt dat er een relatie bestaat tussen Dr. VAN DER HEYDEN en het Psoriasis Centrum Antwer- pen met de Stichting SORISON Nederland; dat Dr. VAN DER HEYDEN dienaangaande verklaart : (P.V. van 13 november 1991) Twee dagen per week zit ik in Antwerpen-Borgerhout 2140 te Boelaerelei, 46... De patiënten bellen naar het centrum (P.C.A.) en maken een afspraak. Ik onderzoek ze dan op het centrum en reken dan een raadpleging aan met een getuigschrift voor verstrekte hulp. Na het gesprek en het onderzoek wordt een therapie ingesteld, die alleen uitwendig is in hoofdzaak. De geneesmiddelen worden vervolgens voorgeschreven op een geneesmiddelenvoorschrift. De geneesmidde- lenvoorschriften bestel ik in Nederland bij BOUT en BOURIER te Barneveld. Het gebeurt ook dat het centrum van Antwerpen deze bestelt. De stichting betaalt in elk geval steeds de geneesmiddelenvoor- schriften die gedrukt werden aan de drukker. Praktisch is het zo. De fakturen staan op naam van het centrum P.C.A. en ik verwittig de drukker telkens als mijn voorraad ver opgebruikt is. Het is de stichting SORISON Amersfoort die de geneesmiddelen Corposor primum, Corposor secundum enz. verdeelt... Ik wens aan mijn verklaring toe te voegen dat ik nadien de kosten aan het centrum P.C.A. terugbetaal. De geneesmiddelenvoorschriften worden gedrukt met de formules erop'; dat Mevrouw AXELSSON op 19/11/1991 verklaart : DEN, Dr. VAN DER HEYDEN wordt door ons niet betaald, ook geen onkostenvergoeding voor om het even wat .... Overwegende dat de Commissie van Beroep verder uit de stukken van het dossier en de verklaringen van appellant ter zitting kan opmaken dat er een relatie is tussen appellant en SORISON Nederland; dat appellant voor de door hem uitgevoerde magistrale psoriasisbereidingen de nodige vlugoliën betrekt bij SORISON-Nederland; dat dit volgens appellant gebeurt op basis van de prijs-kwaliteitsverhouding van de produkten van SORISON Nederland; Overwegende nog verder in dit verband dat uit alle verklaringen in het dossier opgenomen blijkt dat er een relatie is tussen appellant en het Psoriasis Centrum Antwerpen; dat appellant regelmatig facturen met betrekking tot nog verschuldigde remgelden overmaakt aan Mevrouw AXELSSON van het Psoriasis Centrum Antwerpen; Overwegende dat de Commissie van Beroep oordeelt dat op basis van al deze gegevens de Beperkte Kamer terecht heeft kunnen oordelen dat appellant geneesmiddelen verstrekte en aanrekende, tijdens de betwiste periode, op basis van voorgedrukte voorschriften; 2.1. Het aanrekenen van de honoraria welke gepaard gaan met de door de geneesheer voorgeschreven hoeveelheid magistrale bereiding in plaats van de hoeveelheid welke werkelijk werd afgeleverd door de apothe- ker. Aangezien appellant, teneinde zijn gedragswijze te verklaren, de hierna- volgende historische gegevens schetst: VII-16.361-11/47 - oorspronkelijk diende appellant vloeibare magistrale bereidingen af te leveren; - hij bereidde alsdan de magistrale bereidingen individualiter en leverde deze ook individualiter af; - rond september 1991 betreffen de voorschriften geen vloeibare bereiding- en meer, doch wel gels; - hij blijft deze bereiding per bereiding afzonderlijk prepar(eren); - gezien bij dergelijke bereidingen evenwel, in zoverre ze verpakt zouden worden in dergelijke kleine hoeveelheden, een aanzienlijk gedeelte van het geleverde zou verloren gaan, verpakt appellant alsdan de bereidingen in grotere hoeveelheden; Alsdusdanig heeft hij nooit enige inbreuk gepleegd op de ter zake voor- liggende reglementeringen. Gezegde reglementeringen voorzien inderdaad wel in de afzonderlijke bereiding, doch bevatten nergens het verbod dat nadien deze afzonderlijk klaargemaakte bereidingen zouden worden samengevoegd in één verpakking; dat appellant in dit verband verder verwijst naar de verklaringen die hij heeft afgelegd in de loop van de procedure : - het proces-verbaal van verhoor dd. 31.08.92, waarin appellant stelt : - in zijn aangetekend schrijven dd. 21.09.92 stelt appellant dat appellant verder voorhoudt dat de Beperkte Kamer volkomen ten onrechte gesteld heeft dat hij gezegde bereidingen in zou hebben gemaakt; dat hem niet tegengesteld kan worden dat hij honoraria zou aangerekend hebben welke gepaard zouden gaan met de door de geneesheer voorgeschre- ven hoeveelheden magistrale bereidingen i.p.v. de hoeveelheid welke werkelijk werd afgeleverd door de apotheker; dat hij wel degelijk de voorschriften bereiding per bereiding uitgevoerd heeft zij het dat hij deze in een bepaalde periode nadien qua verpakking heeft samengevoegd; Overwegende dat de Commissie van Beroep vaststelt : - dat appellant zowel in conclusies, als in zijn verklaringen ter zitting volhoudt dat hij de duizenden magistrale bereidingen stuk per stuk uitvoert; - dat uit de technische gegevens uit het dossier en de verklaringen verstrekt ter zitting blijkt dat per patiënt 32 voorschriften met telkens 7 bereidingen per voorschrift dienden afgewerkt te worden; dat dit 224 bereidingen van elk 5 gram betekende; dat 5 gram bereiding op een zalfplaat een zeer kleine hoeveelheid gel is; dat elke bereiding soms tot 10 ingrediënten bevatte; - dat het in dergelijke omstandigheden voor onmogelijk dient gehouden te worden dat deze bereidingen met zoveel ingrediënten in dergelijke minieme-hoeveelheden 224 keer kunnen bereid worden voor 182 patiënten; VII-16.361-12/47 - dat appellant bevestigt dat hij de afzonderlijke gemaakte bereidingen samenschraapt tot hoeveelheden van 40 gram omdat er anders te veel materie verloren gaat indien hij afzonderlijke verpakkingen van 5 gram maakt; - dat in dit verband uit de technische gegevens blijkt dat appellant bij deze bereidingen hoeveelheden verwerkt van 0,0125 gram of 12,5 mg carbopol of 200 mg tween 80, 40 mg NA C.N.C.; dat appellant volgens zijn beweringen ter zitting hierbij gebruik maakt van micropipetten; Overwegende dat de Commissie van Beroep hieruit afleidt dat het voor appellant technisch onmogelijk was om dergelijke kleine hoeveelheden bereidingen telkens opnieuw aan te maken; dat het duidelijk is dat appellant de bereidingen in grote hoeveelheden aanmaakte; dat het tegendeel beweren grenst aan het menselijk kunnen van de verstrekker; Overwegende dat de Commissie van Beroep verder stelt dat zelfs indien de beroepsvereniging van de apothekers of de tariferingsdienst geen opmerkingen maken ten aanzien van de werkwijze van appellant, hijzelf in de eerste plaats verantwoordelijk blijft voor de toepassing van de reglemen- taire bepalingen terzake; dat indien het Officieel Farmaceutisch Tarief geen richtlijnen bevat betreffende de wijze waarop de aflevering van magistrale bereidingen dient te geschieden, het tot de logica zelf van het systeem behoort dat iedere bereiding die in een bepaalde hoeveelheid wordt voorgeschreven, in die hoeveelheid wordt afgeleverd en gehonoreerd; dat door het afleveren van grotere hoeveelheden dan voorgeschreven in casu 40 gram = 8 x 5 gram en aan te rekenen als 8 bereidingen appellant 7 maal teveel honorarium heeft aangerekend; Overwegende dat de Beperkte Kamer terecht de tenlastelegging 2.1. heeft weerhouden; Wat betreft de tenlastelegging 2.2. 2.2. Het aanrekenen van vlugoliën zijn slechts vergoedbaar tot een bepaalde maximale hoeveelheid per magistrale bereiding. Overwegende dat deze tenlastelegging voortvloeit uit de tenlastelegging 1.1 en door de Beperkte Kamer weerhouden werd, wat door de Commissie van Beroep als terecht wordt beschouwd. Wat betreft tenlastelegging 3. 3. Het aanrekenen van het remgeld rechtstreeks aan het Psoriasis Centrum Antwerpen BVBA zonder tussenkomst van de patiënten. Aangezien appellant in hoger beroep aanvoert dat de juridische grondslag van deze tenlastelegging, namelijk onderrichting 23 van het Officieel Farmaceutisch Tarief betreffende het - dat weliswaar in juli 1991 door het P.C.A. aan appellant gevraagd werd het remgeld niet langer rechtstreeks aan de patiënt aan te rekenen doch dit aan te rekenen aan het P.C.A.; - dat onder het meest uitdrukkelijke voorbehoud van de onsplitsbaarheid van zijn verklaringen appellant in dit verband duidelijk stelt; - dat het P.C.A. stelde dat het zich wat betaling van de remgelden betreft in de plaats wenste te stellen van bepaalde patiënten die deelnamen aan een wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door SORISON, welk weten- schappelijk onderzoek evenwel uitsluitend betrekking had op de cosmetische produkten van gezegde firma; VII-16.361-13/47 - dat voor hun medewerking aan gezegd onderzoek het P.C.A. beslist had de remgelden ten laste te nemen voor de betrokken patiënten; - dat uitsluitend om redenen van practische aard, en i.p.v. deze remgelden post factum aan de betrokken patiënten terug te betalen, er geopteerd werd voor de rechtstreekse betaling van deze remgelden door het P.C.A.; - dat binnen het kader van deze uitleg concluant zich dienvolgens bereid verklaarde, gezegde remgelden aan te rekenen op de hem voorgestelde wijze; - dat hoe dan ook appellant steeds en voor elk geval het remgeld heeft aangerekend; - dat de niet kunnen worden aangehouden; - dat