← België

Arrest 132005 - - 03/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.005 Rolnummer: A. 70077/VII-14477 Zaak: Arrest 132005 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-16 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 132.005 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.005 van 3 juni 2004 in de zaak A. 70.077/VII-14.

  1. In zake : Anita VAN DEN BORNE, die woonplaats kiest bij advocaat R. HENS, kantoor houdende te BRASSCHAAT, Bredabaan 161, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. BALLON, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Anita VAN DEN BORNE op 26 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 juni 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij haar beroep tegen het besluit van 23 november 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de vergunning voor de uitbreiding van een varkenshouderij, gelegen te Arendonk, Watering 14, met een bijkomende varkensstal voor 800 gespeende vleesvarkens, een bijkomende mestopslag van 1.433 m3, twee ondergrondse mazouttanks van elk 5.000 liter, silo’s voor 6 ton graanvoeders en 124 m3 bijproducten en het installeren van een bijkomend vermogen van 27,02 kW, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 121.007 van 26 juni 2003 waarbij het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden bevonden, de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. SOURBRON; VII-14.477-1/6 Gelet op de beschikking van 4 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster; Gelet op de beschikking van 2 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 mei 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIREN die, loco advocaat R. HENS verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. VERMEIRE die, loco advocaat M. BALLON verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  3. Overwegende dat in het verzoekschrift tot nietigverklaring drie middelen worden aangevoerd; dat over het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel reeds uitspraak werd gedaan in voornoemd arrest; 1.
  4. Overwegende dat in het eerste onderdeel van het tweede middel, dat ontleend is aan de schending van artikel 1.1.
  5. (definities dieren/mestopslag) van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), verzoekster het volgende aanvoert : "Doordat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat 'de vraag tot uitbreiding tot een gesloten bedrijf met 220 produktieve zeugen enkel kan worden toegekend indien het totaal aantal stuks andere varkens wordt beperkt tot 1.545 stuks'; dat derhalve 30 varkens worden geweigerd. Dat uit deze overweging derhalve kan afgeleid worden dat de aanvraag van verzoeker voor een bedrijf van 220 zeugen en 1.575 mestvarkens niet als een gesloten bedrijf kan worden gekwalificeerd. Terwijl ingevolge artikel 1.1.
  6. (definities dieren) van Vlarem II als 'gesloten varkenshouderij' wordt beschouwd: een 'inrichting als bedoeld in subrubriek 9.4 waarin uitsluitend in de inrichting geboren dieren worden afgemest en waarin het aantal zeugen één achtste tot één negende bedraagt van het totaal aantal varkens dat in de inrichting mag worden gehouden'."; VII-14.477-2/6 1.
  7. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: "Verzoekster heeft in haar milieuvergunningsaanvraag gewag gemaakt van ondermeer een bijkomende varkensstal van 800 gespeende vleesvarkens, om zo te komen tot een totaal van 1.795 gespeende varkens waarvan 250 zeugen. In het kader van de beroepsprocedure heeft verzoekster in haar beroepsschrift echter haar oorspronkelijke aanvraag gewijzigd voor wat betreft het aantal zeugen. Zo heeft zij 30 zeugen omgezet naar 30 'andere' varkens. In het bestreden besluit heeft de Vlaamse Minister, gelet op de wijziging van de vergunningsaanvraag, enkel en alleen en uitvoerig op pagina 7 deze wijziging van 30 zeugen naar 30 andere varkens geëvalueerd en gesteld dat de uitbreiding met 800 mestvarkens bij de reeds vergunde 745 mestvarkens enkel resulteert in een gesloten bedrijf indien het aantal produktieve zeugen wordt beperkt tot maximaal 220 stuks; dat de vraag tot uitbreiding tot een gesloten bedrijf met 220 produktieve zeugen enkel kan goedgekeurd worden indien het totaal aantal 'andere' varkens wordt beperkt tot 1545 stuks en zodoende dat 30 varkens in ieder geval dienen geweigerd te worden. Nergens uit de motivering in het bestreden besluit kan afgeleid worden dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu de inrichting van verzoekster niet als een gesloten inrichting zou beschouwen. Enkel en alleen wordt in het bestreden besluit op uitvoerige wijze een evaluatie gemaakt van het door verzoekster gewijzigd standpunt inzake het aantal dieren. De beschouwingen met betrekking tot de wijziging van de oorspronkelijke milieuvergunningsaanvraag staan geenszins in kontrast met de uiteindelijke weigering op grond van het feit dat de maximale bedrijfsgrootte zoals bepaald door artikel 31 van het decreet van 15 december 1995 houdende wijziging van het mestdecreet, niet in overeenstemming te brengen is met de milieuvergun- ningsaanvraag. Nergens uit de motivering in het bestreden besluit kan afgeleid worden dat de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu in zijn motivering niet consistent zou geweest zijn. Na de evaluatie met betrekking tot het door verzoekster gewijzigde standpunt inzake het aantal dieren, heeft de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling alsnog dienen te oordelen dat de gewijzigde milieuvergunnings- aanvraag niet verenigbaar is met artikel 31 van het decreet van 15 december 1995 (sic)"; 1.
  8. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord volhardt in haar kritiek; 1.
