← België

Arrest 132056 - - 04/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.056 Rolnummer: A. 99147/X-10051 Zaak: Arrest 132056 - - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-07-04 15:59 Fiche Arrest nr 132.056 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing B E VO E G D H E I D S C O N F L I C T Meteen na het arrest van de Raad van State volgt het arrest van het Hof van Cassatie nr. C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16 van 10 juni 2005 RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.056 van 4 juni 2004 in de zaak A. 99.147/X-10.051. In zake : Louis VANDIJCK, die woonplaats kiest bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VANDIJCK op 5 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen enerzijds van het besluit van 6 mei 1999 van de gemachtigde ambtenaar, waarbij het "herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand" wordt gevorderd en anderzijds van het besluit van 11 oktober 2000 van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, waarbij hem een voorstel tot vergelijk wordt geweigerd overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor "het oprichten en instandhouden van een woning bij landbouwbedrijfsgebouw" gelegen te Peer, Ruitersbaan 14, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1018b5; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 30 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.051-1/21 Gelet op de beschikking van 11 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE PUYDT die, loco Advocaat J. GHYSELS verschijnt voor verzoeker, van Advocaat P.-J. VERVOORT die, loco Advocaat P. FLAMEY eveneens verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelinghsoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar op 6 mei 1999 het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand overeenkomstig artikel 68, §1a van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet) vordert; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat op 11 oktober 2000 de stedenbouwkundige inspecteur aan verzoeker het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), weigert; dat dit de tweede bestreden beslissing is; Wat de herstelvordering betreft Overwegende dat verzoeker, met betrekking tot de eerste bestreden beslissing en wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, in zijn verzoekschrift betoogt dat de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand uitgaat van de stedenbouwkundige inspecteur die beschouwd kan worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de herstelvordering een uitvoerbare administratieve rechtshandeling is daar zij rechtsgevolgen beoogt; dat verzoeker verder omstandig verhaalt dat de procedure van de herstelvordering grote gelijkenissen vertoont met de procedure tot onteigening en derhalve een zelfde X-10.051-2/21 toepassing moet worden gemaakt van de rechtspraak ter zake, dat verzoeker opwerpt dat hij tot op heden "nog steeds niet (werd) gedagvaard voor de gewone rechter, (dat) derhalve (...) uw Raad zich (dient) bevoegd te verklaren om kennis te nemen van het annulatieberoep gericht tegen de herstelvorderingen van de gemachtigde ambtenaar, zolang de zaak niet aanhangig is gemaakt voor de gewone rechter", dat er anders over oordelen tot gevolg zou hebben dat verzoeker wordt uitgesloten "van enig verweermiddel tegen een onwettige administratieve rechtshandeling, in casu de vordering tot herstel van de plaats in de vorige staat, en dit zolang (h)ij niet word(

  1. t)gedagvaard voor de gewone rechter, en zonder dat (h)ij ter zake een initiatiefrecht (heeft), he(
  2. m)toegekend door de grondwet en het Europees Verdrag van de rechten van de Mens, (dat) dergelijke vaststelling strijdt met het gelijkheidsbeginsel"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van een herstelvordering; Overwegende dat de partijen in hun navolgende procedurestukken niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing tot voorwerp heeft de vordering van de gemachtigde ambtenaar om de plaats in de vorige staat te herstellen zoals bedoeld in het thans opgeheven artikel 68, § 1, eerste lid, a, van het coördinatiedecreet; dat deze herstelvordering thans wordt geregeld door artikel 149, § 1, eerste lid, D.R.O.; Overwegende dat artikel 149, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, luidt als volgt : "§ 1. Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van voor 1 mei 2000 is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist; (...) § 2. De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen. X-10.051-3/21 § 3. Wanneer wordt geopteerd voor de vordering van bouw- of aanpassingswerken en/of de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde, dient deze vordering uitdrukkelijk te worden gemotiveerd vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening, de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de ernst van de overtreding. Bij een vordering tot betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde, vermeldt de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen of aan het goed nog instandhoudings- of onderhoudwerken, die betrekking hebben op de stabiliteit, zoals bedoeld in artikel 195bis, 3/, mogen worden uitgevoerd. § 4. De vordering vermeldt minstens de geldende voorschriften, en een omschrijving van de toestand voorafgaand aan het misdrijf. Een recent uittreksel uit het plannenregister wordt bijgevoegd. De Vlaamse regering kan extra voorwaarden bepalen waaraan de brief, vermeld in § 2, eerste lid, en het bijgevoegde dossier moeten beantwoorden. (...)"; Overwegende dat de vordering van de stedenbouwkundige inspecteur tot herstel in de vorige toestand een maatregel is van burgerlijke aard die tot de strafvordering behoort; dat het tot de bevoegdheid van de rechter van de rechterlijke macht behoort de vordering bedoeld in artikel 149 op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding berust; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat de door de verzoeker gemaakte vergelijking met de rechtsmacht van de Raad inzake onteigeningsbesluiten en machtiging tot onteigening niet opgaat; dat de procedure inzake de herstelvordering geen twee van elkaar te onderscheiden administratieve en gerechtelijke fases kent; dat immers, in tegenstelling tot de procedure in onteigeningen, de afdoening van de herstelvordering buiten de rechter om, bij wijze van minnelijke schikking tussen de bestuurlijke overheid en de overtreder van de strafwet en voor elke gerechtelijke handeling, niet wettig mogelijk is; dat ook de omstandigheid dat de strafrechter nog niet is geadieerd en de herstelvordering afhankelijk is van de beslissing van het parket om het misdrijf al dan niet te vervolgen, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te besluiten; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring van de herstelvordering kennis te nemen; dat de exceptie van de verwerende partij ten aanzien van de eerste bestreden beslissing gegrond is; Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : "Zijn de artikelen artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State in strijd met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet op zichzelf gelezen en in samenhang met artikel 6 E.V.R.M., in de mate dat voormelde artikelen de toegang ontnemen aan de rechtsonderhorige om een X-10.051-4/21 vordering tot vernietiging in te stellen tegen de beslissing van het College van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar om een bepaalde herstelvordering te vorderen ten aanzien van die rechtsonderhorige, zelfs indien deze herstelvordering nog niet aanhangig werd gemaakt door middel van een dagvaarding bij een andere rechtbank, en zodat de rechtsonderhorige, zolang de herstelvordering nog niet werd ingeleid bij de bevoegde rechtbank, zonder enig verweermiddel wordt gelaten teneinde de wettigheid van de herstelvordering aan te vechten, daar waar artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de toegang niet ontneemt aan de rechtsonderhorigen tot het instellen van een vordering tot vernietiging van onteigeningsmachtigingen, zolang de onteigenende overheid de gerechtelijke procedure voor de Vrederechter niet heeft aangevat, en ofschoon de beslissingen inzake onteigening een volledig vergelijkbare dreiging ten aanzien van de prerogatieven van het eigendomsrecht met zich brengen, als de herstelmaatregel zoals bedoeld in artikel 68 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996?"; Overwegende dat op dit verzoek niet moet worden ingegaan; dat immers krachtens artikel 26, § 2, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, het betrokken rechtscollege niet gehouden is een prejudiciële vraag te stellen, wanneer de uitspraak van het betrokken rechtscollege vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, doch enkel wanneer het Arbitragehof een vraag met hetzelfde onderwerp reeds heeft beantwoord, het antwoord niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen of de betrokken grondwetsbepalingen klaarblijkelijk niet geschonden worden; dat te dezen de Raad van State bij zijn uitspraak niet gehouden is de prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, aangezien die prejudiciële vraag zijn rechtsmacht betreft en zijn beslissing hierover