id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.028 Rolnummer: A. 76268/XII-649 Zaak: Arrest 132028 - - 03/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-16 Raadplegingen: 401 - laatst gezien 2026-07-04 20:20 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 132.028 van 3 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.028 van 3 juni 2004 in de zaak A. 76.268/XII-649. In zake : Gert MEULENIJZER, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72 tegen : de VZW INSTITUUT ZUSTERS VAN DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Vande Moortel, kantoor houdende te Gent, Groot-Brittaniëlaan 12-18. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gert Meulenijzer op 5 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 september 1997 waarbij de delibererende klassenraad van het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde van het Instituut van de Onbevlekte Ontvangenis hem een C-attest heeft gegeven; Gelet op het arrest nr. 125.239 van 7 november 2003 waarbij de debatten worden heropend en de zaak voor verdere behandeling wordt vastgesteld op de openbare terechtzitting van 20 januari 2004, datum waarop de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 2 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Devers, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Vande Moortel, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-649-1\10 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 1996-1997 de lessen van het zesde leerjaar wetenschappen-wiskunde in het Instituut Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis te Oosterzele. Blijkens zijn jaarrapport behaalt hij 58,9 % van de punten (klasgemiddelde : 67 %), waaronder één tekort voor wiskunde (45 %, klasgemiddel- de : 58 %). Het rapport vermeldt als “opmerkingen” : “Herexamen voor wiskunde op 18 augustus”. Met een 25 juni 1997 gedateerd schrijven brengt de directeur van het instituut aan de ouders van verzoeker ter kennis dat hun zoon een herexamen dient te maken voor het vak wiskunde op 18 augustus 1997. De delibererende klassenraad beslist op 19 augustus 1997, blijkens een “addendum bij de deliberatie van augustus 1997” : “Gert voldoet niet aan de basisvoorwaarden om een A-attest te halen”. Op 20 augustus 1997 heeft met het schoolbestuur overleg plaats. Met een brief van 22 augustus 1997 deelt de directeur mee, van mening te zijn dat de elementen die tijdens dat onderhoud werden aangebracht geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen. Op 26 augustus 1997 wordt beroep ingediend bij de beroepscommissie. Het bezwaarschrift stelt, onder meer, dat “nog steeds” geen enkel motief of criterium van de klassenraad schriftelijk is meegedeeld, dat verzoeker in het verleden steeds zonder problemen geslaagd was, dat hij in het besproken schooljaar “enkel en alleen” voor wiskunde een tekort had, dat hij 45 % van de punten haalde voor dit vak maar voor geen enkel ander vak een deliberatie nodig had, dat het klasgemiddelde voor wiskunde indien men ook rekening houdt met de leerlingen XII-649-2\10 Wiskunde-Moderne Talen slechts 48 % bedroeg, dat “een groot aantal medeleerlingen, waarvan sommigen met veel grotere tekorten voor Wiskunde dan Gert (een medeleerling zelfs een honderdtal punten) en/of meerdere tekorten op andere vakken, toch gedelibereerd werden”, dat niet minder dan 8 van de 15 laatstejaarsleerlingen tekorten hadden voor wiskunde en zes ervan werden gedelibereerd “waarvan minstens 1 leerling een tekort had van ongeveer 100 punten [op 600]” en verzoeker “er slechts 28 te kort [had]”, dat verzoeker een negatieve attitude wordt verweten, die echter “in geen enkele nota en op geen enkele andere wijze aangetoond [wordt]”, dat voor storend gedrag daarenboven volgens het schoolreglement straf en tuchtmaatregelen bestaan “en niet het weigeren van een diploma” en dat er “onwil is geweest om ook eens de positieve resultaten en aspecten van Gert te benaderen”. Op 2 september 1997 neemt de beroepscommissie kennis van het bezwaar. Het verslag van deze vergadering vermeldt