  9. Overwegende dat in het arrest nr. 121.007 van 26 juni 2003 bij het onderzoek van het tweede onderdeel van het tweede middel reeds werd geoordeeld dat "de verwerende partij de aanvraag in hoofdzaak geweigerd heeft omdat deze onverenigbaar is met artikel 31 van het decreet van 20 december 1995", dat "verzoekster er in het eerste middel niet in geslaagd is op ontvankelijke wijze de onwettigheid van dit weigeringsmotief aan te tonen" en dat "het middelonderdeel slaat op een bijkomend motief en bijgevolg niet ter zake dienend is"; dat dezelfde vaststelling geldt voor wat betreft het eerste onderdeel van het tweede middel dat VII-14.477-3/6 eveneens gericht is tegen het bijkomend motief waarin gesteld wordt dat "de uitbreiding met 800 mestvarkens bij de reeds vergunde 745 mestvarkens enkel resulteert in een gesloten bedrijf indien het aantal produktieve zeugen wordt beperkt tot maximaal 220 stuks" en "de vraag tot uitbreiding tot een gesloten bedrijf met 220 produktieve zeugen dus enkel kan goedgekeurd worden indien het totaal aantal 'andere' varkens wordt beperkt tot 1545 stuks"; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; 2.
  10. Overwegende dat in het derde middel machtsoverschrijding en de schending van het redelijkheidsbeginsel worden aangevoerd; dat verzoekster het volgende betoogt: "Doordat in de overweging op pg. 6 en 7 van de bestreden beslissing het volgende gesteld wordt: 'overwegende dat het omzetten van 30 zeugen naar 30 'andere varkens' niet in de oorspronkelijke aanvraag was voorzien en derhalve niet kunnen weerhouden worden (...) dat derhalve 30 varkens worden geweigerd'. Terwijl geen enkele decretale of reglementaire bepaling aan verzoeker verbiedt het voorwerp van zijn aanvraag in de loop van de vergunningsprocedu- re in het licht van wijzigende wetgeving nader te specifiëren. Dat de aanvraag inderdaad oorspronkelijk voorzag in de uitbreiding tot 1.795 varkens, waarvan 250 zeugen. Dat verzoeker evenwel rekening houdend met de inwerkingtreding van de nieuwe Vlarem II-normering enkele weken na indiening van zijn milieuvergun- ningsaanvraag (en meer specifiek met de wijziging van de definitie 'zeugen' waardoor niet-produktieve zeugen vanaf 1 juni 1995 niet meer als 'zeug' doch als 'andere varkens' dienden te worden gekwalificeerd) het voorwerp van zijn aanvraag in beroep nader specifieerde in die zin dat van de aanvankelijk opgegeven 250 zeugen, 30 als opfokzeugen (zijnde niet-produktieve zeugen) dienden te worden beschouwd en derhalve dienden te worden gevoegd bij de 1.545 andere varkens. Dat de vergunningverlenende overheid, door deze nadere specifiëring in het licht van wijzigende normen aan verzoeker te weigeren, niet enkel de haar toegewezen bevoegdheden overschrijdt doch tevens blijk geeft van haar onwil om de aanvraag van verzoeker, die blijkt geeft zich spontaan aan wijzigende richtlijnen te willen aanpassen, met de nodige realiteitszin en redelijkheid te beoordelen"; 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet wat volgt : "Zoals verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring specifieert heeft zij zelf in het kader van de gewijzigde Vlarem II-normering haar oorspronkelijke vergunningsaanvraag gewijzigd en nader toegelicht. Het komt dan ook aan de vergunningverlenende overheid, in casu de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu, toe om bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag op gemotiveerde wijze rekening te houden met de eventueel doorgevoerde wijzigingen in de loop van de procedure. VII-14.477-4/6 Verzoekster houdt echter ten onrechte voor dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling dit deed met overschrijding van zijn bevoegdheid en met gebrek aan realiteitszin en redelijkheid. Zoals reeds aangehaald in de bespreking van het tweede middel heeft de Vlaamse Minister van Tewerkstelling en Leefmilieu eerst een evaluatie gehouden van de door verzoekster aangebrachte wijzigingen om nadien rekening houdende met de oorspronkelijke aanvraag, de aangebrachte wijzigingen hieraan en de evaluatie hieromtrent, tot het besluit te komen dat de vergunningsaanvraag niet verenigbaar is met de decretale bepalingen van 15 december 1995 (sic) houdende wijziging van het mestdecreet. Dat de vergunningverlenende overheid op pag. 6 en 7 van haar bestreden besluit terecht oordeelt dat het omzetten van 30 zeugen in 30 'andere varkens' niet in de oorspronkelijke aanvraag was voorzien en derhalve niet kan weerhouden worden. De vergunningverlenende overheid kan enkel en alleen rekening houden met de oorspronkelijke vergunningsaanvraag en dit overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 en 6 van Vlarem I en schendt derhalve geenszins het redelijkheids- beginsel noch heeft haar bestreden besluit genomen door middel van machts- overschrijding"; 2.
  12. Overwegende dat in haar memorie van wederantwoord verzoekster herhaalt dat geen enkele wetsbepaling haar verbiedt de ingediende vergunningsaan- vraag in de loop van de procedure nader te "specifiëren" in het licht van de wijzigende wetgeving; 2.
  13. Overwegende dat de aangevochten weigeringsbeslissing volledig steunt op het decisieve motief aangaande de onverenigbaarheid van de aanvraag met artikel 31 van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; dat het derde middel, dat kritiek uit op een bijkomend motief, op zich niet kan leiden tot de nietigverklaring van de aangevochten beslissing en derhalve niet ter zake dienend is;
  14. Overwegende dat geen van de aangevoerde middelen gegrond is, zodat het beroep moet worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. VII-14.477-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.477-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.005 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.121.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.