vatbaar is voor een voorziening in cassatie overeenkomstig artikel 158 van de Grondwet en de artikelen 33 en 34 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Wat de weigering van vergelijk betreft Overwegende dat verzoeker, met betrekking tot de tweede bestreden beslissing wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, in zijn verzoekschrift betoogt dat de weigering van vergelijk uitgaat van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur die beschouwd kan worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de weigering van vergelijk een uitvoerbare administratieve rechtshandeling is daar zij rechtsgevolgen teweegbrengt zonder dat de inbreng van een rechterlijke instantie te dezen is vereist, dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. een koppeling introduceren tussen het vergelijk enerzijds en de regularisatievergunning anderzijds, dat aangezien X-10.051-5/21 het niet meer mogelijk is een regularisatievergunning te verkrijgen zonder eerst een vergelijk te verkrijgen, moet worden afgeleid dat de Raad van State bevoegd is om zich uit te spreken over de onwettigheidsgrieven ten aanzien van de weigering van vergelijk; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van een annulatieberoep tegen een weigering van vergelijk; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in essentie repliceert dat de onder de gelding van het coördinatiedecreet "vaststaande" rechtspraak van de Raad thans niet meer kan worden getransponeerd naar huidige casus; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie concludeert wat volgt : "dat - in toepassing van de toen geldende artikelen 158-159 DRO - de vergelijk- en regularisatieprocedure als één langgerekte hybride procedure dient beschouwd te worden met als uiteindelijke doel het bekomen van de regularisatievergunning. De beslissing tot weigering van vergelijk kan niet beschouwd worden als behorende tot de uitoefening strafvordering om de eenvoudige reden dat er nog geen strafvordering werd ingesteld. De bevoegdheid van Uw Raad om te oordelen over betwistingen inzake de weigering van vergelijk wordt bijgevolg allerminst uitgesloten door de bevoegdheid van de strafrechter om - eens de strafvordering regelmatig aanhangig is gemaakt - uitspraak te doen over de herstelvordering"; Overwegende dat de verwerende partij niets wezenlijks toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat uit artikel 158, § 1, laatste lid, D.R.O. (thans : artikel 158, laatste lid, D.R.O.) volgt dat, bij gebreke aan definitief geworden vergelijk - thans transactie geheten -, de overtreder in beginsel blootgesteld blijft aan strafrechtelijke vervolging voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken of verrichte of voortgezette handelingen of wijzigingen en de overheid bevoegd blijft hieromtrent één van de in artikel 149, § 1, D.R.O. bepaalde herstelmaatregelen te vorderen voor de bevoegde rechter van de rechterlijke orde; dat hieruit volgt dat de weigering tot het verlenen van "het vergelijk", op welk tijdstip dit ook plaatsvindt, hoe dan ook betrekking heeft op de uitoefening van de publieke vordering en op de vervolging van het herstel van het bouwmisdrijf en dus behoort tot de gerechtelijke procedure, zodat X-10.051-6/21 alleen de rechter van de rechterlijke orde bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen daaromtrent; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat de omstandigheid dat op het ogenblik van de thans bestreden beslissing, de beslissing inzake het vergelijk een noodzakelijke - doch niet voldoende - voorwaarde was in een administratiefrechtelijke procedure tot het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet volstaat om de Raad van State bevoegd te maken kennis te nemen van betwistingen omtrent deze weigering van vergelijk; dat ook de omstandigheid dat deze weigering van vergelijk een eenzijdige administratieve rechtshandeling zou zijn, uitgaande van een administratieve overheid, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te kunnen besluiten; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring van de weigering van vergelijk kennis te nemen; dat de exceptie van de verwerende partij ten aanzien van de tweede bestreden beslissing gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.051-7/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.051-8/21 Eerste blad. Wij, ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, doen te weten Het Hof van Cassatie, zetelende te Brussel, heeft het volgende arrest uitgesproken In zake : C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16 Tweede blad. 10 JUNI 2005 