id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.008 Rolnummer: A. 108086/XIV-5811 Zaak: Arrest 132008 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:03 Fiche Arrest nr 132.008 van 3 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.008 van 3 juni 2004 in de zaak A. 108.086/XIV-
- In zake : ALI DIRIEH SAADA, die woonplaats kiest bij Advocaat I. DURNEZ, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat ALI DIRIEH SAADA, van beweerde Somalische nationaliteit, op 25 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 mei 2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-5811-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. DURNEZ, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- ALI DIRIEH SAADA, die beweert van Somalische nationaliteit te zijn, komt op 17 augustus 1998 in het Rijk aan en vraagt de volgende dag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 6 maart 2001 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als volgt verworpen : “Betrokkene werd verhoord op 28 juni 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Somalische taal machtig is en in aanwezigheid van haar advocaat meester Durnez. Betrokkene verklaarde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Muqdisho en te behoren tot de Tunni-clan. De echtgenoot van betrokkene was beroepsmilitair tijdens het regime van voormalig president Syad Barre en stierf in de oorlog in Somaliland in
- In maart 1991 namen Hawiye het huis van betrokkene in. Betrokkene werd hierbij ernstig geslagen. Daarop zocht de familie van betrokkene bescherming bij Sheikh Said, een buur van de Hawiye-clan. In april 1994 werd Hassan, de zoon van betrokkene, door een (Hawiye) Habar Gedir-militie om het leven gebracht, nadat hij geweigerd had hun militie te vervoegen. Na dit incident zocht de familie van betrokkene op advies van Sheikh Said een onderkomen bij diens tweede vrouw in Dusa Mareeb. Daar gaven ze zich uit voor leden van de (Hawiye) Habar Gedir-clan. Na enige tijd kwamen de buren te weten dat de familie van betrokkene niet tot de Hawiye-clan behoorde. Om problemen te vermijden, vroeg de tweede vrouw van Sheikh Said hen terug te keren naar Muqdisho. Alleen Mohamed, één van de zonen van betrokkene, bleef in Dusa Mareeb. In juni 1995 gingen de andere familieleden weer bij Sheikh Said wonen. Na diens tussenkomst konden betrokkene en haar familie begin 1996 hun vroegere woning weer betrekken. In mei 1998 werd Fatiya, een dochter van betrokkene, met geweld door een Hawiye-militie meegenomen. Faysal, een zoon van betrokkene, probeerde haar te beschermen maar werd de vingers afgehakt. Daarop adviseerde Sheikh Said betrokkene en haar familie het land te verlaten. Op 5 augustus 1998 reisden ze naar Marka, waar ze op 7 augustus 1998 een boot namen naar Mombasa (Kenia). Daar namen ze een bus naar Nairobi. Op 16 augustus 1998 reisden betrokkene, haar zoon Ibrahim Miguil Ilyas (CG 98/16806) en haar dochter Hawa, in gezelschap van een begeleider, per vliegtuig van Nairobi naar Brussel. Op 17 augustus 1998 kwam betrokkene in België aan en de volgende dag vroeg ze er asiel aan. Niettegenstaande het Commissariaat-Generaal aanvankelijk, op 15 juni 1999, een gunstige beslissing nam betreffende het verblijf van betrokkene op het grondgebied, dient na een onderzoek ten gronde het volgende te worden vastgesteld. XIV-5811-2/9 Vooreerst maakt betrokkene het niet erg aannemelijk dat zij, zoals zij verklaarde, de Somalische nationaliteit bezit en tot de Tunni-clan behoort. Zo verklaarde zij tijdens het verhoor in dringend beroep (dd. 22 maart 1999) verkeerdelijk (cf. brief van Virginia Luling, Survival for tribal peoples, dd. 15 april 1998; Mohamed Diriye Abdullahi. Victims forgotten amid War and Chaos.) dat de Tunni verspreid leven over het ganse land en geen thuisregio hebben. Ook stelde ze in de vragenlijst van het Commissariaat- generaal (ingevuld dd. 12 november 1999) dat haar moeder tot de Asharafclan behoort, terwijl ze tijdens het verhoor ten gronde uitdrukkelijk verklaarde dat ook haar moeder tot de Tunni-clan behoort. Verder is het uiterst bedenkelijk dat betrokkene de vragenlijst van het Commissariaat-generaal, die door haar raadsman, meester Durnez, werd ingevuld (dd. 12 november 1998), in de Franse taal dicteerde. De Franse taal is