id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.003 Rolnummer: A. 71484/VII-23668 Zaak: Arrest 132003 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-10 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 132.003 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.003 van 3 juni 2004 in de zaak A. 71.484/VII-23.
- In zake : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat T. BALTHAZAR, kantoor houdende te GENT, Onderbergen
- ------------------------------------------------------------------------------------------------ --- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Vlaamse regering op 2 oktober 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "
- het Ministerieel besluit van 16 april 1996 tot vaststelling van de criteria voor erkenning van beoefenaars van de verpleegkunde als houders van de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallen- zorg, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 1996 (blz. 20802);
- bij rechtsgevolg, het Ministerieel besluit van 16 april 1996 houdende vaststelling van het formulier voor de aanvraag van de erkenning door beoefenaars van de verpleegkunde tot het dragen van een bijzondere beroepstitel of om zich op een bijzondere beroepsbekwa- ming te beroepen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 1996 (blz. 20793)"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 10 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-23.668-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VERMEIRE die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat T. BALTHAZAR die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Wettelijk en reglementair kader. Overwegende dat het wettelijk en reglementair kader van de zaak als volgt kan worden weergegeven : 1.
- Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies bepaalt dat de Koning een lijst vaststelt van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwa- mingen voor onder meer de beoefenaars van de verpleegkunde. Deze lijst werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 18 januari
- Artikel 1, §l, van dit koninklijk besluit stelt de lijst vast van "de bijzondere beroepstitels voor de houders van het diploma of de titel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster". Tot die lijst behoren onder meer : "gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg". Artikel 35quater van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt : VII-23.668-2/12 "Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaming, dan na door de Minister tot wiens bevoegd- heden de Volksgezondheid behoort hiertoe te zijn erkend". VII-23.668-3/12 Artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt : "De erkenning bepaald in artikel 35quater wordt toegekend overeenkom- stig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen." 1.
- Met een koninklijk besluit van 20 mei 1994 werd de erkenningsprocedure vastgesteld waarbij beoefenaars van de verpleegkunde ertoe gemachtigd worden een bijzondere beroepstitel te dragen of zich op een bijzondere beroepsbekwaming te beroepen. Artikel 1 van dit koninklijk besluit bepaalt dat de beoefenaars van de verpleegkunde die de erkenning wensen te verkrijgen waarbij ze gemachtigd worden een bijzondere beroepstitel te dragen of zich op een bijzondere beroepsbekwaming te beroepen, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit hun aanvraag om erkenning bij de minister tot wiens bevoegd- heid de volksgezondheid behoort moeten indienen en dit bij middel van het door deze laatste vastgestelde formulier. Artikel 2 bepaalt dat bij de aanvraag de bewijsstukken dienen te worden gevoegd waaruit blijkt dat voldaan is aan de erkenningscriteria vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid de volksgezondheid behoort. 1.
- Het eerste bestreden besluit, genomen ter uitvoering van artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78, stelt de criteria vast voor de erkenning van beoefenaars van de verpleegkunde als houders van de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg. De artikelen 1 t.e.m. 5 van dit ministerieel besluit luiden als volgt: "HOOFDSTUK
- - Criteria voor het bekomen van de erkenning als gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg Artikel
- Wie wenst erkend te worden om de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg te voeren, moet : - houder zijn van het diploma, de graad of de titel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster en; - met vrucht een bijkomende opleiding of specialisatie in intensieve zorg en spoedgevallenzorg gevolgd hebben en die beantwoordt aan de vereisten vermeld in artikel 2; Art.