ten onrechte verwezen wordt naar het KB van 31.05.1885 meer bepaald het artikel 11 ervan; - dat gezegde bepaling inderdaad betrekking heeft op overeenkomsten, schikkingen of verstandhoudingen tussen geneesheren en apothekers, welke overeenkomsten op geen enkel gebied hebben bestaan, en dus zeker niet op het gebied van de voorliggende tenlastelegging; - dat krachtens gezegde bepalingen van artikel 11 enkel overeenkomsten, schikkingen en verstandhoudingen tussen geneesheren en apothekers verboden zijn die ertoe strekken enige rechtstreekse of onrechtstreekse winst te realiseren uit de voorschrijving of de levering van geneesmidde- len; - dat de door appellant gevolgde handelwijze hem geen dienvolgens aan appellant geen enkele winst verschafte; - dat niet kan verwezen worden naar het KB nr. 78, en meer bepaald het artikel 18 § 2 ervan; - dat appellant aanstipt dat de overeenkomst met het P.C.A. hem geen enkele - dat onder voorbehoud van de onsplitsbaarheid van zijn verklaringen appellant in dit verband vooropstelt dat vanaf juli 1991 het P.C.A. dit remgeld rechtstreeks aan de apotheker betaalde bij wie de patiënt de bereidingen aanschafte, zodat hij geen enkele Overwegende dat de Commissie in verband met de aangevoerde middelen vaststelt dat het onwaarschijnlijk voorkomt, dat de remgelden op farmaceuti- sche verstrekkingen door de apotheker niet zouden gevraagd worden aan de rechthebbenden; - dat het betalingssysteem binnen de verzekering voor geneeskundige verzorgingen en uitkeringen, dat het in de eerste plaats bedoeld is om overconsumptie tegen te gaan en de wildgroei op de geneesmiddelenmarkt te voorkomen; - dat in tweede orde het remgeld integrerend deel uitmaakt van de kostprijs van het af te leveren geneesmiddel en op zichzelf een deel van het inkomen van de verstrekker uitmaakt, onverschillig of de verstrekker enige Overwegende dat de Commissie van Beroep verder vaststelt dat appellant door in te gaan op het voorstel van het Psoriasis Centrum Antwerpen om het remgeld niet meer aan te rekenen aan de patiënten van het Centrum, maar om dit remgeld rechtstreeks aan het Centrum aan te rekenen, zij het in het raam van een wetenschappelijk onderzoek betreffende cosmetica, wat nergens uit het dossier blijkt, het evenwicht van het terugbetalingssysteem binnen de VII-16.361-14/47 verzekering in gevaar heeft gebracht; dat appellant diende vast te stellen dat hij door zo te handelen medewerkte aan een kanaliseringssysteem van patiënten naar zijn officina; Overwegende dat de Commissie van Beroep, zoals hoger vermeld geen aanwijzing vindt voor het door appellant aangebrachte dat uit de verklaringen van de betrokkene enkel blijkt : Mevrouw AXELSSON - P.C.A. NOVEMBER 1991 Het is de bedoeling een onderzoek uit te voeren voor SORISON NEDERLAND naar de effectiviteit van de produkten en de hele therapie ter behandeling van de symptomen van psoriasis. Zoals u ziet in de overeenkomst betaalt SORISON NEDERLAND aan P.C.A. een vaste vergoeding van 400.000 frank per maand. SORISON NEDER- LAND betaalt ook het remgeld op de magistrale bereidingen welke worden voorgeschreven door de dokters. De facturen van apotheker MONSTREY Hans staan wel op naam van het Psoriasiscentrum Antwerpen, maar ik reken die door aan Nederland. Ook is dit zo in principe voor andere apothekers als er zijn. Wanneer u mij vraagt wat SORISON NEDERLAND voor al deze betaling in de plaats krijgt, dan veronderstel ik dat dit de waarde van de onderzoeksgegevens is die zij aldus bekomen, en die wij hun ter hand stellen'. Overwegende dat in deze verklaring duidelijk sprake is om remgelden te innen op magistrale bereidingen voorgeschreven door de geneesheren van het P.C.A. : dat mevrouw AXELSSON niet spreekt over cosmetica; dat Dr. VAN DER HEYDEN op 12 februari 1992 ondermeer verklaart : teerd en vandaar uit verdeeld naar de apothekers die daar bestellen... De resultaten van het onderzoek zijn bestemd voor Sorison Nederland, zowel in België als in Nederland. Momenteel bereid ik een verslag voor bestemd voor Sorison Nederland in verband met mijn aktiviteiten in België. Wat Sorison Nederland er verder mee doet weet ik niet. Als ik vind dat er bepaalde wijzigingen aan de produkten moeten gebeuren, rapporteer ik dit en past men de produkten aan. Ik rapporteer aan de stichting Sorison de heer VAN DER BEEK. Met produkten bedoel ik zowel de bereidingen als de homeopatische produkten. De voorge- schreven produkten zijn constant maar de frekwentie van toepassing verschilt. Ik houd de produkten constant omwille van de duidelijkheid van het onderzoek ... Overwegende dat uit deze verklaringen evenmin blijkt dat het onderzoek loopt over cosmetische produkten, maar wel over magistrale bereidingen door de ondervraagde zelf voorgeschreven; Overwegende dat er zich in het dossier copieën van maandelijkse facturen van appellant bevinden, gericht aan het P.C.A. betreffende Overwegende dat de Beperkte Kamer uit deze gegevens terecht heeft kunnen afleiden dat de remgelden voor alle patiënten van het P.C.A. zonder VII-16.361-15/47 onderscheid, rechtstreeks aan het Centrum werden aangerekend zonder tussenkomst van de patiënt en de tenlastelegging heeft aangehouden; Wat de tenlastelegging 4 betreft. 4. Het aanrekenen van hernieuwingen zonder geneesmiddelenvoorschrift. Overwegende dat de Commissie van Beroep wat deze tenlastelegging betreft, de overwegingen van de Beperkte Kamer tot de hare maakt en de tenlastelegging aanhoudt; Wat de tenlastelegging 5 betreft : 5. Het aanrekenen van magistrale bereidingen welke door de voorschrijven- de geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen rechtstreeks werden afgeleverd aan de patiënten en niet in de officina. Overwegende dat de Commissie van Beroep wat deze tenlastelegging betreft de overwegingen van de Beperkte Kamer tot de hare maakt en de tenlastelegging weerhoudt; Wat de tenlastelegging 6 betreft : 6. Het aanrekenen van magistrale bereidingen in het raam van een weten- schappelijk onderzoek of in het raam van klinische proefnemingen met produkten of toestellen op verzoek van handelsfirma's. Aangezien appellant, zich steunend op het bepaalde bij artikel 1 § 9 van het Koninklijk Besluit van 14 september 1984 : schappelijk onderzoek of in het raam van klinische proefnemingen met produkten of toestellen op verzoeken van handelsfirma's, mogen niet worden aangerekend' beroept op het feit dat hij geen partij is geweest bij een contract, of dat hij prestaties heeft uitgevoerd binnen het kader van om het even welke overeen- komst; dat hij uitsluitend de wettelijke verplichtingen zoals voorzien in het KB van 31.05.1885 uitgevoerd heeft door de hem, door patiënten voorgelegde behoorlijk door een geneesheer voorgeschreven geneeskundige voorschrif- ten, uit te voeren; dat hij niets meer deed en enkel de op hem drukkende wettelijke verplichtingen uitgevoerd heeft; Overwegende dat de Commissie van Beroep desbetreffende oordeelt dat appellant vanaf het ogenblik dat het Psoriasis Centrum Antwerpen hem voorstelde om het remgeld, op de farmaceutische verstrekkingen verleend op voorschriften van de geneesheren van het Centrum voor de patiënten die deelnamen aan een dat door in te gaan op dit verzoek appellant wel degelijk zijn medewer- king heeft verleend, ook al was hij niet rechtstreeks bij de kontrakterenden betrokken; cfr. de verklaringen bij de tenlastelegging 3; dat het duidelijk is dat appellant de rechthebbende diende in te lichten van deze procedure aangezien hij anders verplicht zou zijn geweest zelf het remgeld te innen; Overwegende dat de Beperkte Kamer terecht deze tenlastelegging als bewezen achtte en ze heeft aangehouden; Wat betreft de tenlastelegging 7 : 7. Het aanrekenen van magistrale bereidingen bij patiënten die door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen BVBA naar de VII-16.361-16/47 Zwitserse apotheek werden verwezen waardoor de vrije keuze van apotheker niet gewaarborgd is. Aangezien appellant tegenover deze tenlastelegging stelt dat in zoverre hij heeft kunnen uitmaken er nergens sprake is in hoofde van de patiënten van enige verplichting om zich te wenden tot zijn apotheek; - dat wanneer blijkbaar de overgrote meerderheid van gezegde patiënten zich voor de aanschaf van hun geneesmiddelen bij hem hebben aangebo- den dit hem uiteraard niet verwonderde, dit rekening houdende met de reeds hoger geschetste elementen en wel - de zeer grote faam en reputatie die concluant heeft op het gebied van de homeopatie en de fytotherapie; - terwijl mogelijks deze wijze van handelen tevens was geïnspireerd in hoofde van de patiënten door het feit dat de apotheek van concluant in de onmiddellijke omgeving lag van het psoriasis centrum, alwaar de behandelingen in feite doorgang vonden; - dat hij hierbij niet uitsluit dat buiten zijn weten en zonder enige overeen- komst met hem mogelijks bepaalde personen verbonden aan het P.C.A. de patiënten - dat appellant in dit verband evenwel wenst te stellen dat dit buiten zijn weten is geschied, in zoverre het al is gebeurd; - dat uit de patiëntenverklaringen blijkt dat de patiënten nooit verplicht zijn