id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.014 Rolnummer: A. 108620/XIV-6047 Zaak: Arrest 132014 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:04 Fiche Arrest nr 132.014 van 3 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.014 van 3 juni 2004 in de zaak A. 108.620/XIV-
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, op 30 juli 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 18 juni 2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 30 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-6047-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. 1.
- XXX en XXX, beide van XXX nationaliteit, vragen op 19 februari 1999 om erkenning van hun hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvragen worden op 30 november 2000 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoekers tekenen tegen deze weigeringsbeslissingen op 14 december 2000 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 20 maart 2001 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen deze beroepen, die kennelijk ongegrond voorkomen, zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 18 april 2001 werden verzoekers, bijgestaan door hun raadsman, gehoord. 1.
- Op 24 mei 2001 beslist de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer de debatten te heropenen op grond van de overweging dat “na het sluiten der debatten de Vaste Beroepscommissie de lidkaart van het B. van appellanten heeft voorgelegd aan het B. in XXX, dat de bevindingen aan het dossier werden toegevoegd en dat het past de debatten te heropenen teneinde appellanten met betrekking tot dit punt te horen”. 1.
- Op de zitting van 18 juni 2001 worden verzoekers, bijgestaan door hun raadsman, andermaal gehoord. 1.
- Dezelfde dag neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissingen, waarbij de beroepen ontvankelijk, maar ongegrond worden verklaard en de erkenningen van de hoedanigheid van vluchtgeling derhalve worden geweigerd. De beslissing, waarbij het hoger beroep van de man wordt verworpen, is als volgt gemotiveerd : XIV-6047-2/7 “Overwegende dat appellant stelt dat hij afkomstig is uit XXX en lid is van het B., de jeugdafdeling ervan; dat hij op 20 maart 1997 samen met zijn echtgenote deelnam aan een betoging te B. en werd opgepakt en mishandeld; dat ze de volgende ochtend werden vrijgelaten; dat ze deelnamen aan een betoging op 26 april 1997; dat ze andermaal werden aangehouden tijdens een betoging in juli 1997 en appellant gedurende drie dagen werd opgesloten; dat ze op 20 maart 1998 opnieuw deelnamen aan een betoging en werden opgepakt en gedurende drie dagen werden vastgehouden; dat de echtgenote van appellant tijdens deze detentie een miskraam kreeg; dat appellant onder druk een bekentenis ondertekende; dat appellant hiertegen tot tweemaal toe klacht indiende, zonder resultaat; dat appellant deelnam aan een betoging op 26 april 1998 en andermaal werd gearresteerd en gedurende tien dagen werd opgesloten; dat appellant zwaar werd mishandeld; dat appellant en zijn echtgenote affiches ophingen voor de stadsfeesten te B.; dat zij hierdoor andermaal in contact kwamen met het gerecht; dat de echtgenote van appellant hierbij verkracht werd maar dat ze er niet in slaagden hun klacht te laten acteren; dat in augustus 1998 de wijkagent appellanten aanmaanden te stoppen met het neerleggen van klachten; dat appellant op 7 november 1998 werd gearresteerd naar aanleiding van een tegenbetoging en gedurende 13 dagen werd aangehouden; dat appellant werd beschuldigd en door tussenkomst van een advocaat werd vrijgelaten; dat appellant op 14 december 1998 werd gearresteerd na een bijeenkomst; dat appellant werd voorgesteld samen te werken met de K.; dat appellant onder strikte voorwaarden werd vrijgelaten; dat appellant op 1 januari 1999 op straat werd benaderd door twee personen omdat hij nog na drieëntwintig uur op straat was; dat appellant besliste te vertrekken; dat hij eerst nog gevolg gaf aan een convocatie bij de politie op 4 januari 1999 waar hij werd ondervraagd omtrent zijn activiteiten voor het B.; dat appellant op 19 februari 1999 in België toekwam en op 19 februari 1999 asiel aanvroeg; dat het verzoek van zijn echtgenote XXX (VB 00-2230b) dermate samenhangend is met dit van appellant, dat het past deze samen te behandelen; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling coherent en consistent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel berust bij de kandidaat-vluchteling die een poging moet ondernemen om in de mate van het mogelijke bewijselementen neer te leggen teneinde zijn relaas te staven; dat hij bij het ontbreken van dergelijke elementen een aannemelijke verklaring dienaangaande dient te geven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des Procédures et Critères à appliquer pour déterminer le Statut de Réfugié, Genève, januari 1992, p. 53); Overwegende dat de kern van het verzoek van appellant gesteund is op zijn lidmaatschap van het B.; dat de bestreden beslissing hieraan twijfelde aangezien de neergelegde