← België

Arrest 132051 - - 04/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.051 Rolnummer: A. 112870/X-10666 Zaak: Arrest 132051 - - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:04 Fiche Arrest nr 132.051 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.051 van 4 juni 2004 in de zaak A. 112.870/X-10.

  1. In zake : de n.v. FROM UN, die woonplaats kiest bij Advocaat R. DE ROUCK, kantoor houdende te 9400 NINOVE, Leopoldlaan 17 tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128
  3. de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, die woonplaats kiest bij Advocaat A. CELIS, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FROM UN op 17 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 augustus 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor kelderbergplaatsen gelegen te Liedekerke, Gravenbosstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nrs. 2/2, d2 en van het voorafgaand besluit van 25 juli 2001 van de stedenbouwkundige inspecteur houdende weigering van vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het ver slag opgemaakt door Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; X-10.666-1/7 Gelet op de beschikking van 10 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 2 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE DONCKER die, loco Advocaat R. DE ROUCK verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat K. VANCOVENLAND die, loco Advocaat A. CELIS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 4 augustus 2000 de regularisatievergunning aanvraagt voor kelderbergplaatsen gelegen te Liedekerke, Gravenbosstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie E, nrs. 2/2, d2; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Liedekerke op 13 december 2000 de regularisatievergunning weigert; dat verzoekster op 23 februari 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op 25 juli 2001 aan verzoekster het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) - zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing - weigert; dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat derhalve niet is opgesteld; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant op 23 augustus X-10.666-2/7 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans eerste bestreden besluit is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift met betrekking tot haar belang bij het beroep stelt dat zij als eigenares van het gebouw uiteraard belanghebbende is; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring tegen een weigering van vergelijk, thans het tweede bestreden besluit; dat zij wat het eerste bestreden besluit betreft, het wettig belang van de verzoekende partij betwist, alsook betwist dat deze een voordeel kan halen uit de nietigverklaring ervan; Overwegende dat de tweede verwerende partij analoge excepties aanvoert; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert als volgt : "A. De beweerde onbevoegdheid De argumentatie nopens de onbevoegdheid van de Raad van State verwijst telkenmale naar de maatregelen zelf welke door de gemachtigde ambtenaar gevorderd wordt, deeluitmakend van de strafsanctie, en daarom toekomende aan de bevoegdheid van de strafrechter. In casu wordt in de eerste plaats niet de opportuniteit van de maatregel in vraag gesteld, noch de gemaakte keuze van maatregel. Dat de door het Vlaams Gewest opgeworpen rechtspraak van de Raad van State (...) telkenmale betrekking heeft tot een verzoek tot nietigverklaring van het vergelijk van de gemachtigde ambtenaar. In casu werd de vernietiging gevorderd van het besluit van de Bestendige Deputatie dd. 23.08.2001, en als anticipatief besluit de weigering van vergelijk dd. 25.07.
  5. Het gaat er precies om dat enerzijds de weigering van vergelijk van de Stede(n)bouwkundig Inspecteur eigenschappen vertoont van totale willekeur, strijdigheid met de wet en bijzondere strijdigheid naar motivering toe met de beslissing van 21.06.2001 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams(-)Brabant. Anderzijds steunt het aangevochten besluit van de Bestendige deputatie hierop, en hierdoor naar motivering volledig in tegenspraak met haar voorgaande besluit van 21.06.