geweest de voorgeschreven geneesmiddelen bij hem te betrekken; - dat appellant in dit verband naar het procesverbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder DE HAES, dd. 28.02.93 verwijst waaruit blijkt dat effectief aan bepaalde patiënten - dat in eerste instantie het geven van dergelijke - dat in tweede instantie appellant van oordeel is dat dergelijke niet in het minst een inbreuk betekenen op de aangevoerde bepalingen van het artikel 71 § 1 van de wet van 09.08.1963; - dat de patiënten steeds de vrije keuze hadden en het verschaffen van adviezen houdende het aanraden van een bepaald apotheker niet impliceert dat een inbreuk zou gepleegd worden op deze Overwegende dat de Commissie van Beroep oordeelt dat de elementen aangebracht door appellant ter verklaring van het bij hem terechtgekomen cliënteel, zijnde bijna alle patiënten van het Psoriasis Centrum Antwerpen, als ongeloofwaardig overkomen; - dat noch de zeer grote faam en reputatie van appellant inzake homeopa- thie of fytotherapie, noch de onmiddellijke nabijheid van zijn officina met het Centrum, de uitzonderlijke grote toeloop van het cliënteel redelijker- wijze kunnen verklaren; - dat uit de gehele context van de activiteit van het Psoriasis Centrum Antwerpen duidelijk blijkt dat er een samenwerkingsverband bestond tussen de verzorgingsinstelling P.C.A., de leveranciers van de produkten ter vervaardiging van de magistrale bereidingen SORISON-Nederland- SORISON BELGIUM BVBA en appellant; - dat de Beperkte Kamer hieruit terecht heeft kunnen afleiden dat deze tenlastelegging bewezen was en weerhouden diende te worden; Wat betreft de tenlastelegging 8 : VII-16.361-17/47 8. De gelijktijdige uitvoering van voorschrift en hernieuwingsbons, waardoor honoraria voor magistrale bereidingen ten onrechte in rekening werden gebracht. Aangezien appellant zich, wat deze tenlastelegging betreft, naar de wijsheid van de Commissie van Beroep gedraagt; Overwegende dat de commissie van Beroep de stellingname ter zake van de Beperkte Kamer overneemt en ze tot de hare maakt; dat deze tenlasteleg- ging weerhouden wordt"; 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen volgende argumenten doen gelden : 2.1.1.1. De verzoeker voert als eerste middel het volgende aan : "Schending van artikel 6. 1. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en van artikel 252 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, evenals van het algemeen beginsel inzake behoorlijke rechtsbedeling luidens welk jurisdictionele beslissingen binnen een redelijke termijn moeten worden uitgesproken; doordat de bestreden beslissing tenlasteleggingen bewezen acht die betrekking hebben op feiten daterend van de periode van 1 januari 1991 tot en met december 1991; die feiten aanleiding hebben gegeven tot een procedure voor de Beperkte Kamer alwaar op 30 juni 1993 een beslissing werd genomen; de verzoeker tegen die beslissing op 10 augustus 1993 beroep heeft ingesteld; de zaak voor behandeling werd vastgesteld op 28 maart 1995; de beslissing van de Commissie van Beroep op 10 augustus 1995, zijnde meer dan vier maanden nadien, werd uitgesproken; terwijl overeenkomstig artikel 252 van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, de commissie uitspraak moet doen binnen de zes weken na de indiening van het hoger beroep; deze termijn weliswaar een termijn van orde is doch niettemin aangeeft dat het van groot belang werd beschouwd dat, om redenen van rechtszekerheid, met de behandeling van de zaak in beroep niet zou worden getalmd; een beslissing in jurisdictionele zaken op grond van artikel 6.1. E.V.R.M. en het algemeen rechtsbeginsel inzake behoorlijke rechtsbedeling hoe dan ook binnen een redelijke termijn moet worden uitgesproken; VII-16.361-18/47 en terwijl de zaak in graad van beroep geen bijzondere feitelijke opzoe- kingen vergde, doch enkel betrekking had op de vraag in welke mate de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, uit de voorhanden zijnde feitelijke gegevens, rechtsgeldig kon afleiden dat verzoeker zich schuldig had gemaakt aan een aantal met elkaar verwante inbreuken op de reglementering inzake de verplichte ziekte- en invaliditeits- verzekering (8 in totaal), inbreuken die er voornamelijk op neerkomen te stellen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan een band' met de verzorgingsinstelling Psoriasis Centrum Antwerpen en de leveranciers van de produkten ter vervaardiging van de magistrale bereiding- en SORISON-Nederland-SORISON Belgium B.V.B.A.; alle bijzondere feitelijke opzoekingen waarop de bestreden beslissing is gebaseerd reeds werden uitgevoerd voordat de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle haar beslissing op 30 juni 1993 trof; de secretaris van de commissie van Beroep reeds bij brief van 1 september 1993 aan de Geneesheer-rapporteur om het bij artikel 249, paragraaf 2, van het K.B. van 4 november 1963 vereiste verslag verzocht; dit verslag, dat overigens niet gedateerd is en slechts 8 pagina's bedraagt, slechts bij brief van 16 februari 1995 aan verzoeker en zijn raadsman betekend werd; dit verslag zich overigens beperkt tot een samenvatting van de tenlasteleggingen en de beslissing(
- en)van de beperkte kamer dd. 3 maart 1993 en 30 juni 1993 en de vermelding dat tegen het besluit van de beperkte kamer dd. 30 juni 1993 beroep is ingesteld; het verslag aldus niets nieuws toevoegt aan wat reeds beschikbaar was op het ogenblik dat de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle op 30 juni 1993 haar beslissing nam; de Commissie voor Beroep het overigens niet nodig achtte om, overeenkom- stig artikel 252, lid 3 van het K.B. van 4 november 1963, een bijkomend onderzoek te gelasten naar aanleiding van dit verslag; het niettemin bijna twee volle jaren heeft geduurd vooraleer de zaak in behandeling werd genomen; de bestreden beslissing nadien slechts na meer dan vier maanden werd uitgesproken; de specifieke omstandigheden van de zaak de duur van twee jaar bijgevolg niet kunnen verantwoorden; zodat de bestreden beslissing genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen"; 2.1.1.2. De verwerende partij antwoordt, samengevat : - dat gelet op de complexiteit van de zaak het absoluut niet mogelijk was dit dossier in een kortere tijd af te werken, - dat de verzoeker uit het oog verliest dat hij zelf van augustus 1993 tot met 1994 aan de voorbereiding van zijn verdediging werkte, - dat het dossier eerst in het najaar van 1994 klaar was voor behandeling, - dat het feit dat dit toen niet gebeurde te wijten was aan praktische moeilijk- heden i.v.m. de samenstelling van de zetel van de Commissie van beroep en een ernstige overbelasting van de rol van de Commissie van beroep, VII-16.361-19/47 - dat een verplichte samenstelling met 9 leden -allen actief in hun eigen beroepsleven- op een gewone werkdag tijdens de werkuren vaak zeer moeilijk kan tot stand gebracht worden, - dat vier maanden om in een dergelijk ingewikkeld dossier een gemotiveerde beslissing uit te werken, geenszins overdreven lijkt, - dat van nadelige gevolgen voor de verzoeker ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn helemaal niets te merken valt en - dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet van toepassing is. 2.1.1.3. De verzoeker draagt in zijn memorie van wederantwoord eerst argumenten aan ter staving van de toepasselijkheid van art. 6.1, van het E.V.R.M. op dit geschil. Vervolgens herhaalt hij dat, ook zonder toepassing van het E.V.R.M., de bestreden beslissing in elk geval binnen een redelijke termijn diende genomen te worden. Voorts betoogt hij dat hij niet hoeft aan te tonen dat de miskenning van de redelijke termijn hem schade heeft berokkend, omdat de loutere schending van dit vereiste impliceert dat de Commissie van beroep, als administratief rechtscollege, "haar recht om het beroep te verwerpen als het ware verwerkt heeft". VII-16.361-20/47 Hij vervolgt : "4. In tegenstelling tot wat verwerende partij voorhoudt, heeft de Verwerende partij laat trouwens volledig na deze De bewering dat verzoeker zelf De stukken waarnaar verwerende partij verwijst zijn immers niet terzake dienend, nu daaruit enkel blijkt dat verzoeker, via één van zijn raadslieden, herhaaldelijk verzocht heeft om mededeling van het Officieel Farmaceutisch Tarief, zodat het verweer op zinvolle wijze kon worden opgebouwd. Uit de briefwisseling die de raadsman van verzoeker richtte aan verwerende partij blijkt bovendien dat deze steeds het spoedeisend karakter van zijn verzoek tot mededeling heeft benadrukt. Verzoeker werd evenwel slechts bij aangetekend schrijven van 15 februari 1995 uitgenodigd voor de zitting op 28 maart 1995, hoewel de waarnemend geneesheer-inspecteur-Generaal reeds op 1 september 1993 werd verzocht verslag uit te brengen. Geheel binnen de door de wet voorziene termijn heeft verzoeker dienvolgens op 16 maart 1995 zijn beroepsconclusie neergelegd. Dat verzoeker zijn beroepsconclusie slechts heeft neergelegd op 16 maart 1995 is bijgevolg enkel en alleen te wijten aan de inertie van verwerende partij. 