- §
- De in artikel 1 bedoelde bijkomende opleiding of specialisatie omvat een theoretisch gedeelte en een gedeelte professionele ervaring. VII-23.668-4/12 §
- Het theoretisch gedeelte moet minstens 450 effectieve uren omvatten en minstens volgende domeinen behandelen : l/ Biomedische wetenschappen : - Fysiologie en fysiopathologie bij intensieve zorg en spoedgevallenzorg, - Therapie inzake intensieve zorg en spoedgevallenzorg, - Preventie van complicaties, 2/ Verpleegkundige wetenschap : - Medische spoedgevallen in 't algemeen, - Respiratoire, neurologische en circulatiestoornissen, - Traumata en andere fysische agressies, - Nierinsufficiëntie en zware infecties, - Til- en transporttechnieken inzake intensieve zorg en spoedgevallen- zorg, - Hygiëne, veiligheid en werkorganisatie inzake de intensieve zorg en spoed-gevallenzorg, 3/ Methodologie van het toegepast onderzoek inzake intensieve zorg en spoedgevallenzorg. 4/ Apparatuur en materiaal voor intensieve zorg en spoedgevallenzorg. 5/ Sociale en menswetenschappen : - Psycho-sociale aspecten verbonden aan de bijzondere situatie van patiënten in diensten van intensieve zorg en spoedgevallenzorg, - Omgangskunde en psycho-sociale hulpverlening binnen de intensieve zorg en spoedgevallenzorg, - Wetgeving en beroepsethiek inzake intensieve zorg en spoedgevallen- zorg. §
- De professionele ervaring omvat tenminste 450 effectieve uren praktijk. Daarvan moeten tenminste verworven worden : - 200 uren in een erkende dienst voor intensieve zorg. In afwachting dat de vigerende erkenningsnormen voor de diensten voor intensieve zorg vervangen zijn door een geheel van nieuwe normen volstaat het dat de hogervermelde professionele ervaring verworven wordt in een dienst die voldoet aan de bepalingen van bijlage 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1986 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend als medisch-technische dienst zoals bedoeld in artikel 6bis, § 2, 6/bis van de wet op de ziekenhuizen, - 200 uren in een erkende spoedgevallendienst. Bij het ontbreken van erkenningsnormen voor een spoedgevallendienst op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavig besluit en in afwachting van de inwerking- treding van bedoelde normen, dient de hogervermelde professionele ervaring verworven te worden in een spoedgevallendienst die voldoet aan de bepalingen van bijlage 1 van het hogervermelde koninklijk besluit van 28 november
- Voor wat de overige uren betreft, moet de professionele ervaring eveneens worden verworven in de hogervermelde diensten. HOOFDSTUK II. - Criteria voor het verkrijgen van een verlenging van de erkenning Art.
- §
- Om een verlenging van zijn erkenning te bekomen, moet de gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg : - zijn/haar functie uitoefenen in een zoals in artikel 2, § 3 omschreven dienst intensieve zorg of spoedgevallendienst; - het bewijs leveren dat hij/zij zijn/haar professionele kennis en kunde onderhoudt en ontwikkelt door een permanente vorming in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg om aldus de verpleegkundige zorg te kunnen VII-23.668-5/12 verstrekken die aan de huidige evolutie van de verpleegkundige wetenschap b e a n t w o o r d t . §
- De permanente vorming, bedoeld in § 1, omvat minstens twee dagen per jaar HOOFDSTUK III. - Overgangsmaatregelen Art.
- §
- In afwijking van artikel 2 kan de gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster erkend worden om de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg of spoedgevallenzorg te voeren, op voorwaarde dat hij/zij beantwoordt aan beide hiernavermelde voorwaarden : - de functie van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster sinds minstens 2 jaar voltijds of 2 jaar voltijds equivalent uitoefent in een dienst intensieve zorg of een spoedgevallendienst, zoals omschreven in artikel 2, § 3; - het bewijs levert dat hij/zij met vrucht een bijkomende opleiding of specialisatie in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg van tenminste 150 uren heeft genoten in tenminste drie van de vijf in artikel 2, § 2 bedoelde domeinen. §
- Om te voldoen aan de voorwaarden van de overgangsmaatregelen en voor de indiening van de erkenningsaanvraag beschikt de betrokkene over een periode van twee jaar en zes maanden, te rekenen vanaf de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art.
- Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt". 1.
- Het tweede bestreden besluit is een uitvoering van artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 20 mei 1994 dat de erkenningsprocedure vastlegt. Op het formulier dient de aanvrager bepaalde gegevens te verstrekken omtrent de genoten opleiding (basisopleiding en bijkomende opleiding of specialisatie) en omtrent de permanente opleiding;
- Gegrondheid van het beroep 2.
- Standpunten van de partijen Overwegende dat de standpunten van de partijen als volgt kunnen worden samengevat : 2.1.