  6. Het behoort kennelijk niet tot de bevoegdheid van de gewone rechter om de eventuele nietigheid uit te spreken van het besluit van de Bestendige Deputatie. Dat tevens de arresten (...), geciteerd door het Vlaams Gewest, telkenmale het vergelijk of de transactie tot voorwerp hebben waaraan telkenmale de publieke vordering gekoppeld is. (...) X-10.666-3/7 'De reden waarom tegen de beslissing inzake het vergelijk geen (georganiseerd) administratief beroep mogelijk is, ligt precies in de juridische aard van het vergelijk, met name een beslissing inzake een publieke vordering waarvoor de gewone rechter bevoegd is.' In casu is er trouwens geen publieke vordering meer voorhanden (de strafrechterlijke procedure had voordien reeds aanleiding gegeven tot seponering), zodat aldus in casu de aangewende motivering bijkomend niet te weerhouden zou zijn, voor zover het voorwerp van de nietigverklaring zich zou beperken tot het vergelijk zelf, quod non. B. De beweerde ontstentenis van wettig belang Verwerende partijen zijn van oordeel dat het belang onwettig is al zou zij ertoe strekken een onwettige toestand te creëren en a fortiori te bestendigen. Tevens wordt gesteld dat de aangevoerde middelen ook voor de burgerlijke Rechter zouden kunnen opgeworpen worden. Aangezien evenwel geen sprake kan zijn van enig onwettig belang vermits een regularisatieprocedure precies de mogelijkheid biedt om aan een bepaalde situatie een wettige toestand te creëren en dus niet het omgekeerde. Deze redenering volgen zou precies tot gevolg hebben dat alle rechtsmiddelen in het kader van een regularisatieprocedure gedoemd zijn om te falen alwaar zij zogezegd een onwettige toestand zouden bestendigen, hetgeen aldus evenmin juist is. Dat trouwens onder de huidige wetgeving de gevolgen van het vergelijk, niet meer in overeenstemming zijn met deze van het vergelijk onder het vroegere art. 65 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1962, vermits dit toen de publieke vordering wel degelijk tot een einde bracht, hetgeen thans niet meer automatisch het geval is. (...) Dat verder de omvang van de betaling van een transactiesom aanzienlijk verschilt van de omvang van de betaling van een meerwaarde van een gebouw geldende als herstelmaatregel. Dat verzoeker er aldus duidelijk belang heeft tot het bekomen van een transactie en regularisatie vermits dit een zeer belangrijke impact heeft op de te betalen sommen."; Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van haar beroep in haar laatste memorie uiteenzet wat volgt : "
  7. Door de heer Auditeur wordt tevens gesteld dat voor zover het beroep gericht is tegen de voorafgaande weigering van het vergelijk, het beroep niet ontvankelijk is. Hoewel de voorwaarde van het voorafgaandelijk beschikken over voorafgaandelijk vergelijk van de stede(n)bouwkundige inspecteur door de wetgever thans is komen te vervallen, was dit precies niet het geval op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift op 16.11.
  8. Dat de beslissing van de Bestendige Deputatie op dat ogenblik een noodzakelijk gevolg is van het standpunt van de gewestelijke inspecteur in het aanvechten van de beslissing van de Bestendige Deputatie."; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar laatste memorie wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, uiteenzet wat volgt : X-10.666-4/7 "(...)
  9. Vervolgens deelt de Auditeur mee dat het annulatieberoep evenmin ontvankelijk is, gelet op het feit dat de verzoekster geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden weigeringsbeslissing van de Bestendige Deputatie. Zij had immers, bij het indienen van het annulatieberoep, geen actueel en zeker belang. Het vereiste certificaat zoals voorzien in artikel 158 DORO, is immers niet voor handen, werd integendeel zelfs formeel geweigerd. De verzoekende partij verwijst voor zoveel als nodig naar haar memorie van antwoord waarbij zij besloot tot de onbevoegdheid van de Raad van State, alsook tot de onontvankelijkheid bij gebrek aan belang. De verzoekende partij volstaat met hierop te reageren door te stellen dat de beslissing van de Bestendige Deputatie op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep een noodzakelijk gevolg was van het standpunt van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur m.b.t. het vergelijk. Dit benadrukt enkel de stelling van de verwerende partij en de Auditeur. Doordat de Raad van State onbevoegd is om te oordelen over een vergelijk, aangezien dit behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken, en de vergunningverlenende overheid over een gebonden bevoegdheid beschikt om uitspraak te doen m.b.t. een regularisatieaanvraag, is het beroep van de verzoekende partij onontvankelijk."; Overwegende dat, wat de weigering van vergelijk betreft, uit artikel 158, § 1, laatste lid, D.R.O. (thans : artikel 158, laatste lid, D.R.O.) volgt dat, bij gebreke aan definitief geworden vergelijk - thans transactie geheten -, de overtreder in beginsel blootgesteld blijft aan strafrechtelijke vervolging voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken of verrichte of voortgezette handelingen of wijzigingen en de overheid bevoegd blijft hieromtrent één van de in artikel 149, § 1, D.R.O. bepaalde herstelmaatregelen te vorderen voor de bevoegde rechter van de rechterlijke orde; dat hieruit volgt dat de weigering tot het verlenen van "het vergelijk", op welk tijdstip dit ook plaatsvindt, hoe dan ook betrekking heeft op de uitoefening van de publieke vordering en op de vervolging van het herstel van het bouwmisdrijf en dus behoort tot de gerechtelijke procedure, zodat alleen de rechter van de rechterlijke orde bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen daaromtrent; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring van de weigering van vergelijk kennis te nemen; dat de exceptie van de verwerende partijen gegrond is; dat het beroep ten aanzien van de tweede bestreden beslissing niet ontvankelijk is; Overwegende dat het eerste bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat X-10.666-5/7 ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekster derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de opgeworpen exceptie ten aanzien van het eerste bestreden besluit gegrond is; dat het beroep ten aanzien van dit besluit evenmin ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.666-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.666-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.