5. De omstandigheid dat de behandeling van de zaak door vertraging zou hebben opgelopen, volstaat niet om aanneembaar te maken dat de zaak binnen een redelijke termijn werd behandeld. Overeenkomstig de rechtspraak van uw Raad kunnen omstandigheden, te wijten aan de interne organisatie van het administratief rechtscollege, de vertraging van de behandeling niet verantwoorden (in die zin : R.v.S., 16 maart 1990, Decleve, nr. 34.370, reeds hoger aangehaald)". 2.1.1.4. In zijn laatste memorie argumenteert de verzoeker, reagerend op het auditoraatsverslag, op de eerste plaats dat zijn houding tijdens de afwikkeling van de procedure voor de Commissie van beroep niet aan de basis ligt van de lange duur van die procedure, en dit met volgende bewoordingen : "2. De houding van verzoeker heeft, in het licht van de bepalingen van het K.B. tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (B.S. 31.07.1996; dit K.B. is de gecoördineerde versie van het vroegere K.B. VII-16.361-21/47 van 4 november 1963; hierna Huidig artikel 307, par. 4, van het gecoördineerd K.B. (artikel 249, par. 4 van het toenmalige K.B. van 4 november 1963) bepaalt : Binnen vijf dagen vóór de terechtzitting, kunnen de partijen inzage nemen van het dossier en de Commissie een memorie zenden'. Uit die bepaling is af te leiden dat de Commissie van Beroep zelf meester is van de duur van de procedure. Zij is het immers die de datum van terechtzitting bepaalt. Klaarblijkelijk gaat de Commissie van Beroep er van uit dat de beroeps- indiener slechts na die oproeping inzage wordt verleend, reden waarom de Commissie van Beroep wellicht de verzoeker tijdig (d.w.z. ruim meer dan 10 dagen vóór de datum van de terechtzitting; in casu werd verzoeker bij aangetekend schrijven van 15 februari 1995 uitgenodigd voor de zitting van 28 maart 1995) oproept. Dit moet afgeleid worden uit het antwoord van de (secretaris van
- de)Commissie van Beroep dd. 1 februari 1994 op het verzoek van de raadsman van verzoeker dd. 18 januari 1994 om inzage van de stukken van het dossier te bekomen. In het antwoord van de (secretaris van) de Commissie van Beroep dd. 1 februari 1995 staat immers te lezen : Welnu, in casu verzocht de raadsman van verzoeker, Mter Gonthier, dus reeds op eigen initiatief om inzage van het dossier ruim voordat hij door de Commissie op dit inzagerecht zou worden gewezen, dit teneinde de behandeling van het dossier te bespoedigen. De omstandigheid dat daardoor het administratief dossier gedurende een tijd (1 maand) ter inzage zou hebben gelegen op het secretariaat van de Commissie, doet niet terzake, nu die inzage hoe dan ook vereist was. Die omstandigheid is enkel aan de interne organisatie van het administratief rechtscollege te wijten. De indiening van de beroepsconclusie op 17 maart 1995 impliceert al evenmin dat de houding van verzoeker heeft bijgedragen tot de lange duur van het onderzoek en de behandeling van het dossier. Verzoeker ontleent aan het huidig artikel 307, par. 4, van het gecoördineerd K.B. (artikel 249, par. 4 van het toenmalige K.B. van 4 november 1963) immers het recht binnen vijf dagen vóór de terechtzitting aan de Commissie van Beroep een memorie te zenden. Feit is en blijft dat de Commissie van Beroep zelf geheel het verloop van de procedure bepaalt én in casu ook bepaald heeft. Aan verzoekende partij kan dan ook geenszins worden verweten door zijn houding de behandeling van het dossier te hebben vertraagd". Op de tweede plaats stelt de verzoeker dat de omstandigheid dat het onderzoek en de procedure voor de Beperkte kamer slechts negen maanden hebben in beslag genomen, precies bevestigt dat de procedure voor de Commissie van beroep onredelijk lange tijd heeft geduurd, en dat de duur van het onderzoek en de procedure voor de Beperkte kamer trouwens niet kan aange- VII-16.361-22/47 grepen worden voor de beoordeling van de duur van het onderzoek en de procedure voor de Commissie van beroep. 2.1.1.5. De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet meer op dit middel in; 2.1.2. Beoordeling Overwegende dat de bovenvermelde argumenten als volgt worden beoordeeld : 2.1.2.1. Artikel 252, eerste lid, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bepaalt dat "de commissie (van beroep) over elk hoger beroep uitspraak doet binnen zes weken na de indiening van het hoger beroep". De Commissie van beroep is echter een administratief rechtscollege dat op straffe van rechtsweigering uitspraak moet doen over het bij haar ingesteld beroep. Zelfs een niet-verantwoorde vertraging bij het verlenen van een uitspraak kan de Commissie derhalve niet ontslaan van de haar door de wet opgelegde verplichting uitspraak te doen over het bij haar aanhangig gemaakt beroep. De termijn van zes weken bedoeld in artikel 252 van het koninklijk besluit van 4 november 1963, welke niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, is bijgevolg, zoals de verzoeker overigens toegeeft, een loutere termijn van orde. De loutere overschrijding van deze termijn onttrekt in casu de zaak dus niet aan de bevoegdheid van de Commissie van beroep, en deze blijft er, ook na het verstrijken van de termijn, toe gehouden een uitspraak te doen. 2.1.2.2. Iedere rechterlijke uitspraak, dus ook deze uitgaande van een administratief rechtscollege zoals de Commissie van beroep, en ook deze die niet VII-16.361-23/47 kadert in de ingeroepen E.V.R.M.-bepaling, moet binnen een redelijke termijn worden gedaan. De vraag of de ingeroepen bepaling van het E.V.R.M. op deze zaak toepasselijk is, heeft bijgevolg geen relevantie voor de oplossing van het voorliggend geding. 2.1.2.3. De verzoeker heeft er belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing op grond van de schending van het beginsel ter zake van de redelijke termijn te zien uitspreken, omdat na dergelijke vernietiging het administratief rechtscollege waarnaar de zaak wordt verwezen, opnieuw uitspraak moet doen over het ingestelde beroep. Dit college moet alsdan, bij het nemen van de nieuwe beslissing, de te lange duur van de procedure betrekken bij de beoordeling van de bewijsvoering en bij het onderzoek naar het respecteren van de rechten van de verdediging, en desgevallend bij het bepalen van de sanctie. (zie, naar analogie : Cass. 28 januari 2004 en Cass. 4 februari 2004, Larcier Cass. 2004, nr. 132). 2.1.2.4. Praktische en organisatorische moeilijkheden binnen haar schoot, kunnen door de verwerende partij, tegen een rechtzoekende, niet worden ingeroepen om een gebeurlijke overschrijding van de redelijke termijn te vergoelijken. Het komt aan de overheid toe zich zo te organiseren dat hij de redelijke termijn kan respecteren. 2.1.2.5. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet in concreto, d.w.z. rekening houdend met de specifieke gegevens van de zaak, worden beoordeeld. De periode van twee jaar tussen het aantekenen van het hoger beroep en de bestreden beslissing, die de verzoeker in aanmerking neemt om de schending van de redelijke termijn te staven, is weliswaar lang, maar niet onredelijk lang. Er dient hierbij immers rekening te worden gehouden met de talrijke tenlasteleggingen en de lijvigheid van het dossier. Het feit dat de zaak -uiteraard- eerst reeds grondig werd onderzocht door de Beperkte kamer, ontslaat de Commissie van beroep er VII-16.361-24/47 natuurlijk niet van, in het raam van de devolutieve werking van het beroep, de zaak opnieuw grondig in al haar facetten te beoordelen. Het eerste middel is niet gegrond; 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.2.1.1. De verzoeker voert als tweede middel aan : "Schending van onderrichting l0. 1) van het OFT en van artikel 149 van de Grondwet, artikel 251, § 2 van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en het algemeen beginsel luidens welke jurisdictionele beslissingen moeten worden gemotiveerd, doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de eerste tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van alle magistrale bereidingen op basis van door SORISON of Psoriasis Centrum Antwerpen voorgedrukte voorschriften waarop alleen de naam van patiënt en de datum nog dienen ingevuld, bewezen heeft verklaard en mede op die grond de door de Beperkte Kamer uitgesproken sanctie inzake het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de geneeskundige verstrekkingen van verzoeker bevestigt op grond van de volgende over- wegingen : - dat de onderrichting 10.1. van het O.F.T. duidelijk stelt dat de farmaceutische verstrekkingen afgeleverd ingevolge gedrukte voorschriften, zelfs indien zij op voorschriftenbriefjes zijn gekleefd, niet mogen aangerekend worden aan de verzekering; - dat de vraag zich niet stelt of appellant kennis had van het feit dat de hem voorgelegde voorschriftenbriefjes al dan niet voorgedrukt waren; dat het O.F.T. enkel stelt dat verstrekkingen verleend op vertoon van voorgedrukte voorschriftenbriefjes niet mogen aangere- kend worden; - dat elke apotheker-verstrekker geconfronteerd met massale hoeveelheden voorgedrukte voorschriften zich de vraag dient te stellen of het ingevolge de vigerende wetgeving toegelaten is deze aan te rekenen; Overwegende