id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.049 Rolnummer: A. 116511/X-10792 Zaak: Arrest 132049 - - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-30 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:04 Fiche Arrest nr 132.049 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.049 van 4 juni 2004 in de zaak A. 116.511/X-10.
- In zake : Frans MARYNISSEN, die woonplaats kiest bij Advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans MARYNISSEN op 7 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 31 oktober 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een "karrekot" en een "duiventil" gelegen te Antwerpen, Lievevrouwkesbosweg 52, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 218 d; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.792-1/4 Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN PASSEL, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker de regularisatievergunning heeft aangevraagd voor een "karrekot" en een "duiventil" gelegen te Antwerpen, Lievevrouwkesbosweg 52, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 218 d; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen op 2 maart 2000 de regularisatievergunning heeft geweigerd; dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 31 oktober 2000 heeft beslist het beroep niet in te willigen; dat verzoeker op 28 december 2000 beroep heeft ingesteld tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 11 december 2001 heeft beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoeker met betrekking tot zijn belang bij het beroep in zijn verzoekschrift uiteenzet wat volgt: "Verzoeker heeft een rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang om op te treden tegen de bestreden beslissing. De bestreden beslissing stelt dat de bestaande loods en het duivenhok, eigendom van verzoeker en reeds jarenlang in gebruik, niet kunnen vergund/geregulariseerd worden."; X-10.792-2/4 Overwegende dat verzoeker wat zijn belang bij het beroep betreft in zijn laatste memorie uiteenzet wat volgt: "In haar verslag stelt de Auditeur dat verzoekende partij op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift tot nietigverklaring (07.02.2002), geen belang zou hebben gehad bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, daar op dat ogenblik artikel 159 D.R.O. nog bepaalde dat een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na de opstelling van een certificaat, zoals omschreven in artikel 158 D.R.O. De Auditeur besluit daarom tot de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring. Verzoekende partij vestigt er de aandacht op dat o.m. de artikelen 158 en 159 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, werden gewijzigd bij Decreet van 8 maart 2002 (B.S. 23.03.2002), nauwelijks één maand na de indiening van het verzoekschrift door verzoekende partij. Voornoemde artikelen werden in die zin gewijzigd dat de opstelling van het certificaat, of de aanwezigheid ervan tout court, niet langer een voorwaarde is om een regularisatievergunning te kunnen bekomen. In die zin moet dus worden besloten dat, bij de (toekomstige) sluiting van de debatten, verzoekende partij alleszins het vereiste belang bezit. Dit kan niet worden betwist en wordt overigens ook door de rechtspraak van Uw Raad erkend (...). Daarenboven is verzoekende partij van mening dat zij ook ten tijde van de inleiding van het verzoek tot nietigverklaring over het bij wet vereiste belang beschikte. Immers, het is precies verwerende partij die reeds op voorhand had aangekondigd dat deze wijziging er zat aan te komen en in een eindfase was. Het is wellicht ook daarom dat verwerende partij in de bestreden beslissing zelf niet de onontvankelijkheid heeft opgeworpen op basis van de afwezigheid van het certificaat. Verzoekende partij wist dus dat de wijziging eraan kwam en wat de inhoud ervan zou zijn, gelet op de aankondiging ervan door verwerende partij. Verzoekende partij had evenwel slechts zestig dagen om haar verzoekschrift bij de Raad van State in te dienen. Het belang van verzoekende partij is m.a.w. precies ontstaan door de uitdrukkelijke aankondiging door verwerende partij dat de wijziging in een eindfase was en zeer spoedig zou goedgekeurd en gepubliceerd worden. Verzoekende partij bezat dus reeds bij de indiening van het verzoekschrift tot nietigverklaring d.d. 07.02.2002, over het bij wet vereiste belang."; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoeker in zijn laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat hij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus X-10.792-3/4 de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de nietigverklaring van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de hij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.792-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.