lidkaarten niet overeenstemden met de specimen, in het bezit van het Commissariaat- generaal; dat appellant in zijn verzoekschrift meende dat het specimen verkeerd was en in zijn besluiten, neergelegd ter zitting, stelt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tot onderzoek dient over te gaan; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit onderzoek heeft laten verrichten, hetwelk werd opgenomen in het administratief dossier en na heropening der debatten werd voorgelegd aan een tegensprekelijk debat; dat uit dit onderzoek blijkt dat appellant onbekend is bij het B.; dat de vermelde nummers toebehoren aan iemand anders en dat de afmetingen niet correct zijn; dat appellant ter zitting en in zijn neergelegde memorie stelt dat de informatie waarover de Vaste beroepscommissie beschikt voor wat betreft de ondertekening van de kaarten verschillend is; dat hij de informatie dan ook betwist; dat voor wat betreft de afmetingen en het toegekende nummer appellant geen opmerkingen formuleert, maar enkel verzoekt zelf verder te mogen onderzoeken; dat hierop niet kan worden ingegaan; dat appellant sedert 30 november 2000 op de hoogte is van de problemen met de lidkaarten en zelf geen enkel initiatief heeft genomen om het B. te contacteren, noch in XXX, noch in België; dat appellant immers twee foto's neerlegt van een betoging, waaraan hij zou deelgenomen hebben; dat aan deze foto's geen waarde kan gehecht worden daar zij geenszins aantonen dat appellant daadwerkelijk politiek aktief is; dat appellant geen enkel bijkomend stuk bijbrengt over deze betoging, wie ze heeft georganiseerd, welke briefwisseling hieromtrent werd gevoerd, enz; dat de foto's enkel aantonen dat appellant daar toen aanwezig was maar geenszins dat appellant hierbij aktief betrokken was; dat tenslotte dient vastgesteld te worden dat het B. in XXX zeer bereikbaar is en over XIV-6047-3/7 moderne communicatiemiddelen beschikt zodat appellant sedert geruime tijd in de mogelijkheid was zijn relaas aan te vullen met relevante documenten; dat appellant dit niet doet maar integendeel enkel lidkaarten neerlegt die niet authentiek zijn; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, in het licht van deze gegevens geen geloof hecht aan de verklaringen van appellant; Overwegende dat appellant de feiten die hij aanhaalt niet bewijst; dat hij de motieven van de bestreden beslissing niet weerlegt; dat na behandeling ter zitting niet blijkt dat het beroep niet kennelijk ongegrond is; dat er geen grond is voor verwijzing naar een drieledige kamer, zoals bepaald in artikel 57/12, derde lid; Overwegende dat de appellant niet aantoont dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951,”. De beslissing, waarbij het hoger beroep van de vrouw wordt verworpen, is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat appellante haar aanvraag om als vluchteling te worden erkend, verbindt aan de asielaanvraag van haar echtgenoot, XXX; dat zij geen eigen motieven inroept; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij beslissing van 18 juni 2001 de status van vluchteling weigert aan XXX; dat derhalve in hoofd van appellante geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 kan worden in aanmerking genomen,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekers als middel aanvoeren : “Eerste middel, eerste onderdeel Genomen uit de schending van artikel 57/12 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 (hierna te noemen Vreemdelingenwet), alsook van het redelijkheidsbeginsel Doordat door de bestreden beslissing het beroep van de verzoekende partij wordt behandeld door een alleenrechtsprekend lid, en door dit alleenrechtsprekend lid “ongegrond” wordt verklaard. Terwijl eerste onderdeel de behandeling door een alleenrechtsprekend lid enkel kan indien het beroep, hetzij onontvankelijk, hetzij kennelijk ongegrond is, na inzage van het beroepsschrift, en het feit dat twee hoorzittingen en een bijkomend onderzoek nodig waren, duidelijk maakt dat het beroep niet kennelijk ongegrond was.”; dat verzoekers toelichten dat de discussie die is gevoerd omtrent de authenticiteit van de lidkaarten de voorzitter ertoe heeft genoopt om een bijkomend onderzoek te vragen en de resultaten ervan te onderwerpen aan een nieuwe hoorzitting, dat dit de negatie zelf van de kennelijke ongegrondheid is, dat indien het alleenzetelend lid het nodig vond om een bijkomend onderzoek uit te voeren, hij de zaak had moeten verwijzen naar een kamer met drie rechters, welke dit onderzoek dan had kunnen uitvoeren; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het, binnen het kader van een behandeling voor het alleenrechtsprekend lid, mogelijk moet worden geacht om de vaststelling dat het beroep kennelijk ongegrond voorkomt te toetsen, middels een eenvoudig XIV-6047-4/7 in tijd en omvang beperkt onderzoek van de inhoud daarvan, dat het alleenrechtsprekend lid inderdaad op zeer gemakkelijke wijze heeft kunnen achterhalen dat het beweerd lidmaatschap van het B. volstrekt ongeloofwaardig was; 2.