het volgende : “De leden van de Beroepscommissie stellen vast dat : - de tekorten van juni en augustus op een hoofdvak (nl. wiskunde) zijn - de ouders van leerling B[...] in de loop van het schooljaar via een schriftelijke mededeling op het rapport reeds speciaal verwittigd werden van de onvoldoende studieresultaten - bij de ouders van leerling Meulenijzer op de oudercontacten, waarop zij aanwezig waren, aandacht werd gevraagd voor de onvoldoende resultaten van Gert. - de ouders de tekorten in de loop van het jaar ook konden vaststellen op de periodieke rapporten. Wat betreft het probleem van de zogenaamde fictieve lesuren Wiskunde wordt geconstateerd dat betrokken lerares wel degelijk meerdere keren bijlessen heeft gegeven voor het vak wiskunde, dus buiten haar lesopdracht en onbezoldigd en dit met de bedoeling enkele verloren lesuren omwille van culturele en/of pedagogische uitstappen te kunnen recupereren. Paul Van De Putte zal op de vergadering van de Inrichtende Macht, die eerstdaags wordt samengeroepen, verslag uitbrengen over de vergadering van de Beroepscommissie”. Op verzoek van het schoolbestuur komt de delibererende klassenraad opnieuw samen op 12 september 1997 en beslist deze “dat het C-attest van Jan B[...] en Gert Meulenijzer gehandhaafd blijft”. Die beslissing wordt wat verzoeker betreft als volgt gemotiveerd : “1. Op jaarbasis behaalde Gert 272/600 voor het vak Wiskunde, hetzij 45%. In augustus (herexamen) behaalde hij 50,5/120, hetzij 42%. Er werd dus telkens een duidelijk tekort vastgesteld. 2. Bovendien blijkt ook uit de maandcijfers dat Gert herhaaldelijk negatief heeft gescoord, met name driemaal op de zes reeksen, te weten : XII-649-3\10 - op 27/09 : 5,5/10 - op 25/10 : 7,0/10 - op 29/11 : 3,5/10 - op 07/02 : 6,5/10 - op 14/03 : 3,5/10 - op 16/05 : 1,5/10 Deze cijfers op zich zijn o.i. al een duidelijk signaal naar de ouders toe, temeer omdat ze vooral in het tweede semester in negatieve zin evolueren. Er werden trouwens ook expliciete waarschuwingen genoteerd op het rapport. 3. Vooral in het tweede semester gaat de studie-inzet van Gert voor Wiskunde in opvallend dalende lijn : hij evolueert van 55% in het eerste trimester naar 39% in het tweede semester. 4. Voor het herexamen scoort Gert lager dan de 45% die hij in juni behaalde. Sommige vragen en oefeningen, die letterlijk terug te vinden zijn in handboek en cursus, werden niet of verkeerd beantwoord. Dit geldt ook voor theorievragen. Enkele vragen van het herexamen waren overigens identiek of analoog met die uit het juni-examen. 5. De klassenraad verwijst ook naar het addendum bij de notulen van de deliberaties van juni 1997, waarin gewezen werd op de duidelijk negatieve evolutie van de maandcijfers, en van de belangstelling en studieijver voor Wiskunde. Er werd ook gewezen op de blijken van onvoldoende basiskennis van de leerstof voor Wiskunde, die in de richting Wetenschappen-Wiskunde toch het hoofdvak vormt. Wij bevestigen dus onze conclusie van augustus en blijven van mening dat Gert niet voldoet aan de basisvoorwaarden voor het behalen van een A-attest”. Met een brief van 16 september 1997 deelt de directeur verzoeker het volgende mee: “Geachte Gevolg gevend aan uw schrijven kwamen de leden van de beroepscommissie van het IZOO samen op 2 september 1997. Na kennisname en bespreking van het dossier hebben zij advies uitgebracht aan de Inrichtende Macht. Op 8 september 1997 kwamen de leden van de Inrichtende Macht in vergadering bijeen en hebben unaniem besloten de klassenraad opnieuw samen te roepen. De klassenraad kwam samen op vrijdag 12 september 1997. De leden hebben opnieuw beraadslaagd en hebben besloten hun beslissing van einde augustus 1997 te handhaven wat concreet betekent dat aan Meulenijzer Gert het C-attest wordt gegeven voor het 6de jaar Wetenschappen-Wiskunde in het schooljaar 1996-1997. Met voorname hoogachting. K. De Clercq Directeur en voorzitter delibererende klassenraad P.S. Eerstdaags ontvangt u een aanvullend schrijven van de Inrichtende Macht”. Bij brief van 30 september 1997 geeft