C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/1 Nr. C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16 VANDIJCK Louis, wonende te 3990 Peer, Ruitersbaan 14, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HET VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de minister-president, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Martelaarsplein, in de persoon van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, wiens kantoor gevestigd is te 1210 Brussel, Phoenixgebouw, Koning Albert 11-laan 19, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. Derde blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/2 I. Bestreden uitspraak Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest op 4 juni 2004 gewezen door de Raad van State, afdeling administratie. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10, 11, 144, 145 en 159 van de gecoördineerde Grondwet ; - de artikelen 7, 14 en 33 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 ; - artikel 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna te noemen DRO). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest beslist "Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van (eiser) ", op grond van de motieven op pp. 2-5: "Wat de herstelvordering betreft (. ..) dat (eiser), niet betrekking tot de eerste bestreden beslissing en wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, in zijn verzoekschrift betoogt dat de vordering tot herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand uitgaat van de stedenbouwkundige inspecteur die beschouwd kan worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten Vierde blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/3 op de Raad van State ; dat de herstelvordering een uitvoerbare administratieve rechtshandeling is daar zij rechtsgevolgen beoogt ; dat (eiser) verder omstandig verhaalt dat de procedure van de herstelvordering grote gelijkenissen vertoont met de procedure tot onteigening en derhalve een zelfde toepassing moet worden gemaakt van de rechtspraak ter zake, dat (eiser) opwerpt dat hij tot op heden 'nog steeds niet (werd) gedagvaard voor de gewone rechter, (dat) derhalve (...) Uw Raad zich (dient) bevoegd te verklaren om kennis te nemen van het annulatieberoep gericht tegen de herstelvorderingen van de gemachtigde ambtenaar, zolang de zaak niet aanhangig is gemaakt voor de gewone rechter', dat er anders over oordelen tot gevolg zou hebben dat (eiser) wordt uitgesloten `van enig verweermiddel tegen een onwettige administratieve rechtshandeling, in casu de vordering tot herstel van de plaats in de vorige staat, en dit zolang (h)ij niet word (
  3. t)gedagvaard voor de gewone rechter, en zonder dat (h)ij ter zake een initiatiefrecht (heeft), he(
  4. m)toegekend door de Grondwet en het Europees Verdrag van de rechten van de mens, (dat) dergelijke vaststelling strijdt met het gelijkheidsbeginsel' ; (...) dat (verweerder) in zijn memorie van antwoord bij vege van exceptie de rechtsmacht van de Raad van State betwist om kennis te nemen van een herstelvordering ; (...) dat de partijen in hun navolgende procedurestukken niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet ; (...) dat de eerste bestreden beslissing tot voorwerp heeft de vordering van de gemachtigde ambtenaar om de plaats in de vorige staat te herstellen zoals bedoeld in het thans opgeheven artikel 68, § 1, eerste lid, a, van het coórdinatiedecreet ; dat deze herstelvordering thans wordt geregeld door artikel 149, § 1, eerste lid, DRO ; (...) dat artikel 149, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, luidt als volgt `§ 1. Naast de straf kan de rechtbank bevelen de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Dit gebeurt op vordering van de stedenbouwkundig inspecteur of van het college van Vijfde blad. 10 JUNI 2005 C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/4 burgemeester en schepenen op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd. Indien deze inbreuken dateren van voor 1 mei 2000 is voorafgaand een eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid vereist ; (..) § 2. De herstelvordering wordt bij het parket ingeleid bij gewone brief, in naam van het Vlaamse Gewest of van het college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen. § 3. Wanneer wordt geopteerd voor de vordering van bouw- of aanpassingswerken en/of de betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde, dient deze vordering uitdrukkelijk te worden gemotiveerd vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening, de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de ernst van de overtreding. Bij een vordering `tot betaling van een geldsom gelijk aan de meerwaarde', vermeldt de stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen of aan het goed nog instandhoudings- of onderhoudswerken, die betrekking hebben op de stabiliteit, zoals bedoeld in artikel 19Sbis, 3º, mogen worden uitgevoerd. 