← België

Arrest 132002 - - 03/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.002 Rolnummer: A. 63188/VII-23199 Zaak: Arrest 132002 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 132.002 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.002 van 3 juni 2004 in de zaak A. 63.188/VII-23.

  1. In zake : het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN, dat woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN op 7 april 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vragen van het koninklijk besluit van 13 januari 1995 tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, waarbij de Technische Raad voor kinesitherapie opgericht wordt (Belgisch Staatsblad van 11 februari 1995); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 25 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; VII-23.199-1/4 Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur M. VANDERLEENEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat zowel de laatste memorie van de verzoekende partij als deze van de verwerende partij uit de debatten moet worden geweerd, de eerste omdat ze niet werd ondertekend, de tweede omdat ze daags na het verstrijken van de wettelijke termijn werd ingediend; Overwegende dat ambtshalve de vraag dient te worden gesteld of de verzoekende partij nog een actueel belang heeft bij haar vordering; Overwegende dat het beroep gericht is tegen de samenstelling van de Technische raad voor kinesitherapie zoals bepaald in het bestreden koninklijk besluit, omdat de voordracht van kandidaten door beroepsverenigingen van geneesheren wordt uitgesloten; dat de desbetreffende bepaling evenwel impliciet is opgeheven door artikel 48 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; dat thans de bedoelde samenstelling geregeld wordt door deze laatste bepaling, die inhoudelijk overeenkomt met de vorige; dat de verzoekende partij tegen dit laatste koninklijk besluit niet is opgekomen; Overwegende dat het voorgaande vooreerst impliceert dat het bestreden koninklijk besluit thans niet meer bestaat, en, bovendien, dat in geval van VII-23.199-2/4 vernietiging ervan, de verzoekende beroepsvereniging geconfronteerd blijft met de zelfde samenstelling van de Technische raad voor kinesitherapie; dat van een beroepsvereniging verwacht kan worden dat, indien zij de door haar verdedigde beroepsbelangen werkelijk geschaad acht door de kwestieuze samenstelling van de Technische raad, zij ook het nieuwe koninklijk besluit dat die samenstelling opnieuw regelt, zou hebben aangevochten; dat het dan ook ten zeerste de vraag is of de verzoekende partij nog belang stelt in het beroep, en welk actueel belang zij nog heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit; Overwegende dat bijgevolg op initiatief van de staatsraad- verslaggever aan de verzoekende partij werd gevraagd de Raad van State te laten weten of zij nog belangstelling heeft voor de afhandeling van de zaak, "o.m. in het licht van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 ..."; dat de raadsman van de verzoekende partij daarop heeft geantwoord dat zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan die de afwikkeling van het beroep kunnen beïnvloeden en dat volgens hem "hieruit enkel kan besloten worden dat onze opdrachtgever wel degelijk nog belangstelling heeft voor de afhandeling van deze zaak"; Overwegende dat dit antwoord geen enkel gegeven bevat dat betrekking heeft op het actueel belang van de verzoekende partij bij de zaak, in het licht van het hierboven gestelde; dat de verzoekende partij ter terechtzitting alleen nog opwerpt dat het koninklijk besluit van 3 juli 1996 "een coördinatie" zou zijn; dat die, overigens niet gemotiveerde, bewering niets zegt over het actueel belang van de verzoekende partij; dat meer in het bijzonder niet wordt aangetoond dat na vernietiging van het bestreden besluit, het koninklijk besluit van 3 juli 1996 niet meer zou bestaan of geen uitwerking meer zou hebben; dat de verzoekende partij niet eens de uitbreiding van haar vordering tot artikel 48 van het laatst vermelde koninklijk besluit heeft gevraagd; dat zij ook niet aanvoert dat de vernietiging van het bestreden besluit ook de vernietiging van genoemd artikel 48 inhoudt; dat zij ter terechtzitting ook geen enkel element heeft aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat de tijdelijke uitwerking die het bestreden besluit in het verleden heeft gehad, haar belangen heeft geschaad en dat de gevraagde vernietiging dit nog zou kunnen verhelpen; dat bijgevolg niet blijkt welk actueel belang de verzoekende partij nog kan doen gelden bij de gevraagde vernietiging; dat de vordering onontvankelijk is, VII-23.199-3/4 BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.199-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.