de voorzitter van het schoolbestuur aan verzoeker “enkele bedenkingen schriftelijk” bij de beslissing van de delibererende klassenraad; XII-649-4\10 Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat hij betoogt dat uit het in artikel 5, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 maart 1991 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs bedoelde dossier en uit de in § 6 van hetzelfde artikel bedoelde processen-verbaal dient te blijken dat er voor de bestreden beslissing een deugdelijke verantwoording is; dat verzoeker daar evenwel aan toevoegt tot heden niet over afdoende gegevens te beschikken om dit middel te onderbouwen, aangezien hij niet beschikt over de bedoelde stukken; dat voor hem alleszins vaststaat dat medescholieren wel gunstig werden gedelibereerd en hijzelf niet, terwijl daarvoor geen aanwijsbare redenen voor deze verschillende behandeling bestaan; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet de hem toegekende punten betwist maar alleen niet kan aanvaarden dat het behalen van een “onvoldoende” voor het vak wiskunde een afdoende reden is om het toekennen van een C-attest te motiveren; dat volgens haar de cijfers voor zich spreken, dat de klassenraad rekening heeft gehouden met de cijfers die verzoeker gedurende het schooljaar en op het herexamen behaalde wat blijkt uit de stukken van het administratief dossier, dat de studie-inzet eveneens in aanmerking werd genomen, dat daarenboven de punten van verzoeker voor het herexamen nog lager waren dan in juni, dat wiskunde als een hoofdvak mag worden beschouwd, dat elke leerling afzonderlijk wordt beoordeeld met inachtneming van alle elementen uit het dossier van die leerling en dat zij de aangevochten beslissing niet op een kennelijk onredelijke wijze heeft genomen; Overwegende dat verzoeker na kennisname van de stukken van het administratief dossier in de memorie van wederantwoord het middel nader toelicht; dat hij opmerkt dat “alleen en slechts rekening werd gehouden met zijn cijfers, en de evolutie daarvan gedurende het schooljaar, terzake het vak wiskunde”, “daar waar zijn punten, over alle vakken gezien, en abstractie gemaakt van het vak wiskunde, in het tweede semester niet lager waren dan in het eerste semester”, dat een delibereren- de klassenraad ten aanzien van een leerling slechts één beslissing neemt en wel aan de hand van alle gegevens van het dossier van de betrokkene en dus niet een beslissing gebaseerd op de cijfers van één welbepaald vak, weze het één van de hoofdvakken, dat hiervan in de bestreden beslissing niets is terug te vinden; dat XII-649-5\10 verzoeker voorts opmerkt dat zijn klasgenoot J.V. een A-attest verkreeg ondanks het feit dat de punten van J.V. over het volledige jaar gezien lager moeten hebben gelegen dan deze van verzoeker en dat J.V. minder punten haalde voor het vak wiskunde dan verzoeker, waarmee volgens hem tegengesproken is dat het tekort op het vak wiskunde het determinerend motief zou kunnen zijn; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie dupliceert dat deliberatie over een leerling enkel noodzakelijk is indien hij voor een of meerdere vakken onvoldoende haalt, dat de klassenraad kan beslissen “het puntentekort aan te vullen” indien de betrokken leerling naar zijn oordeel én voldaan heeft aan het geheel van de vorming van het desbetreffende leerjaar én bekwaam geacht wordt om zijn studies voort te zetten in een vorm van hoger onderwijs met volledig leerplan; dat de klassenraad naar de mening van de verwerende partij kan oordelen “dat het puntentekort niet kàn aangevuld worden”, waarmee komt vast te staan dat de leerling niet voldoet aan de eerste vereiste van artikel 35, § 5, van het besluit van 13 maart 1991, zodat geen onderzoek meer moet volgen naar de tweede vereiste; dat verwerende partij, die redenering toepassend op de voorliggende zaak, uiteenzet dat verzoeker een duidelijk tekort had, zodat hij niet van rechtswege geslaagd was, dat de klassenraad dan moest delibereren “over het al dan niet ‘toegeven’ van de ontbrekende punten”, dat