dat appellant op de vraag of hij niet kon vermoeden dat de duizenden voorschriften die hij te verwerken kreeg van Dr. VAN DER HEYDEN, voorzien van stereotiepe formules, voorgedrukt VII-16.361-25/47 waren door een firma, i.c. SORISON, enkel antwoordt dat hij de plicht had de hem aangeboden voorschriften uit te voeren en dat het niet zijn taak was om dokters terecht te wijzen ( ... ); Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat in opdracht van het Psoriasis Centrum Antwerpen, vroeger SORISON BELGIUM, door drukkerij BOUT geneesmiddelen-voorschriften werden gedrukt; (cfr. facturen aan P.C.A. vanwege drukkerij BOUT); dat uit de verklaringen van de betrokkene verder blijkt dat er een relatie bestaat tussen Dr. VAN DER HEYDEN en het Psoriasis Centrum Antwerpen met de Stichting SORISON Nederland; (...); Overwegende dat de Commissie van Beroep verder uit de stukken van het dossier en de verklaringen van appellant ter zitting kan opmaken dat er een relatie is tussen appellant en SORISON Nederland; dat appellant voor de door hem uitgevoerde magistrale psoriasis- bereidingen de nodige vlugoliën betrekt bij SORISON-Nederland; dat dit volgens appellant gebeurt op basis van de prijskwaliteitsverhouding van de produkten van SORISON Nederland; Overwegende nog verder in dit verband dat uit alle verklaringen in het dossier opgenomen blijkt dat er een relatie is tussen appellant en het Psoriasis Centrum Antwerpen; dat appellant regelmatig facturen met betrekking tot nog verschuldigde remgelden overmaakt aan Mevrouw AXELSSON van het Psoriasis Centrum Antwerpen; Overwegende dat de Commissie van Beroep oordeelt dat op basis van al deze gegevens de Beperkte Kamer terecht heeft kunnen oordelen dat appellant geneesmiddelen verstrekte en aanrekende, tijdens de betwiste periode, op basis van voorgedrukte voorschriften'. terwijl onderrichting 10.1) van het OFT enkel luidt als volgt : kend : ( ... ) ; 1) de door de fabrikanten gedrukte voorschriften zelfs indien deze op de voorschriftbriefjes zijn gekleefd'; voornoemde onderrichting niet verbiedt om alsdusdanig door andere dan fabrikanten gedrukte voorschriften aan te rekenen aan de ziekteverzekering; uit de bestreden beslissing niet blijkt dat het Psoriasis Centrum Antwerpen als fabrikant moet worden beschouwd; zodat de bestreden beslissing, door impliciet maar zeker te hebben aangenomen dat het verbod om gedrukte voorschriften aan de ziekte- verzekering aan te rekenen niet enkel van toepassing is op door fabrikanten gedrukte voorschriften, maar op gedrukte voorschriften alsdusdanig, de onderrichting 10.1. van het OFT heeft miskend, en derhalve genomen is met schending van dit onderricht". 2.2.1.2. De verwerende partij antwoordt, samengevat : - dat de apotheker er dient over te waken dat hij door fabrikanten gedrukte voorschriften niet aan de Z.I.V. aanrekent, - dat het in dit geval gaat om massale hoeveelheden voorgedrukte genees- middelenvoorschriften, reden te meer waarom de apotheker zich de vraag moet stellen of dit wel normaal en toegelaten is, VII-16.361-26/47 - dat de verzoeker zich daaromtrent nooit heeft bekommerd, - dat in opdracht van het P.C.A. -vroeger SORISON BELGIUM- door drukkerij BOUT de geneesmiddelenvoorschriften werden voorgedrukt, - dat er een relatie bestaat tussen de verzoeker en SORISON Nederland, - dat hij de voor het uitvoeren van de magistrale psoriasisbereidingen benodigde vlugoliën bij SORISON Nederland betrekt, - dat er ook een relatie bestaat tussen de verzoeker en het P.C.A., vermits hij regelmatig facturen m.b.t. de nog verschuldigde remgelden aan mevrouw AXELSSON van het P.C.A. overmaakt, - dat er eveneens een relatie is tussen P. VAN DER HEIJDEN en het P.C.A. m.b.t. de Stichting SORISON Nederland. 2.2.1.3. De verzoeker betoogt in zijn memorie van wederantwoord, samengevat, dat de verwerende partij, in strijd met het in de bestreden beslissing ingenomen standpunt, blijkbaar aanvaardt dat het overeenkomstig onderrichting 10.1. van het Officieel Farmaceutisch Tarief ingevoerde verbod tot tussenkomst van de ziekteverzekering beperkt is tot het geval van door de fabrikanten gedrukte voorschriften en dat het Psoriasis Centrum Antwerpen op geen enkel ogenblik fabrikant is geweest van welk product dan ook. 2.2.1.4. In zijn laatste memorie benadrukt de verzoeker nog dat de Commissie van Beroep zich klaarblijkelijk steunde op het gegeven dat in opdracht van het P.C.A. door drukkerij BOUT geneesmiddelenvoorschriften werden gedrukt. 2.2.1.5. De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet meer op dit middel in; 2.2.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : De Commissie van beroep steunt zich wat de gegrondheid van de eerste tenlastelegging betreft uitdrukkelijk op een getuigenverklaring volgens VII-16.361-27/47 dewelke het drukwerk voor de geneesmiddelenvoorschriften meestal door de Stichting SORISON Nederland, die de betrokken geneesmiddelen verdeelt, werd besteld en in ieder geval steeds door haar werd betaald of, ingeval de facturen op naam van het P.C.A. waren gesteld, terugbetaald. Door zich op deze verklaring te baseren, laat de Commissie van beroep er geen twijfel over bestaan dat zij de Stichting SORISON Nederland, als verdeler van de geneesmiddelen, met de fabrikant ervan assimileert. Het cassatiemiddel betwist niet dat de ratio legis van de desbetreffende bepaling van de onderrichtingen logischerwijs ook impliceert dat het verboden is voorschriften die worden voorgedrukt door de firma die het geneesmiddel verdeelt, aan de ziekteverzekering aan te rekenen. Het tweede middel is niet gegrond; 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.3.1.1. De verzoeker voert als derde middel aan : "schending van (oud) artikel 25, § 2 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering (huidig artikel 37, § 2 van het K.B. van 14 juli 1994), artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare geneesmiddelen (B.S., 30.09.1980), en onderrichting nr. 23 van het OFT, doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de derde tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van het remgeld rechtstreeks aan het Psoriasis Centrum Antwerpen BVBA zonder tussenkomst van de patiënten, bewezen heeft verklaard en mede op die grond de door de Beperkte Kamer uitgesproken sanctie inzake het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de geneeskundige verstrekkingen van verzoeker bevestigt op grond van de volgende over- wegingen : - dat het VII-16.361-28/47 verzorgingen en uitkeringen, dat het in de eerste plaats bedoeld is om overconsumptie tegen te gaan en de wildgroei op de geneesmiddelenmarkt te voorkomen; - dat in tweede orde het remgeld integrerend deel uitmaakt van de kostprijs van het af te leveren geneesmiddel en op zichzelf een deel van het inkomen van de verstrekker uitmaakt, onverschillig of de verstrekker enige middel; - ( ... ) dat appellant door in te gaan op het voorstel van het Psoriasis Centrum Antwerpen om het remgeld niet aan te rekenen aan de patiënten van het Centrum, maar om dit remgeld rechtstreeks aan het Centrum aan te rekenen, zij het in het raam van een wetenschappelijk onderzoek betreffende cosmetica, wat nergens uit het dossier blijkt, het evenwicht van het terugbetalingssysteem binnen de verzekering in gevaar heeft gebracht'; terwijl overeenkomstig (oud) artikel 25, § 2 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering een gedeelte van de kostprijs van de in artikel 23, 5/ van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen, zijnde de verstrekkingen van farmaceutische produkten (magistrale bereidingen, farmaceutische specialitei- ten en generische geneesmiddelen), voor rekening van de rechthebbenden kan (niet moet) worden gelaten, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit; deze voorwaarden bepaald werden bij het koninklijk besluit van 1 september 1980 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare geneesmiddelen; artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980 dienaangaande enkel bepaalt dat het aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring vergoedbare magistrale bereidingen dienaangaande eveneens enkel voorziet dat delen (...) het persoonlijk aandeel in de kosten van magistrale bereidingen als volgt (wordt) vastgesteld : ( ... ) 2/. voor de overige rechthebbenden bedraagt het persoonlijk aandeel 50 F per recept of de werkelijke kostprijs van het recept indien die lager is dan 50 F'; noch artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980, noch onderrichting nr. 23 van het OFT, die beide hun rechtsgrond vinden in het (oud) artikel 25, § 2 van de wet van 9 augustus 1963, de inning van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kostprijs van de magistrale recepten verplichtend kunnen maken; artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980 en onderrich- ting nr. 23 bijgevolg louter het persoonlijk aandeel vaststellen van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare geneesmiddelen, doch ook niets meer; de voornoemde bepalingen zodoende nergens voorschrijven dat het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de