immers niet gangbaar in Somalië (Barbara F. Grimes. Ethnologue, Languages of the World. Summer Institute of Linguistics, 13de editie). Het feit dat betrokkene tijdens het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken en het verhoor door het Commissariaat-generaal haar verklaringen in de Somalische taal aflegde, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. De Somalische taal wordt immers niet enkel in Somalië zelf gesproken, maar eveneens in de buurlanden van Somalië : Djibouti, Ethiopië en Kenia (Grimes Barbara F. Etnologue, Languages of the World. Summer Institute of Linguistics, 13de editie). De geloofwaardigheid van het relaas van betrokkene wordt verder ondermijnd door een aantal tegenstrijdige verklaringen en hiaten. Zo verklaarde ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat Sheikh Said een kennis van haar vader was, terwijl ze tijdens het verhoor in dringend beroep en tijdens het verhoor ten gronde stelde dat hij een vriend van haar gestorven echtgenoot was. Ook stelde ze tijdens het verhoor ten gronde dat haar zoon Mohamed in 1995 in Dusa Mareeb bleef, terwijl ze tijdens het verhoor in dringend beroep verklaarde dat hij in 1998 naar Dusa Mareeb terugkeerde. Ook verklaarde ze voor de Dienst Vreemdelingenzaken en in haar schriftelijke verklaring (dd. 28 november 1998) dat ze na een verblijf op het platteland naar Muqdisho terugkeerde voor de verzorging van haar twee zieke zonen, terwijl ze noch tijdens het verhoor in dringend beroep, noch tijdens het verhoor ten gronde enig gewag maakte van genoemd motief voor de terugkeer naar Muqdisho. Voor het Commissariaat-generaal, zowel tijdens het verhoor in dringend beroep als tijdens het verhoor ten gronde, beweerde ze dat ze om veiligheidsredenen het platteland verlieten, gezien de buren aan de weet gekomen waren dat ze geen Hawiye waren. Verder verklaarde betrokkene tijdens het verhoor in dringend beroep dat Sheikh Said en zijn echtgenote die in Muqdisho woonde drie kinderen hadden, Loula, Zeinab en Moustapha. Met zijn tweede echtgenote, die in Dusa Mareeb verbleef, had Sheikh Said vier kinderen : Osman, Mohamed, Mariam en Faduma. Tijdens het verhoor ten gronde noemde ze de kinderen van de eerste echtgenote Loula, Aman en Abdullahi en de kinderen uit het tweede huwelijk Osman, Mohamed, Anbaro en Halwo. Toen ze tijdens het verhoor ten gronde met deze tegenstrijdigheden geconfronteerd werd, beweerde ze dat Anbaro en Mariam één en dezelfde persoon zijn, dat Moustapha overleden is en Abdullahi de enige overblijvende zoon was en dat ze Abdullahi en Aman wel degelijk vermeld had tijdens het verhoor ten gronde. De brief van betrokkene (dd. 5 juli 2000, ná het verhoor ten gronde), waarin gesteld wordt dat Loula en Zeinab, Abdillahi en Moustapha, Arnbaro en Mariam, Halwo en Djamila telkens twee namen voor dezelfde persoon zijn, is allerminst een verklaring voor genoemde tegenstrijdigheden maar een nieuwe en vierde versie van de familiesamenstelling van Sheikh Said. Hoe dan ook is betrokkene niet in het bezit van enig document (zelfs geen instapkaart of bagageticket) dat een controle van haar reisweg mogelijk maakt. Aangezien het in casu gaat om een intercontinentale vliegreis, getuigt dit, samen met het feit dat ze tijdens het verhoor ten gronde beweerde niet te weten of het vliegtuig al dan niet een tussenlanding maakte, van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit dientengevolge eveneens een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. De Somalische identiteitskaart (met nummer 264), welke betrokkene voorlegt ter ondersteuning van haar relaas, doet geen afbreuk aan voorgaande overwegingen, gezien de authenticiteit ervan geenszins kan worden nagegaan. De medische attesten (dd. 1 oktober 1998, 18 maart 1999 en 15 juni 2000) doen evenmin afbreuk aan voorgaande verklaringen, gezien geen uitsluitsel wordt gegeven met betrekking tot de oorzaak van beschreven letsels. XIV-5811-3/9 Uit wat voorafgaat, kan bijgevolg niet besloten worden dat betrokkene haar land heeft verlaten uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par. A, lid 2, van de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 19 maart 2001 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 18 mei 2001 wordt ze, bijgestaan door haar raadsvrouw, gehoord. 1.