hij zijn beslissing uitstelde om verzoeker de mogelijkheid te geven via een bijkomende proef zijn negatieve evolutie te doorbreken en betere cijfers te halen, dat verzoeker nog slechter presteerde in augustus 1997 zodat de klassenraad terecht besliste “geen punten toe te geven, dus verzoeker niet te delibereren”, dat het “nogal evident is” dat de delibererende klassenraad niet hoefde te delibereren “over het bijpassen van tekorten voor vakken waarvoor de betrokkene voldoende punten haalde, zodat daarover uiteraard in de addenda niets is terug te vinden”; Overwegende dat overeenkomstig artikel 5, § 1, van het ten tijde van de bestreden beslissing toepasselijke besluit van 13 maart 1991 van de Vlaamse regering betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna ook : het organisatiebesluit), de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn van een leerling; Overwegende dat de delibererende klassenraad bij het toekennen van het in het artikel 42 van het organisatiebesluit bedoelde diploma secundair onderwijs moet beoordelen of de betrokken leerling het tweede leerjaar van de derde XII-649-6\10 graad ASO met vrucht heeft beëindigd, dat wil luidens artikel 35, 5/, van het organisatiebesluit zeggen, “indien hij, na voldaan te hebben voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar, bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in tenminste één vorm van hoger onderwijs met volledig leerplan”; Overwegende dat de delibererende klassenraad bij die beoordeling over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat het organisatiebesluit noch enige andere op voorliggende zaak toepasselijke normatieve tekst vereist dat de betrokken leerling voor alle of welbepaalde vakken voldaan moet hebben, of een minimaal percentage voor het geheel van de vakken behaald moet hebben; dat de delibererende klassenraad zich wel, overeenkomstig artikel 5, § 5, van het organisa- tiebesluit, bij zijn beslissingen over het al dan niet slagen van een leerling laat leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling, dat minstens bevat de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen alsmede de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleiden- de klassenraad; Overwegende dat punt 3 (“de deliberatie op het einde van het schooljaar”) van het schoolreglement bevestigt dat de delibererende klassenraad “volledig autonoom” beslist of een leerling al dan niet geslaagd is; dat luidens dit reglement daarbij gesteund wordt op het resultaat van de globale evaluatie, de beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad en de mogelijkheden van de leerling in verband met verdere studies; dat vervolgens in het reglement staat geschreven : “De personen die je beoordelen, hebben je gedurende een volledig schooljaar gevolgd en begeleid. Eind juni kennen zij je voldoende om een verantwoorde eindbeslissing (zie punt 3.2) te kunnen nemen, rekening houdend met je evolutie (positief, negatief of status-quo)”; Overwegende dat verwerende partij vergeefs argumenteert dat haar beslissing niet kennelijk onredelijk is genomen; dat dit immers niet de in het middel aangevoerde onwettigheid is; dat die onwettigheid de vraag betreft of haar beslissing afdoende is gemotiveerd; Overwegende bovendien dat de delibererende klassenraad, in een geval zoals hier voorligt waarin hij op vraag van het schoolbestuur opnieuw moet samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure is aangevochten, zorgvuldig in de XII-649-7\10 veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afweging moet doen blijken; dat immers de bij het organisatiebesluit geregelde beroeps- procedure er in ieder geval op gericht moet zijn om de klachten en de argumenten van een verzoeker te onderzoeken; dat verzoeker te dezen een antwoord op zijn klachten diende te vinden in de beslissing van de delibererende klassenraad; Overwegende dat ter beoordeling van de motieven van de delibererende klassenraad enkel rekening mag worden gehouden met hetgeen hijzelf heeft genotuleerd; dat daarentegen door de Raad van State