magistrale bereidingen ook daadwerkelijk van de rechthebbenden moet worden geïnd; VII-16.361-29/47 zodat de bestreden beslissing, door impliciet maar zeker te hebben aangenomen dat het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare geneesmiddelen aan hen daadwerkelijk moet worden aange- rekend, het (oud) artikel 25, § 2 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte en invalidi- teitsverzekering (huidig artikel 37, § 2 van de gecoördineerde wet betreffen- de de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen), artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering vergoedbare geneesmiddelen en onderrichting nr. 23 van het OFT heeft miskend, en derhalve een schending inhoudt van voornoemde bepalingen"; 2.3.1.2. De verwerende partij antwoordt, samengevat : - dat uit het onderzoek zeer duidelijk is gebleken dat de verzoeker facturen aan het P.C.A. b.v.b.a. overmaakte met het verzoek de bedragen voor een "vergoeding opleg bereidingen" te vereffenen, - dat dit betekent dat hij het remgeld rechtstreeks aan het P.C.A. aanrekende zonder tussenkomst van de patiënt, wat een overtreding uitmaakt van onderrich-ting 23 van het Officieel Farmaceutisch Tarief, - dat er in de praktijk geen enkele apotheker is die niet tot inning overgaat en aldus inkomstenverlies zou lijden, - dat de verzoeker onbetwistbaar het evenwicht van het terugbetalingssysteem binnen de ziekteverzekering ernstig in gevaar heeft gebracht door de remgelden rechtstreeks aan het P.C.A. aan te rekenen en niet aan de patiënten van dit centrum. 2.3.1.3. De verzoeker voegt hieraan noch in de memorie van wederant- woord, noch in de laatste memorie, iets toe. 2.3.1.4. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de onderrichting 23 van het Officieel Farmaceutisch Tarief het persoonlijk aandeel van de rechthebbende vaststelt, wat betekent dat het remgeld wel degelijk door de patiënt zelf dient betaald te worden en niet door een derde zoals het P.C.A. Anders dan bij de raadpleging van een arts, waar de sociaal verzekerde het ereloon betaalt en zich vervolgens tot zijn ziekenfonds wendt, wordt bij een apotheker alleen het remgeld betaald; VII-16.361-30/47 2.3.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : Artikel 25, § 2, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeits- verzekering, gewijzigd door de wet van 8 augustus 1980, bepaalde : "Een gedeelte van de kosten van de in artikel 23, 5/, bedoelde ver- strekkingen kan voor rekening van de rechthebbenden worden gelaten, onder de voorwaarde die de Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit". In uitvoering van deze wetsbepaling werd het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de geneesmiddelen vastgesteld in het koninklijk besluit van 1 september 1980 . Wat de magistrale bereidingen betreft bepaalde artikel 2, 2/ het volgende : "2. Vergoedbare magistrale bereidingen: er is geen persoonlijk aandeel voor rechthebbenden bedoeld in artikel 25, §2, tweede lid van de voor- noemde wet van 9 augustus 1963; het persoonlijk aandeel wordt vastgesteld op 50 F per recept voor de overige rechthebbenden of op de werkelijke kostprijs van het recept indien die lager is dan 50 F. Het persoonlijk aandeel van alle rechthebbenden wordt vastgesteld op 70 frank per magistraal recept, voor de bereidingen die één of meer produkten bevatten bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoet komt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen; de hoeveelheden die daarop van toepassing zijn worden door de Minister van Sociale Voorzorg vastgesteld". Onderrichting 23 van het Officieel Farmaceutisch Tarief, 45ste uitgave, luidde als volgt : "Overeenkomstig artikel 2, 2/ van het koninklijk besluit van 1 september 1980 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in het raam van de verplichte ziekte- en invaliditeits- verzekering vergoedbare geneesmiddelen, wordt het persoonlijk aandeel in de kosten van magistrale bereidingen als volgt vastgesteld : 1) er is geen persoonlijk aandeel voor de rechthebbenden beoogd bij artikel 25, §2, 2de lid van de wet van 9 augustus 1963; VII-16.361-31/47 2) voor de overige rechthebbenden bedraagt het persoonlijk aandeel 50 F per recept of de werkelijke kostprijs van het recept indien die lager is dan 50 F; (...)". De verzoeker werd o.m. gesanctioneerd om het remgeld rechtstreeks aan het Psoriasis Centrum Antwerpen b.v.b.a., zonder tussenkomst van de patiënten, te hebben aangerekend, wat volgens de bestreden beslissing een overtreding van onderrichting 23 van het Officieel Farmaceutisch Tarief uitmaakt. Onderrichting 23 stelt, in uitvoering van artikel 2, 2/, van het koninklijk besluit van 1 september 1980, het bedrag vast van het persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kostprijs van de magistrale bereidingen. Deze onderrichting en de regelgeving waarop ze is gesteund houden in, gelet op het gebruik van de term "persoonlijk aandeel" en op de ratio legis van de regeling die er ongetwijfeld in bestaat de uitgaven van de ziekteverzekering te beperken, dat het remgeld in principe aan de patiënt zelf dient te worden gevraagd. De bestreden beslissing kon dan ook uit de ingeroepen regelgeving afleiden dat het remgeld niet mocht aangerekend worden aan het Psoriasis Centrum Antwerpen, maar diende geïnd te worden van de rechthebben- den op geneeskundige verstrekkingen. Het derde middel is ongegrond; 2.4. Vierde middel 2.4.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.4.1.1. De verzoeker voert als vierde middel aan : "Schending van artikel 149 van de Grondwet, artikel 251, § 2 van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en het algemeen beginsel luidens welke jurisdictionele beslissingen moeten worden gemoti- veerd. doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de vierde tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van hernieuwingen zonder VII-16.361-32/47 geneesmiddelenvoorschrift, bewezen heeft verklaard en mede op die grond de door de Beperkte Kamer uitgesproken sanctie inzake het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de geneeskundige verstrekkingen van verzoeker bevestigt, op de enkele grond dat de de beslissing van de Beperkte Kamer, wat de vierde tenlastelegging betreft, er enkel op wijst dat lijke voorschriften, om welke reden ook, zelfs verlies, (...) geen verrechtvaar- diging uit(maakt) van het in rekening brengen van deze hernieuwingen'; terwijl, overeenkomstig de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen, de beslissing van de Commissie van Beroep moet worden gemotiveerd; deze motiveringsplicht minstens inhoudt dat uitdrukkelijk wordt geantwoord op het in de conclusies van verzoeker aangevoerde verweer; en terwijl verzoeker in zijn regelmatig neergelegde beroepsconclusies wat de vierde tenlastelegging betreft, uitvoerig heeft doen gelden : - dat hij ontkent dat hij - dat hij - dat weliswaar niet kon worden uitgesloten dat een aantal voorschriften verloren zouden zijn geraakt, gelet op de verschillende controles van de voorschriften door de verzekeringsinstellingen; dat hij zich dienaangaande naar de wijsheid gedraagt, zonder dat dit evenwel afbreuk doet aan zijn principiële vaststelling dat hij nooit enige vernieuwing zonder voorschrift heeft afgeleverd; - dat de argumentatie van de Beperkte Kamer als zou het door verzoeker aangehaalde instellingen; verzoeker ten gronde bijgevolg op uitvoerige wijze het bestaan van de feiten heeft betwist die de grondslag van de voormelde tenlastelegging vormt; zodat de bestreden beslissing, in de mate dat zij enkel steunt op de overwegingen van de Beperkte Kamer om de vierde tenlastelegging aan te houden en zodoende gebaseerd is op een feitelijke toestand die in de beroepsconclusies wordt bestreden, door niet op deze verweermiddelen te hebben geantwoord, niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen". 2.4.1.2. De verwerende partij antwoordt : - dat werd vastgesteld dat verzoeker hernieuwingen aanrekende zonder hiervoor over een geneesmiddelenvoorschrift te beschikken, wat een overtreding van onderrichting 18
- a)en
- b)van het Officieel Farmaceutisch Tarief uitmaakt, VII-16.361-33/47 - dat het niet duidelijk is in welk opzicht de beslissing van de Commissie van beroep, die de stelling van de Beperkte kamer overneemt, niet zou gemoti- veerd zijn, - dat de verzoeker in hoger beroep enkel aanvoerde dat hij nooit enige hernieuwing zou hebben afgeleverd zonder geneesmiddelenvoorschrift, dat hij de voorgeschreven reglementering steeds zou nageleefd hebben en dat de verloren voorschriften zoek zouden geraakt zijn als gevolg van de verschillende controles door de verzekeringsinstellingen, - dat het gevoerde onderzoek evenwel duidelijk het tegendeel heeft aange- toond. 2.4.1.3. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie, voegt de verzoeker hieraan iets toe. 2.4.1.4. De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet meer op dit middel in; 2.4.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : Onderrichting 18 van het Officieel Farmaceutisch Tarief bepaalde : "(...)