- In het verzoekschrift wordt het enig middel geput uit de schending van artikel 127, §l, eerste lid, 2/, van de Grondwet. De verzoekende partij betoogt, kort samengevat, dat de gemeenschappen, behoudens limitatief opgesomde uitzonderingen, bevoegd zijn voor onderwijs. Hoe diploma's of academische graden kunnen worden verworven is een onderwijsaangelegenheid. De toegang tot een beroep afhankelijk VII-23.668-6/12 stellen van een bepaald diploma of academische graad komt neer op het stellen van vestigingsvoorwaarden, waarvoor de federale overheid bevoegd is. Bij wege van limitatief bedoelde en restrictief te interpreteren uitzondering bleef de federale overheid bevoegd voor "de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's", waarbij enkel de indeling in niveaus en het bepalen van de globale minimumduur per niveau tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoren. Grondwettelijk is er geen plaats meer voor enige bemoeienis van de federale overheid in de inhoud van de programma's. De gemeenschappen moeten in onderling overleg instaan voor de equivalentie van de diploma's. Het eerste bestreden besluit verplicht de Vlaamse Gemeenschap om, buiten de bestaande onderwijsniveau's en hun duurtijd, over te gaan tot het subsidiëren, financieren (of, maar dan in hoofde van de hogescholen, inrichten) van een welbepaalde voortgezette opleiding m.b.t. de intensieve zorg en de spoedgevallenzorg, in de zin van artikel 18 e.v. van het hogeschooldecreet van 13 juli 1994, of nog tot het omvormen van de basisopleiding in de gezondheidszorg naar een organisatie van twee cycli, dan wel tot een posthogeschoolvorming in de zin van artikel 20 van hetzelfde decreet. Bovendien bepaalt het eerste bestreden besluit de programma- torische inhoud waaraan zulk een voortgezette opleiding of omgevormde basisopleiding minimaal, zowel qua minimum aantal effectieve uren als qua minstens daarin voorkomende domeinen, moet voldoen. De vernietiging van het eerste bestreden ministerieel besluit brengt bij gevolgtrekking de vernietiging van het tweede mee, vermits in het daar vastgestelde formulier verplicht informatie te verschaffen is omtrent de bijkomen- de opleiding of specialisatie. 2.1.
- In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat het bestreden besluit tot doel heeft de criteria vast te stellen voor de erkenning van een bijzondere beroepstitel, namelijk deze van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallen. Door het vaststellen van deze criteria heeft de Belgische Staat niet de bedoeling op het terrein van het onderwijs te treden, maar wel om minimale voorwaarden en vereisten te omschrijven waaraan iemand dient te voldoen die wenst erkend te worden als houder van een bijzondere beroepstitel. Het spreekt voor zich dat de minimale voorwaarden en criteria die opgenomen werden in het bestreden ministerieel besluit -gebaseerd op een advies van de Nationale Raad voor verpleegkunde- ondermeer voorschrijven VII-23.668-7/12 welke domeinen van de bio-medische en verpleegkundige wetenschap minstens in de opleiding dienen te worden behandeld gedurende een minimumtijd. Indien een minimale opsomming van vakken en opleidingsuren niet door de federale overheid zou mogen vastgelegd worden, dan zou zij onmogelijk de haar bij wet toegekende bevoegdheid om bijzondere beroepstitels in het leven te roepen en te reglementeren, kunnen uitoefenen. Bij het vaststellen van de erkenningsvereisten liet de wetgever zich enkel leiden door de kwaliteit van de zorgverstrekking, zonder zich te mengen in de concrete opleiding voor het verkrijgen van deze bijzondere beroepstitel. De federale overheid bleef binnen haar bevoegdheid en deze stelling wordt uitdrukkelijk bevestigd door het advies dat de afdeling wetgeving uitbracht over het ontwerp dat tot het eerste bestreden ministerieel besluit zou leiden. De verwerende partij citeert vervolgens de relevante passages uit dit advies, waaruit volgens haar blijkt dat de federale overheid binnen haar bevoegdheid bleef alsook dat de Vlaamse Gemeenschap volledig vrij is om zelf te bepalen hoe zij de opleiding zal organiseren. In zijn arrest nr. 81/96 van 18 december 1996 oordeelde het Arbitragehof dat de federale overheid bevoegd is om het uitoefenen van de activiteiten van geneeskundige of van paramedische aard afhankelijk te stellen van een erkenning, en die erkenning aan vereisten van onder meer studie en opleiding te onderwerpen. 2.1.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat het advies van de Nationale Raad voor verpleegkunde van louter technische aard is, en dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat constitutio- nele of bevoegdheidsverdelende motieven bij de totstandkoming van dat advies ook maar enige rol hebben gespeeld, zodat evenmin aan te nemen is dat deze Raad oog had voor het constitutionele begrip "minimale inhoud". De verzoekende partij betoogt voorts : "Schrijft Uw Raad zich in in de rechtspraak van het Arbitragehof (arrest nr. 81/96 van 18 december 1996, overwegende B.4.