geen rekening mag worden gehouden met de brief van het schoolbestuur van 30 september 1997, aangezien dit schrijven niet uitgaat van de delibererende klassenraad en bijgevolg geen motieven bevat die toegeschreven kunnen worden aan het daartoe als enige bevoegd zijnde orgaan, op het ogenblik van zijn beslissing; dat verwerende partij vergeefs het schoolreglement aanvoert naar luid waarvan de inrichtende macht de beslissing van de delibererende klassenraad motiveert, aangezien dergelijke bepaling in strijd is met de hoger genoemde normatieve bepalingen; Overwegende dat de verwerende partij ook vergeefs argumenteert dat een vastgestelde en niet gecontesteerde onvoldoende voor één vak, zonder meer, een afdoende reden mag zijn om het toekennen van een C-attest te motiveren; dat verzoeker voor de beroepscommissie precies had doen gelden niet te begrijpen waarom hij voor slechts één tekort tegenover zijn overige positieve resultaten een C- attest moest krijgen; dat hij voor dit bezwaar steun vindt in de gememoreerde bepalingen van het organisatiebesluit en het schoolreglement, waaruit blijkt dat een beslissing van de delibererende klassenraad moet steunen op alle relevante gegevens van het dossier waarbij, onder meer, zijn globale resultaten en de evolutie zoals die door alle leerkrachten gedurende een volledig schooljaar is ervaren; dat de resultaten behaald voor andere vakken bijgevolg niet buiten beschouwing mogen blijven; dat dit niet anders is wanneer de delibererende klassenraad zijn beslissing met toepassing van artikel 34, § 2, van het organisatiebesluit uitstelt om een leerling bijkomende proeven te laten afleggen, zij het dat in zo een geval de resultaten voor die proeven ook een gegeven van het dossier worden; Overwegende dat verzoeker terecht opmerkt in de motieven van de bestreden beslissing geen antwoord te vinden op zijn vraag, waarom geen rekening moet worden gehouden met de overige door hem behaalde resultaten; dat dit niet verwondert; dat immers de delibererende klassenraad op 12 september 1997 XII-649-8\10 wel omstandig uiteenzet waarom naar zijn oordeel de resultaten van verzoeker voor het vak wiskunde over het gehele jaar, zowel wat het dagelijks werk, de proefwerken en de uitgestelde proef betreft, ondermaats zijn en hij ook niet onterecht opmerkt dat het om een hoofdvak gaat; dat dit alles slechts één element van het dossier betreft; dat echter uit niets tot het besluit kan worden gekomen dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging de andere concrete gegevens van het dossier van verzoeker, en in het bijzonder zijn studieresultaten voor de andere proeven, toetsen of examens of zijn globale jaarresultaten, heeft afgewogen tegenover dit tekort voor het vak wiskunde; dat integendeel de uiteenzetting die verwerende partij in de laatste memorie geeft over het al dan niet bijgeven van punten voor wiskunde en het “nogal evident” niet beraadslagen over de vakken waarover verzoeker voldoende punten haalt waardoor hierover “uiteraard” niets in de notulen is terug te vinden, bevestigt dat de delibererende klassenraad dit niet heeft gedaan en hij zich zonder meer heeft gefixeerd op het tekort voor wiskunde; Overwegende dat de delibererende klassenraad uiteraard niet kan motiveren waarom de noodzakelijke afweging van alle concrete en relevante gegevens in het nadeel van verzoeker moet uitvallen, nu blijkt dat hij zelfs niet tot zulke afweging is gekomen; dat het middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 12 september 1997 waarbij de delibererende klassenraad van het zesde jaar Wetenschappen-Wiskunde van het Instituut van de Onbevlekte Ontvangenis te Oosterzele aan Gert Meulenijzer een C-attest heeft gegeven. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-649-9\10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-649-10\10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.028 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.316 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.239 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.