- a)elk magistraal voorschrift mag tweemaal worden hernieuwd zo zulks door de geneesheer duidelijk op het voorschriftbriefje werd vermeld;
- b)er dient een vernieuwingsbon opgesteld per magistraal recipe waarvan de arts uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het dient vernieuwd te worden; (...)". De verzoeker werd verweten deze bepaling in 27 gevallen te hebben geschonden door hernieuwingen te hebben aangerekend terwijl hiervoor geen geneesmiddelenvoorschriften voorhanden waren. Voor de beroepscommissie riep hij ter verantwoording in dat hij de betreffende reglementering steeds stipt had nageleefd en dat het niet VII-16.361-34/47 uitgesloten was dat sommige voorschriften naar aanleiding van het onderzoek verloren waren gegaan. Zijn verweer i.v.m. de vierde tenlastelegging was m.a.w. beperkt tot het puur ontkennen van de hem verweten onregelmatigheden en het opperen van een onderstelling. In dit licht bekeken motiveert de Commissie van beroep haar beslissing dienaangaande voldoende. Het vierde middel is niet gegrond; VII-16.361-35/47 2.5. Vijfde middel 2.5.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.5.1.1. De verzoeker voert als vijfde middel aan : "Schending van artikel 149 van de Grondwet, artikel 251, § 2 van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en het algemeen beginsel luidens welke jurisdictionele beslissingen moeten worden gemoti- veerd. doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de vijfde tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van magistrale bereidingen welke door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen rechtstreeks werden afgeleverd aan de patiënten en niet in de officina, bewezen heeft verklaard en mede op die grond de door de Beperkte Kamer uitgesproken sanctie inzake het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de geneeskundige verstrekkingen van verzoeker bevestigt op de enkele grond dat de legging aanhoudt'; de beslissing van de Beperkte Kamer, wat de vijfde tenlastelegging betreft, er enkel op wijst dat koming in aanmerking genomen te worden. Deze gemachtigde (dus inhoudt) de apotheker zelf, zijn eventuele assistent of helper onder toezicht van de apotheker. Een andere, in casu iemand van het P.C.A. (...) dus niet de kwalificatie (bezit)'. terwijl, overeenkomstig de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen, de beslissing van de Commissie van Beroep moet worden gemotiveerd; deze motiveringsplicht minstens inhoudt dat uitdrukkelijk wordt geantwoord op het in de conclusies van verzoeker aangevoerde verweer; en terwijl verzoeker in zijn regelmatig neergelegde beroepsconclusies uitvoerig heeft doen gelden, wat de vijfde tenlastelegging betreft : - dat hij noch artikel 19 van het K.B. van 2 september 1980 (tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoet komt in de kosten van de farmaceutische specialiteiten en daarmee gelijkgestelde produkten, zoals op het ogenblik van de feiten toepasselijk), noch artikel 26bis, § 2 van het K.B. van 31 mei 1885 had overtreden; - dat, inzoverre bekend aan verzoeker, nooit een geneesmiddel werd afgeleverd buiten zijn officina; VII-16.361-36/47 - dat, hoewel mogelijks onder bepaalde omstandigheden het geneesmiddel werd aangeleverd aan iemand die zich als patiënt aanbood maar dit mogelijks niet was, verzoeker daarom nog geen identiteitscontroles hoeft uit te voeren; - dat dienvolgens de geneesmiddelen steeds door hemzelf of een - dat tenslotte, in de meest subsidiaire orde, in zoverre enige verkoop buiten zijn officina zou hebben plaatsgegrepen, het ging om een miniem aantal gevallen, die aan verzoeker overigens volledig onbekend waren; verzoeker ten gronde bijgevolg op uitvoerige wijze het bestaan van de feiten heeft betwist die de grondslag van de voormelde tenlastelegging vormt; zodat de bestreden beslissing, in de mate dat zij enkel steunt op de overwegingen van de Beperkte Kamer om de vijfde tenlastelegging aan te houden en zodoende gebaseerd is op een feitelijke toestand die in de beroepsconclusies wordt bestreden, door niet op deze verweermiddelen te hebben geantwoord, niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen". 2.5.1.2. De verwerende partij antwoordt, samengevat : - dat werd vastgesteld dat de verzoeker magistrale bereidingen aanrekende welke door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door SORISON BELGIUM b.v.b.a. of door het Psoriasis Centrum Antwerpen rechtstreeks werden afgeleverd aan de patiënten en niet in de officina, wat een overtreding uitmaakt van artikel 19 van het koninklijk besluit van 2 september 1980, - dat de verzoeker in hoger beroep enkel aanvoerde dat hij noch deze bepaling noch artikel 26bis, § 2, van het koninklijk besluit van 31 mei 1885 had geschonden, dat nooit een geneesmiddel zou afgeleverd zijn buiten zijn officina, dat hoewel mogelijks onder bepaalde omstandigheden het genees- middel werd afgeleverd aan iemand die zich ten onrechte als patiënt aanbood, hij daarom nog geen identiteitscontroles hoefde uit te voeren, en dat, in zoverre enige verkoop buiten zijn officina zou hebben plaatsgegrepen, het ging om een miniem aantal gevallen die aan de verzoeker volledig onbekend waren, - dat het gevoerde onderzoek overduidelijk het tegendeel heeft aangetoond, - dat de talrijke vaststellingen bewijskrachtig zijn en blijven gelden tot bewijs van het tegendeel. VII-16.361-37/47 2.5.1.3. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie, voegt de verzoeker hieraan iets toe. 2.5.1.4. De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet meer op dit middel in; 2.5.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : Artikel 19 van het koninklijk besluit van 2 september 1980 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte ziekte- en invaliditeits- verzekering tussenkomt in de kosten van de farmaceutische verstrekkingen, luidde als volgt : "Om voor tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in aanmerking te komen, moeten de magistrale recipés worden voorgeschreven en afgeleverd door daartoe wettelijk gemachtigde personen en moeten ze bestemd zijn voor rechthebbenden die niet in een verplegingsinrichting zijn opgenomen". De verzoeker werd verweten deze bepaling in 13 gevallen te hebben overtreden door magistrale bereidingen te hebben aangerekend die door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door SORISON BELGIUM b.v.b.a. of het P.C.A. rechtstreeks aan de patiënten waren afgeleverd. Voor de beroepscommissie riep de verzoeker in dat de betreffende bepaling door hem nooit was overtreden, dat de voorgeschreven geneesmiddelen uitsluitend door hemzelf of een "daartoe wettelijk gemachtigde" waren afgeleverd, dat hij evenmin ooit een inbreuk op artikel 26bis, § 2, van het koninklijk besluit van 31 mei 1885 heeft gepleegd, dat, voor zover hem bekend, nooit een geneesmiddel buiten de officina was afgeleverd, dat a priori niet uit te sluiten valt dat een geneesmiddel werd afgeleverd aan iemand die zich als patiënt aanbood, maar dit niet was, dat hij evenwel geen identiteitscontroles hoeft te houden en dat, in de meest subsidiaire orde, in zoverre enige tenlastelegging zou worden bewezen het handelt om een miniem aantal gevallen. Zijn verweer i.v.m. de vijfde tenlastelegging was zodoende beperkt tot het louter ontkennen van de hem verweten onregelmatigheden. VII-16.361-38/47 In dit licht bekeken motiveert de Commissie van beroep haar beslissing dienaangaande voldoende. Het vijfde middel is niet gegrond; VII-16.361-39/47 2.6. Zesde middel 2.6.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : 2.6.1.1. De verzoeker voert als zesde middel aan : "Schending van artikel 1, § 9 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de genees- kundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (B.S., 29.09.1984; err. 02.04.1985), artikel 251, § 2 van het Koninklijk Besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en het algemeen beginsel luidens (hetwelk) jurisdictionele beslissingen moeten worden gemotiveerd, doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de zesde tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van magistrale bereidingen in het raam van een wetenschappelijk onderzoek of in het raam van klinische proefnemingen met produkten of toestellen, op verzoek van handelsfirma's, bewezen heeft verklaard en mede op die grond de door de Beperkte Kamer uitgesproken sanctie inzake het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de geneeskundige verstrekkingen van verzoeker bevestigt op grond van de overwegingen : - - dat door in te gaan op dit verzoek appellant wel degelijk zijn mede- werking heeft verleend, ook al was hij niet rechtstreeks bij de kontrak- terende betrokkenen; cfr. de verklaringen bij de tenlastelegging 3; dat het duidelijk is dat appellant de rechthebbende diende in te lichten van deze procedure aangezien hij anders verplicht zou zijn geweest zelf het remgeld te innen'; terwijl, eerste onderdeel, overeenkomstig de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen, de beslissing van de Commissie van Beroep moet worden gemotiveerd; deze motiveringsplicht minstens inhoudt dat de motieven niet dubbelzinnig, duister en tegenstrijdig zijn en uitdrukkelijk wordt geantwoord op het in de conclusies van verzoeker aangevoerde verweer; en terwijl verzoeker in zijn regelmatig neergelegde beroepsconclusies uitvoerig heeft doen gelden, zowel wat de derde als zesde tenlastelegging betreft, dat het wetenschappelijk onderzoek uitsluitend betrekking had op de cosmetische produkten, zijnde voor zover enig wetenschappelijk onderzoek zou hebben plaatsgehad in verband met de door hem bereide magistrale bereidingen, hij daar volkomen vreemd aan was, daar in elk geval niet van op de hoogte was op het ogenblik van het verstrekken van de magistrale bereidingen en hij zeker niet werd verzocht, door welke handelsfirma dan ook, SORISON Nederland in het bijzonder, tot het verstrekken van prestaties in dit kader, zoals nochtans vereist door artikel 1, § 9 van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 14 september 1984; en terwijl de bestreden beslissing geen onderscheid maakt tussen de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan te rekenen magistrale bereidingen (zijnde de vlugoliën die door verzoeker zelf op basis van grondstoffen werden bereid in hoeveelheden van 5 gram, waarop het wetenschappelijk onderzoek volgens verzoeker geen betrekking had) en anderzijds de cosmetische produkten, welke niet aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan te rekenen zijn (zijnde de produkten en zodat, enerzijds, de bestreden beslissing dubbelzinnig, duister en tegenstrijdig is gemotiveerd, nu daaruit niet kan worden afgeleid op welke produkten het wetenschappelijk onderzoek betrekking had; en zodat, anderzijds, in de mate de bestreden beslissing impliciet maar zeker zou hebben aangenomen dat het wetenschappelijk onderzoek betrekking had op cosmetische produkten, niet wordt geantwoord op de beroepsconclusies van verzoeker, waarin zulks werd betwist; de bestreden beslissing derhalve niet regelmatig gemotiveerd is, en een schending inhoudt van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen. en terwijl, tweede onderdeel, overeenkomstig artikel 1, § 9, van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 14 september 1984, deze bepaling vanzelfsprekend enkel betrekking heeft op het weten- schappelijk onderzoek of de klinische proefnemingen die betrekking hebben op de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan te rekenen magistrale bereidingen die aan de rechthebbenden worden verstrekt, doch niet aan de cosmetische produkten welke niet aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering aan te rekenen zijn; zodat de bestreden beslissing, in de mate dat het aangenomen heeft dat artikel 1, § 9 van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 van toepassing is op de aanrekening van magistrale bereidingen van zodra een wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd, van welke aard dan ook en op welke produkten dan ook, daaronder begrepen cosmetische produkten welke niet aanrekenbaar zijn aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzeke- ring, artikel 1, § 9 van de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 miskent, en derhalve een schending inhoudt van deze bepaling". 