- tot en met B.5.l.) en, meer nog, in het advies van Uw afdeling wetgeving (L. 24.2658, p. 4-6) dan moet worden aangenomen : - enerzijds dat de federale overheid uit art. 5, §1, 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, sindsdien ongewijzigd gebleven, en de parlementaire voorbereiding ervan, de bevoegdheid put niet alleen tot regeling van hetgeen tot de uitoefening van de geneeskunst en de paramedische beroepen behoort, maar ook om VII-23.668-8/12 het uitoefenen van geneeskundige of paramedische activiteiten zowel afhankelijk te stellen van een erkenning, als die erkenning onder meer aan 'vereisten van studie en opleiding' te onderwerpen; - anderzijds dat deze federale overheid zich niet te mengen heeft met de organisatie van de terzake dienende opleidingen (gemeenschapsbevoegd- heid), behoudens (althans volgens de administratie wetgeving van Uw Raad) wanneer het slechts zou gaan omtrent het bepalen van de 'minimale inhoud' van die opleiding, zonder die inhoud exhaustief vast te stellen; het zijn wel de gemeenschappen die bevoegd zijn niet alleen om de toegang tot de bijzondere opleiding te regelen, maar ook om de 'concrete inhoud' van die opleiding te bepalen. Hetgeen het eerste hier aangevochten besluit van 16 april 1996 terzake de erkenning van de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg doet, is deze erkenning (boven het diploma verbonden aan de overeenstemmende basisopleiding), afhankelijk maken van (met vrucht) een bijkomende opleiding of specialisatie (gevolgd hebben), waarbij :
(1)in het organiek stelsel (art. 2) geldt dat : - deze opleiding een theoretisch gedeelte en een gedeelte professionele ervaring omvat van samen genomen minstens 900 effectieve uren; - het theoretisch gedeelte zich minstens moet uitstrekken over vijf
(5)domeinen, waaronder veertien
(14)vakken zijn opgenomen;
(2)in het overgangsstelsel (art. 4, §1, tweede streepje) geldt dat : - deze opleiding een, naar moet worden aangenomen, theoretisch deel omvat van tenminste 150 (effectieve ?) uren; - dat gedeelte zich minstens uitstrekt over drie
(3)van de domeinen opgesomd in art. 2, domeinen die blijkbaar vrij te kiezen zijn, en dus op een onbepaald aantal vakken (van vijf
(5)tot veertien
(14)alnaargelang de gemaakte keuze) betrekking hebben. Het samenlezen van het advies van de Nationale Raad voor verpleegkun- de dd. 1 maart 1994 en van de bepalingen van de artt. 2 en 4 van het aangevochten ministerieel besluit, alsmede de onderlinge vergelijking tussen het organiek en het overgangsstelsel, zoals deze stelsels in datzelfde ministerieel besluit geregeld zijn, maken duidelijk dat de federale overheid zich terzake niet heeft beperkt tot het bepalen van de 'minimale inhoud' van de bedoelde opleiding, maar wel degelijk een volledig en volgens haar ook afdoende curriculum heeft uitgeschreven en met het oog op de door de federale minister te verlenen erkenning (het tweede hier aangevochten besluit van 16 april 1996) ook verplicht heeft gesteld. En zich ook zo op het terrein van het onderwijs en de organisatie ervan (gemeenschapsbevoegdheid) heeft begeven, zodat, zelfs al wordt art. 5, §1, 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op de hervorming van de instellingen geïnterpreteerd zoals het Arbitragehof dat in haar arrest nr. 81/96 voornoemd heeft gedaan in casu toch art. 127, §1, lid 1, 2/ van de gecoördi- neerde Grondwet wordt geschonden. Immers :
(1)Daar waar de Nationale Raad voor verpleegkunde (die geen minimale, maar een volgens haar noodzakelijke inhoud zonder meer van de bedoelde opleiding voorop stelde) adviseerde te voorzien in een bijkomende opleiding begrijpende, minimum en in totaal, 750 uren, bepaalt het eerste aangevochten ministerieel besluit dat deze bijkomende opleiding minimum 900 uren moet omvatten;
(2)Daar waar de Nationale Raad voor verpleegkunde adviseert dat deze bijkomende opleiding acht