- Overwegende dat artikel 57/12, vierde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door de wet van 6 mei 1993, bepaalt : “Wanneer de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, na inzage van het verzoekschrift, oordeelt, dat het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan hij het beroep zelf behandelen als alleenrechtsprekend lid. Indien na behandeling blijkt dat het beroep noch onontvankelijk noch kennelijk ongegrond is verwijst het alleenrechtsprekend lid de behandeling van het beroep naar een drieledige kamer”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn weigeringsbeslissingen van 30 november 2000 o.m. tot de valsheid van de voorgelegde B.- lidkaarten besloot omdat deze niet overeenkwamen met de authentieke B.-lidkaart in zijn bezit; dat de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen na de zitting van 18 april 2001 besliste omtrent de authenticiteit van de voorgelegde lidkaarten inlichtingen in te winnen bij het B.; dat door dit bijkomend onderzoek nodig te achten de gemachtigde bijzitter aangaf dat bij hem twijfel was ontstaan omtrent dit aspect van de hem voorgelegde zaken; dat tijdens de parlementaire voorbereiding van het ontwerp dat de wet van 6 mei 1993 is geworden, er ter verantwoording van het nieuwe artikel 57/12, vierde lid van voormelde wet van 15 december 1980 uitdrukkelijk werd op gewezen dat de enige rechter de zaak naar een kamer met drie rechters moet verwijzen wanneer hij omwille van nieuwe elementen ter zitting meent dat een grondiger behandeling noodzakelijk is (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, nr 555/2, p. 126); dat, aangezien de gemachtigde bijzitter na afloop van de zitting van 18 april 2001 een grondiger onderzoek naar de echtheid van de voorgelegde B.-lidkaarten nodig achtte, hij de beroepen van verzoekers niet verder zelf als alleenrechtsprekend lid had mogen afhandelen, maar moeten verwijzen naar een drieledige kamer; dat de beperkte omvang van het uitgevoerd onderzoek en het gemak waarmee de gewenste inlichtingen konden worden ingewonnen hieraan geen afbreuk doen; dat door een bijkomend onderzoek te bevelen, al was dit beperkt in omvang en gemakkelijk uit te voeren, de gemachtigde bijzitter niettemin tot uiting heeft gebracht dat er bij hem ernstige twijfels nopens een cruciaal element van het dossier waren gerezen; dat bij weeromstuit de beroepen van verzoekers niet langer door hem als kennelijk ongegrond konden worden aangemerkt; dat door over de beroepen van verzoekers als alleenrechtsprekend lid uitspraak te doen, hoewel door hem na de zitting van 18 april 2001 een bijkomend onderzoek omtrent de echtheid van de voorgelegde B.-lidkaarten was bevolen, de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen artikel 57/12, vierde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd door XIV-6047-5/7 de wet van 6 mei 1993, verkeerd heeft toegepast; dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de beslissingen van 18 juni 2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd XXX en XXX als vluchteling te erkennen. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van deze Commissie. XIV-6047-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,05 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-6047-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.014 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div