2.6.1.2. De verwerende partij antwoordt : - dat werd vastgesteld dat de verzoeker op vraag van handelsfirma's magistrale bereidingen aanrekende in het kader van een wetenschappelijk onderzoek of VII-16.361-41/47 van klinische proefnemingen met producten of toestellen, wat een overtre- ding is van artikel 1, § 9, van het koninklijk besluit van 14 september 1984, - dat de Commissie van beroep wel degelijk op het verweer van de verzoeker antwoordde, - dat zij oordeelde dat de verzoeker vanaf het ogenblik dat het P.C.A. hem voorstelde om het remgeld op voorschriften voor patiënten die deelnamen aan een "wetenschappelijk onderzoek" rechtstreeks aan het Centrum aan te rekenen wel degelijk op de hoogte was van het feit dat er in het Centrum een wetenschappelijk onderzoek lopend was, - dat de verzoeker door op dit verzoek in te gaan wel degelijk zijn mede- werking heeft verleend, ook al was hij niet rechtstreeks bij de contracterenden betrokken (cf. verklaringen bij de derde tenlastelegging), - dat het duidelijk is dat verzoeker de rechthebbenden van deze procedure diende in te lichten aangezien hij anders verplicht zou zijn geweest zelf het remgeld te innen, - dat uit de verklaringen, die terug te vinden zijn in het administratief dossier, blijkt dat het onderzoek wel degelijk op zelf bereide magistrale preparaten betrekking had. 2.6.1.3. Noch in zijn memorie van wederantwoord, noch in zijn laatste memorie voegt de verzoeker hieraan iets toe. 2.6.1.4. De verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet meer op dit middel in; 2.6.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : Artikel 1, § 9, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, bepaalt : "De verstrekkingen die worden verricht in het raam van het weten- schappelijk onderzoek of in het raam van klinische proefnemingen met VII-16.361-42/47 produkten of toestellen op verzoeken van handelsfirma's, mogen niet worden aangerekend". Voor de beroepscommissie liet de verzoeker i.v.m. de zesde tenlastelegging vooreerst gelden dat hij geen partij was bij de overeenkomst van 1 juli 1991 van het P.C.A. met SORISON Nederland B.V. en dat dit contract hem volledig onbekend was. De Commissie van beroep heeft deze argumentatie genoegzaam weerlegd door erop te wijzen dat de verzoeker "vanaf het ogenblik dat het P.C.A. hem voorstelde om het remgeld (...) voor de patiënten die deelnamen aan een de patiënten om wel degelijk op de hoogte was van het feit dat er in het gezegd Centrum een wetenschappelijk onderzoek lopend was" en "dat door op dit verzoek in te gaan (betrokkene) wel degelijk zijn medewerking heeft verleend, ook al was hij niet rechtstreeks bij de contracterenden betrokken". Daarnaast riep de verzoeker in dat het wetenschappelijk onderzoek niet op de door hem bereide magistrale producten, maar op cosmetische producten betrekking had. De Commissie van beroep heeft dit verweer afgewezen toen zij n.a.v. de derde tenlastelegging overwoog dat er in het dossier "geen aanwijzing (werd gevonden) voor het door appellant aangebrachte De bestreden beslissing laat er dan ook geen twijfel over bestaan dat het wetenschappelijk onderzoek wel degelijk de door de verzoeker uitgevoerde magistrale bereidingen betrof en niet de cosmetische producten. Het zesde middel is niet gegrond; 2.7. Zevende middel 2.7.1. Standpunten van de partijen Overwegende dat de partijen de volgende argumenten doen gelden : VII-16.361-43/47 2.7.1.1. De verzoeker voert als zevende middel aan : "Schending van (oud) artikel 71, § 1 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (nu artikel 127, § 1 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen) en artikel 1134 van het burgerlijk wetboek, doordat de bestreden beslissing van de Commissie van Beroep de zevende tenlastelegging, bestaande in het aanrekenen van magistrale bereidingen bij patiënten die door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door Sorison Belgium BVBA of door het Psoriasis Centrum Antwerpen (BVBA) naar de Zwitserse apotheek werden verwezen waardoor de vrije keuze van apotheker niet gewaarborgd is, bevestigt op grond van de overwegingen : - - dat uit de gehele context van de activiteit van het Psoriasis Centrum Antwerpen duidelijk blijkt dat er een samenwerkingsverband bestond tussen de verzorgingsinstelling P.C.A., de leveranciers van de produk- ten ter vervaardiging van de magistrale bereidingen SORISON-Nederland-SORISON BELGIUM BVBA en appellant'; terwijl, overeenkomstig (oud) artikel 71, § 1 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (nu artikel 127, § 1 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen), de rechthebbenden, om de geneeskundige verstrekkingen te verkrijgen, zich vrijelijk wenden tot de zorgverstrekkers, waaronder de geneesheren en apothekers; overeenkomstig artikel 1134 van het burgerlijk wetboek alle overeen- komsten die wettig zijn aangegaan, degenen die deze hebben aangegaan, tot wet strekken; en terwijl, zelfs indien wordt aangenomen dat er een band' bestond tussen de verzorgingsinstelling P.C.A., de leveranciers van de produkten ter vervaardiging van de magistrale bereidingen SORISON-Nederland-SORISON BELGIUM BVBA en verzoeker, dit geen afbreuk kan doen aan de vrijheid van de rechthebbenden om zich tot andere zorgverstrekkers te wenden, nu dergelijk hebbenden, als derde partijen, niet kan verbinden; zodat de bestreden beslissing, door uit het weerhouden kers (apothekers) dan verzoeker, (oud) artikel 71, § 1 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en artikel 1134 van het burgerlijk wetboek heeft miskend, en derhalve een schending inhoudt van voornoemde bepalingen". 2.7.1.2. De verwerende partij antwoordt, samengevat : - dat werd vastgesteld dat de vrije keuze van apotheker niet gewaarborgd was omdat magistrale bereidingen aangerekend werden bij patiënten die door de VII-16.361-44/47 voorschrijvende geneesheer of in opdracht door SORISON BELGIUM b.v.b.a. of door het P.C.A. naar de Zwitserse Apotheek werden verwezen, - dat dit duidelijk een overtreding is van artikel 74 (lees 71), § 1,
- a)van de wet van 9 augustus 1963, - dat er geen sprake was van een vrije overeenkomst, maar wel van een onwettig opgelegde verplichting, - dat de Commissie van beroep zeer terecht stelde dat de elementen aange- bracht door de verzoeker ter verklaring van het bij hem terechtgekomen cliënteel, zijnde bijna alle patiënten van het P.C.A., als ongeloofwaardig overkomen. 2.7.1.3. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker hieraan toe dat uit de door de verwerende partij aangehaalde verklaringen hoogstens kan worden afgeleid dat twee patiënten door de voorschrijvende geneesheer naar hem werden doorverwezen. 2.7.1.4. In zijn laatste memorie gaat de verzoeker niet verder in op dit middel. 2.7.1.5. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij : "Verweerder gaat niet akkoord met de stelling dat hier geen sprake zou zijn van niet-geoorloofde druk. Het feit dat het remgeld door verzoeker aan het PCA-Antwerpen werd aangerekend, zonder tussenkomst van de patiënt, impliceert ontegen- sprekelijk dat de bedoelde patiënten er alleszins toe aangezet werden zich tot de apotheek van verzoeker te wenden, om de eenvoudige reden dat ze bij deze laatste geen remgeld hoefden te betalen, terwijl dit in een andere officina wel het geval zou geweest zijn"; 2.7.2. Beoordeling Overwegende dat de argumenten van de partijen als volgt worden beoordeeld : De verzoeker werd ten laste gelegd in 66 gevallen artikel 71, § 1, van de wet van 9 augustus 1963 te hebben overtreden door "het aanrekenen van magistrale bereidingen bij patiënten die door de voorschrijvende geneesheer of in zijn opdracht door SORISON BELGIUM B.V.B.A. of door het P.C.A. naar VII-16.361-45/47 de Zwitserse apotheek werden verwezen waardoor de vrije keuze van apotheker niet gewaarborgd was". In de meeste gevallen verklaarden de verzekerden dat ze de geneesmiddelen "op advies" van Dr. VAN DER HEIJDEN of van het P.C.A. bij de verzoeker waren gaan afhalen. Het verweer van de verzoeker dat aan de patiënten weliswaar was "aangeraden" de geneesmiddelen bij hem te betrekken, doch dat er van een verplichting om zich naar zijn apotheek te wenden nooit sprake is geweest, werd door de Commissie van beroep als ongeloofwaardig verworpen omdat "uit de gehele context van de activiteit van het Psoriasis Centrum Antwerpen duidelijk blijkt dat er een samenwerkingsverband bestond tussen de verzorgingsinstelling P.C.A., de leveranciers van de producten ter vervaardiging van de magistrale bereidingen SORISON Nederland-SORISON BELGIUM B.V.B.A. en appellant". Artikel 71, § 1, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering bepaalt : "Om de in artikel 23 bedoelde geneeskundige verstrekkingen te verkrijgen wenden de rechthebbenden zich vrijelijk :
- a)tot iedere persoon die wettelijk gemachtigd is een van de takken der geneeskunst te beoefenen; (...)". Deze bepaling poneert het principe dat de rechthebbenden voor de verstrekkingen die worden terugbetaald door de ziekteverzekering, vrij hun zorgenverstrekkers kunnen kiezen. Deze keuzevrijheid wordt aangetast indien de patiënten worden gedwongen zich tot een bepaalde zorgenverstrekker te wenden. De bestreden beslissing kon uit het samenwerkingsverband om patiënten naar een bepaalde apotheker te verwijzen, dat zij voor bewezen acht, en dat onder meer inhield dat de betrokken patiënten geen remgeld dienden te betalen bij de verzoeker, in rechte afleiden dat een zodanige, bovendien - cf. de bespreking van het derde middel - ongeoorloofde, druk op de patiënten werd uitgeoefend, dat hun recht om zich tot de apotheek van hun keuze te richten werd miskend. Het zevende middel is ongegrond, VII-16.361-46/47 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.361-47/47 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div