(8)vakken moet inhouden, bepaalt het eerste aangevochten ministerieel besluit dat (althans in het organiek stelsel) het VII-23.668-9/12 theoretisch gedeelte van de opleiding op minstens veertien
(14)vakken gespreid over vijf
(5)domeinen betrekking moet hebben ;
(3)Daar waar de professionele ervaring van het organiek stelsel (art. 2, §3 van het besluit) gelijk staat met het hebben uitgeoefend van de functie in het overgangsstelsel (art. 4, §1 eerste streepje van het besluit), dient het theoretisch gedeelte van de bijkomende opleiding in het overgangsstelsel slechts 150 uren (in de plaats van 450 in het organiek stelsel) te omvatten en zich slechts uit te strekken over drie
(3)(studie)domeinen -en dan nog naar keuze- in de plaats van over vijf
(5)(studie)domeinen. Zodat moet worden aangenomen dat de werkelijke 'minimale inhoud' van de bijkomende opleiding, volgens de eigen opvattingen van de federale overheid, deze is die, wat het theoretisch gedeelte aangaat, geformuleerd is in art. 4, §1, tweede streepje van het besluit, terwijl die inhoud nochtans alleen geldig is in het overgangsstelsel. Zodat ook zo gezien een bevoegdheidsoverschrijding, met name een schending van art. 127, § 1, 2/ van de gecoördineerde Grondwet voorligt en het middel gegrond is, wat de vernietiging van de beide hier aangevochten ministeriële besluiten meebrengt". 2.1.4. In haar laatste memorie brengt de verzoekende partij nog een reeks technisch-juridische argumenten naar voor waaruit zij afleidt dat de federale overheid in casu elke zin voor maat en verhouding verloren heeft, en zo de grens van haar eigen voorbehouden bevoegdheid overschreden heeft. Dat is zo voor de organisatie van het onderwijs nu hetgeen de bestreden regeling voorschrijft door zijn omvang natuurlijk niet ten titel van specialisatie in te passen is binnen de bestaande basisopleidingen. Dit blijkt volgens de verzoekende partij ook uit de omstandig- heid dat, voorafgaand aan de hier aan de orde zijnde bijkomende opleiding of specialisatie, de betrokkene houder moet zijn van het diploma, de graad of de titel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster. Ook wat betreft de inhoudelijke eisen ging de federale overheid niet minimaal, maar al te inhoudelijk en exhaustief te werk; 2.2. Bespreking Overwegende dat het enig middel niet gegrond is om de volgende redenen : 2.2.1. De bepaling waarvan de verzoekende partij de schending inroept, met name artikel 127, §l, eerste lid, 2/, van de Grondwet, luidt als volgt : "§ 1. De Raden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet: ( ... ) VII-23.668-10/12 2/ het onderwijs, met uitsluiting van :
- a)de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;
- b)de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;
- c)de pensioenregeling". Uit die bepaling blijkt dat de gemeenschappen bevoegd zijn inzake onderwijsaangelegenheden, behoudens wat betreft (onder meer) "de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's", waarvoor de federale overheid bevoegd blijft. 2.2.2. Op grond van artikel 6, §l, VI, vijfde lid, 6/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen is de federale overheid bevoegd voor "de vestigingsvoorwaarden, met uitzondering van de bevoegdheden van de Gewesten voor de vestigingsvoorwaarden inzake toerisme". Volgens artikel 5, §1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 behoren de in die bepaling opgesomde aspecten van het gezondheidsbeleid tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. Zoals meermaals is bevestigd tijdens de parlementaire voorbereiding van die bijzondere wet, is de bevoegdheid inzake de regeling van de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde en de paramedische beroepen niet aan de gemeenschappen overgedragen, en blijft die dus aan de federale overheid voorbehouden (Zie de memorie van toelichting bij het ontwerp, Parl. St., Senaat, 1979-80, nr. 434-1, p. 7; verslag van de Senaats- commissie, Parl. St., Senaat, 1979-80, nr. 434-2, p. 125; verslag van de Kamercommissie, Parl. St., Kamer, 1979-80, nr. 627-10, p. 52.). Aldus kan de federale overheid onder meer regels stellen voor de toegang tot een beroep in de medische sector, en algemene regels of bekwaamheidsbewijzen voorschrijven in verband met de uitoefening van zulk beroep. 