- Dezelfde dag neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing waarbij het beroep ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing rust op volgende redengeving : “Overwegende dat de feiten aan de basis van appellantes asielrelaas door de bestreden beslissing als volgt worden samengevat: “Betrokkene verklaarde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Muqdisho en te behoren tot de Tunni-clan. De echtgenoot van betrokkene was beroepsmilitair tijdens het regime van voormalig president Syad Barre en stierf in de oorlog in Somaliland in
- In maart 1991 namen Hawiye het huis van betrokkene in. Betrokkene werd hierbij ernstig geslagen. Daarop zocht de familie van betrokkene bescherming bij Sheikh Said, een buur van de Hawiye-clan. In april 1994 werd Hassan, de zoon van betrokkene, door een (Hawiye) Habar Gedir-militie om het leven gebracht, nadat hij geweigerd had hun militie te vervoegen. Na dit incident zocht de familie van betrokkene op advies van Sheikh Said een onderkomen bij diens tweede vrouw in Dusa Mareeb. Daar gaven ze zich uit voor leden van de (Hawiye) Habar Gedir-clan. Na enige tijd kwamen de buren te weten dat de familie van betrokkene niet tot de Hawiye-clan behoorde. Om problemen te vermijden, vroeg de tweede vrouw van Sheikh Said hen terug te keren naar Muqdisho. Alleen Mohamed, één van de zonen van betrokkene, bleef in Dusa Mareeb. In juni 1995 gingen de andere familieleden weer bij Sheikh Said wonen. Na diens tussenkomst konden betrokkene en haar familie begin 1996 hun vroegere woning weer betrekken. In mei 1998 werd Fatiya, een dochter van betrokkene, met geweld door een Hawiye-militie meegenomen. Faysal, een zoon van betrokkene, probeerde haar te beschermen maar werd de vingers afgehakt, Daarop adviseerde Sheikh Said betrokkene en haar familie het land te verlaten. Op 5 augustus 1998 reisden ze naar Marka, waar ze op 7 augustus 1998 een boot namen naar Mombasa (Kenia). Daar namen ze een bus naar Nairobi. Op 16 augustus 1998 reisden betrokkene, haar zoon Ibrahim Miguil Ilyas (CG 98116806) en haar dochter Hawa, in gezelschap van een begeleider, per vliegtuig van Nairobi naar Brussel. Op 17 augustus 1998 kwam betrokkene in België aan en de volgende dag vroeg ze er asiel aan.” Overwegende dat appellante haar reisweg niet bewijst; dat zij niet aantoont wanneer zij het land verlaten heeft, noch wanneer zij in België aankwam; dat zij stelt dat zij haar paspoort afgaf aan de begeleider; dat dergelijke verklaring onvoldoende wordt geacht om appellante te ontslaan,. van de verplichting optimale medewerking te verlenen aan de instanties die haar asielrelaas beoordelen; dat zij op zijn minst in het bezit moet zijn geweest van een vliegtuigticket, instapkaart of bagageticket waaruit kan blijken met welke vlucht en wanneer zij in Zaventem is aangekomen; dat zij geen enkel reisbescheid(en) kan voorleggen en aldus op vrijwillige wijze iedere controle van haar reisweg onmogelijk maakt; dat dergelijke houding een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas inhoudt; Overwegende dat appellantes asielrelaas in hoofdzaak berust op de problemen die zij ondervond ten gevolge van haar eigen clanbehoren evenals haar banden met de Dir-clan XIV-5811-4/9 ten gevolge van haar huwelijk; dat appellante ter zitting onder meer stelt haar echtgenoot tot de Dir behoorde en haar Tunni-clan een subclan is van deze Dir; dat dergelijke uitspraken manifest aantonen dat appellante niet vertrouwd is met voormelde clanstructuren aangezien de Dir één van de vier grote nobele clanfamilies vormen binnen de Somalische samenleving daar waar de Tunni een minderheidsgroep is die genealogisch geen banden heeft met deze vier nobele clans en om deze reden zelfs gemeden wordt als huwelijkspartner; dat zij voorts stelt te zijn opgegroeid binnen de Asharaf-clan en ten onrechte stelt dat deze over heel Somalië verspreid leeft; dat de clanidentiteit, haar