2.2.3. De bevoegdheid van de federale overheid om de uitoefening van de verpleegkunde te regelen, houdt de bevoegdheid in om de erkenning van een bijzondere beroepstitel voor de beoefenaars van de verpleegkunde afhankelijk te stellen van het behalen van een bepaald diploma en het volgen van een bepaalde opleiding. In casu wordt de minimale inhoud van de vereiste opleiding bepaald, zonder die inhoud exhaustief vast te stellen. 2.2.4. Artikel 1 van het eerste bestreden besluit bepaalt dat wie wenst erkend te worden om de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in de intensieve zorg en de spoedgevallenzorg te voeren, onder meer (tweede gedachtenstreepje) met vrucht "een bijkomende VII-23.668-11/12 opleiding of specialisatie" in intensieve zorg en spoedgevallenzorg moet gevolgd hebben, die beantwoordt aan de vereisten vermeld in artikel 2. Om een verlenging van de erkenning te verkrijgen is, overeenkomstig art. 3, §2, van hetzelfde besluit, een permanente vorming van minstens twee dagen per jaar vereist. In tegenstelling met wat de verzoekende partij voorhoudt verplicht het eerste bestreden ministerieel besluit niet tot het subsidiëren, financieren of inrichten van een welbepaalde voortgezette opleiding, noch verplicht het tot een omvorming van de basisopleiding in de gezondheidszorg naar twee cycli, en evenmin verplicht het tot de organisatie van een posthogeschool- vorming. Integendeel stelt het bestreden besluit expliciet dat ook een specialisatie (binnen de bestaande opleidingen) in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg mogelijk is. Het staat de gemeenschappen evenwel vrij om ook in een opleiding na de basisopleiding te voorzien. Voorts bepaalt het eerste bestreden besluit het minimum aantal uren theoretische opleiding dat moet gevolgd worden, en laat het aldus voor de gemeenschappen de mogelijkheid open om de opleiding op voltijdse en/of deeltijdse basis te organiseren en om desgevallend een groter aantal uren theoretische opleiding te bepalen. Wat betreft de organisatie van het onderwijs is het eerste bestreden ministerieel besluit dan ook niet in strijd met de bevoegd- heidsverdelende regels. 2.2.5. Ook wat betreft de inhoud van de bijkomende opleiding of specialisatie is het eerste bestreden ministerieel besluit niet in strijd met de bevoegdheidsverdelende regels. Zoals hoger aangestipt is de federale overheid bevoegd om de toegang tot een beroep te regelen, en die bevoegdheid zou worden uitgehold indien zij geen minimale inhoudelijke eisen kan stellen aan de te volgen opleiding, vermits de opleiding primordiaal is om met de nodige bekwaamheid een bepaald beroep te kunnen uitoefenen. Het bepalen van de minimale inhoud is moeilijk denkbaar zonder enige nadere bepaling van de domeinen of aangelegenheden die bij die opleiding aan bod dienen te komen. In casu wordt de minimale inhoud van de vereiste opleiding bepaald, zonder die inhoud exhaustief vast te stellen. In die zin is het eerste bestreden ministerieel besluit, wat de inhoudelijke kant van de opleiding betreft, in overeenstemming met de bevoegdheidsverdelende regels. VII-23.668-12/12 2.2.6. Het enig middel is dus niet gegrond m.b.t. het eerste bestreden ministerieel besluit. 2.2.7. Vermits het eerste bestreden ministerieel besluit niet dient te worden vernietigd, dient het ter uitvoering daarvan genomen tweede bestreden ministerieel besluit, dat enkel het aanvraagformulier voor de erkenning vaststelt, niet "bij rechtsgevolg" te worden vernietigd, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.668-13/12 VII-23.668-14/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div