afkomst, werking en verhouding tot andere clans van wezenlijk belang is binnen de Somalische samenleving; dat individuele verantwoordelijkheid er immers onbestaande is omdat alle sociale relaties en contacten verlopen via de clan of de groep waartoe het individu behoort en van wie hij de nodige bescherming geniet; dat bovendien door het wegvallen van de centrale overheid in Somalië sedert 1991 en daarmee samenhangend diens rol in het handhaven van de veiligheid, het belang van de clan(familie) in de bescherming van het individu is toegenomen; dat appellante, gelet op bovenvermelde manifeste onjuistheden en onwetendheden, niet aannemelijk maakt dat zij opgegroeid is in een Asharaf-milieu, afstamt van de Tunni en gehuwd was met een Dir; Overwegende dat appellante noch in haar verzoekschrift, noch tijdens het verhoor ter zitting, een aannemelijke verklaring geeft voor welbepaalde door de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden; dat appellante tijdens haar verhoor ten gronde uitdrukkelijk verklaarde dat haar moeder Tunni was en niet Asharaf zoals zij dit in andere verklaringen stelde; dat de bestreden beslissing voorts uitgebreid inging op de tegenstrijdigheden met betrekking tot de namen van de kinderen van Sheik Said die deze had bij zijn twee vrouwen; dat de brief van appellante van 5 juli 2000, in tegenstelling tot wat zij hierover in haar verzoekschrift vermeldt, geenszins een verklaring of opheldering betreft van deze tegenstrijdigheden maar veeleer een vierde versie is van de samenstelling van het gezin van Sheik Said; dat appellante steeds verklaard heeft respectievelijk vier jaar (in Mogadishu) en één jaar en half (in Dusa Mareb) te hebben ingewoond bij beide gezinnen; dat bijgevolg vier verschillende versies omtrent de samenstelling van deze gezinnen dan ook de geloofwaardigheid van het relaas met betrekking tot haar verblijf in Somalië na 1991 ernstig aantasten; Overwegende dat appellantes jongste zoon, Abdourahman, recent in België aankwam; dat appellante stelt dat hij werd opgevoed door Sheik Said die hem de beginselen van de Koran onderwees; dat Abdourahman naar aanleiding van het overlijden van Sheik Said noodgedwongen naar België diende te komen en op zijn reis begeleid werd door de oudste zoon van Sheik Said; dat deze verklaringen haaks staan op de verklaringen van appellantes zoon IBRAHIM MIGUEL ILYAS (VB/01-0339) die uitdrukkelijk ontkent dat Sheik Said zou overleden zijn en verder stelt dat zijn broer Abdourahman door een gids naar België werd gebracht om hier de rest van de familie te vervoegen; dat deze tegenstrijdige versies eveneens een negatieve indicatie over de geloofwaardigheid van het relaas inhouden; Overwegende dat appellante ter zitting enkele documenten neerlegt waaronder een attest ter bevestiging van appellantes nationaliteit afgeleverd door SAMAFALE, een petitie ter ondersteuning van de regularisatie van appellantes verblijf in België alsook een medisch attest; dat deze documenten geen afbreuk doen aan bovenvermelde vaststellingen; dat immers het getuigschrift op naam van "Monsieur Ali Dirieh", afgeleverd door de vereniging SAMAFALE, geen bewijs van de nationaliteit is aangezien een dergelijke organisatie geenszins gemachtigd is om bewijskrachtige getuigschriften af te leveren; dat een regularisatie van het verblijf in België van appellante volledig losstaat van haar asielprocedure en het geneeskundig attest geen enkel bewijs levert van een oorzakelijk verband tussen de vastgestelde symptomen en de door appellante ingeroepen feiten; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J.C., The law of refugee status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84); dat de verklaringen plausibel moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et XIV-5811-5/9 critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié Genève, 1992, 54); dat het relaas van appellante niet geloofwaardig is; Overwegende dat appellante niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras, nationaliteit, godsdienst, het behoren tot een sociale groep of haar politieke overtuiging overeenkomstig artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 57/22 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 149 van de Grondwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel en uit de verkeerde beoordeling van de feiten, de verzoekende partij laat gelden
(1)dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er geen rekening mee houdt dat ze in haar beroepschrift heeft gesteld dat zij niet in het bezit is van enig reisdocument aangezien alle documenten in handen waren van de begeleider en aan deze moesten teruggegeven worden en dat men haar bezwaarlijk een “gebrek aan medewerking” kan verwijten daar zij tijdens het interview ten gronde zoveel mogelijk details heeft vermeld als zij zich herinnerde,
(2)dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de feiten verkeerd beoordeelt waar ze stelt dat het niet aannemelijk is dat zij afstamt van de Tunni en gehuwd is met een Dir, dat uit de voorgebrachte stukken immers duidelijk blijkt dat Dir en Tunni wapenbroeders zijn,
(3)dat ze tijdens het interview niet heeft gezegd dat de Asharaf-clan verspreid leeft over heel Somalië doch wel dat de Asharaf terug te vinden zijn in heel het land en geen eigen gebied hebben,
(4)dat geen rekening wordt gehouden met de uitleg welke in het beroepschrift voor de vermeende tegenstrijdigheden in haar verschillende verklaringen is gegeven,
(5)dat haar zoon IBRAHIM MIGUIL ILYAS tijdens zijn interview van 1 juni 2001 voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitdrukkelijk het misverstand in verband met de reis van haar jongste zoon naar België heeft rechtgezet, dat hij heeft gesteld dat zijn moeder veel dingen verwart en kampt met geheugenproblemen, dat het wel zo is dat de reis werd georganiseerd dor de ouders van SHEIK SAID -zoals ze heeft gezegd- maar dat ABDOURAHMAN begeleid werd door een onbekende begeleider en niet door de oudste zoon van SHEIK SAID -zoals door ILYAS werd verduidelijkt-,
(6)dat ze zich in het beroepschrift uitdrukkelijk afvroeg waarom de authenticiteit van haar identiteitskaart niet kan worden nagegaan, maar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hierop niet antwoordt,
(7)dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen stelt dat de door haar overgemaakte geneeskundige attesten geen enkel bewijs leveren van een oorzakelijk verband tussen de vastgestelde symptomen en de door haar ingeroepen feiten terwijl op de zitting van 1 juni 2001 tijdens het interview van IBRAHIM MIGUIL ILYAS een attest dd. 3 mei 2001 van Dr. VUYLSTEKE werd neergelegd dat expliciet vermeldt dat de littekens beantwoorden aan brandwonden door brandende stokken en
(8)dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen heeft nagelaten de nodige onderzoekshandelingen met betrekking tot haar identiteit en nationaliteit te stellen; XIV-5811-6/9 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in omstandige bewoordingen, over verscheidene pagina’s volle tekst gespreid, aangeeft om welke redenen zij oordeelt aan verzoekster de toekenning van de status van vluchteling te moeten weigeren, dat de bewijslast omtrent de reisweg in beginsel op verzoekster rust en deze in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen ter staving van haar relaas, dat verzoekster ter zitting duidelijke vragen werden gesteld omtrent haar beweerde afkomst en zij bovendien de beschikking had over de diensten van een tolk Somalisch, dat de kritiek met betrekking tot de identiteitskaart niet determinerend is voor de uitkomst van de gewezen beslissing, dat het beroepschrift zich beperkt tot het formuleren van kritiek op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zonder hierbij enige verklaring of opheldering te geven omtrent de vastgestelde tegenstrijdigheden; 2.1.3.
- Overwegende dat artikel 62 van voormelde wet van 15 december 1980 niet van toepassing is op beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, in zoverre de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt verweten de feiten verkeerd te hebben beoordeeld, het middel niet in aanmerking kan worden genomen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie ingeval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt”; 2.1.3.
- Overwegende dat het motief, ontleend aan het ontbreken van reisbescheiden, van bijkomstige aard is; dat de ondeugdelijkheid ervan op zich niet tot vernietiging van de aangevochten beslissing kan leiden, vermits deze voldoende is geschraagd door de overige beweegredenen; dat, nagaan of Dir en Tunni -zoals door verzoekster voorgehouden- wapenbroeders zijn, de Raad van State ertoe zou nopen feitelijke gegevens te vergelijken, wat buiten zijn bevoegdheid valt; dat de verklaring ter terechtzitting dat de Asharaf-clan “over heel Somalië verspreid leeft” opgenomen is in een authentieke akte -de geschreven beslissing van een administratief rechtscollege- en derhalve geacht moet worden overeen te stemmen met de werkelijkheid; dat het geenszins volstaat aan te voeren dat geen rekening is gehouden met de in het beroepschrift gegeven uitleg; dat in het verzoekschrift voldoende duidelijk moet worden aangegeven welk verweermiddel precies door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is genegeerd; dat, bij ontstentenis van dergelijke toelichting, deze grief niet in aanmerking kan worden genomen; dat de rechtzetting door IBRAHIM MIGUIL ILYAS van het, zogezegd misverstand in verband met de reis van de jongste zoon naar België dateert van na de aangevochten uitspraak en de geldigheid hiervan dan ook niet vermag aan te tasten; dat het motief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met de onmogelijkheid om de authenticiteit van de Somalische identiteitskaart voor te leggen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet wordt overgenomen; dat deze dan ook niet verplicht was de kritiek op deze beweegreden te weerleggen; dat het attest van Dr. VUYLSTEKE aan de Vaste XIV-5811-7/9 Beroepscommissie voor vluchtelingen werd voorgelegd op 1 juni 2001 -met andere woorden op een ogenblik dat de bestreden beslissing al was genomen- en de geldigheid hiervan dan ook niet vermag aan te tasten; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins verplicht is een onderzoeksmaatregel te gelasten, doch op onaantastbare wijze oordeelt of ze nopens de feitelijke toedracht van de zaak voldoende ingelicht is, dan wel of hiervoor nog een onderzoeksmaatregel nodig is; 2.1.3.
- Overwegende dat in de mate waarin het ontvankelijk is, het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat in het tweede middel verzoekster laat gelden dat het recht van verdediging en het recht op tegenspraak zijn geschonden doordat, ten eerste, de commissie zich op een aantal “algemeen bekende” feiten uit de Somalische samenleving steunt zonder de bron te vermelden waarop zij zich baseert en doordat, ten tweede, de brief van Virginia LULING -waarnaar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing verwees- niet -zoals in het beroepschrift gesteld- in het dossier stak; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat dergelijke gegevens publiek kenbaar zijn zodat ervan in een beslissing nopens een asielaanvraag melding mag worden gemaakt zonder dat er wat dat betreft een tegensprekelijk debat hoeft plaats te vinden; 2.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich op algemeen bekende feiten uit het land van herkomst kan baseren zonder daaromtrent haar bronnen te moeten vermelden of deze bronnen vooraf bij het dossier te moeten voegen; dat, in tegenstelling tot de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet baseert op het artikel van Virginia LULING; dat verzoekster er dan ook geen belang bij heeft te doen gelden dat dit artikel geen deel uitmaakte van het dossier dat ze heeft kunnen inzien; dat, in de mate waarin het ontvankelijk is, het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat in het derde middel de verzoekende partij aanvoert dat er “in het bijzonder gelet op de verkeerde beoordeling van de feiten door de Vaste Beroepscommissie” sprake is van een schending van artikel 1 A van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt er geen reden is om het verhaal van betrokkene aan het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 te toetsen wanneer dit verhaal kennelijk niet geloofwaardig is; XIV-5811-8/9 2.3.
- Overwegende dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt de feitelijke beoordeling van de zaak door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over te doen; dat het derde middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5811-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.008 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div