4. De vordering vermeldt minstens de geldende voorschriften, en een omschrijving van de toestand voorafgaand aan het misdrijf Een recent uittreksel uit het plannenregister wordt bijgevoegd. De Vlaamse Regering kan extra voorwaarden bepalen waaraan de brief, vermeld in § 2, eerste lid, en het bijgevoegde dossier moeten beantwoorden. (...) ' ; (...) dat de vordering van de stedenbouwkundige inspecteur tot herstel in de vorige toestand een maatregel is van burgerlijke aard die tot de strafvordering behoort ; dat het tot de bevoegdheid van de rechter van de rechterlijke macht behoort de vordering bedoeld in artikel 149 op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding berust ; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit ; dat de door de (eiser) gemaakte vergelijking met de rechtsmacht van de Raad inzake onteigeningsbesluiten en machtiging tot onteigening niet opgaat ; dat de procedure inzake de Zesde blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/5 herstelvordering geen twee van elkaar te onderscheiden administratieve en gerechtelijke fases kent ; dat immers, in tegenstelling tot de procedure in onteigeningen, de afdoening van de herstelvordering buiten de rechter om, bij wijze van minnelijke schikking tussen de bestuurlijke overheid en de overtreder van de strafwet en voor elke gerechtelijke handeling, niet wettig mogelijk is ; dat ook de omstandigheid dat de strafrechter nog niet is geadieerd en de herstelvordering afhankelijk is van de beslissing van het parket om het misdrijf al dan niet te vervolgen, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te besluiten ; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring van de herstelvordering kennis te nemen ; dat de exceptie van (verweerder) ten aanzien van de eerste bestreden beslissing gegrond is ". Grieven 1. Eerste onderdeel Binnen de bevoegdheidsverdeling van de artikelen 144 en 145 van de gecoordineerde Grondwet doet de Raad van State, luidens artikel 14 van de gecoordineerde wetten op de Raad van State, uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afivending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de verscheidene administratieve overheden of tegen de administratieve beslissingen in betwiste zaken. Deze bevoegdheid is algemeen en wordt vastgesteld naar het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep. De Raad van State is bevoegd om de nietigverklaring uit te spreken wanneer tegen de akte van de administratieve overheid een objectief beroep wordt ingesteld dat als werkelijk en rechtstreeks voorwerp heeft de vernietiging in de rechtsorde van de bestreden beslissing. De Raad van State is daarentegen niet bevoegd wanneer het beroep er werkelijk en rechtstreeks toe strekt het bestaan van een subjectief, burgerlijk of Zevende blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/6 politiek recht te doen vastleggen, of de eerbiediging van een dergelijk recht te doen naleven. De bevoegdheid van de Raad van State versus die van de gewone rechtbanken aldus afhangt van wat het rechtstreeks en werkelijk voorwerp is van de vordering die door de aanleggende partij wordt gevorderd. Wordt aldus voor de gewone rechter niet de erkenning, de vastlegging of eerbiediging gevorderd van een subjectief, burgerlijk of politiek recht, maar wel de onwettigheid van een administratieve akte, dan is de gewone rechter onbevoegd. Omgekeerd is de Raad van State niet bevoegd, wanneer de bestreden individuele handeling bestaat in de weigering of toekenning door een administratieve overheid van de uitvoering van een verplichting die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoeker, nl. het recht van de betrokkene om van de overheid zodanig recht te bekomen als de wettelijke voorwaarden ertoe vervuld zijn. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de herstelvordering voorzien in artikel 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999, zo zij door een bevoegde instantie of een benadeelde derde wordt aanhangig gemaakt voor de gewone rechtbanken in de concreet gevorderde herstelmaatregel bestaat en niet het herstel in abstracto. Gevat door deze vordering de gewone rechtbanken zich uitspreken omtrent de erkenning, de vastlegging en/of eerbiediging van subjectieve rechten en plichten van de er bij betrokken partijen. De omstandigheid dat de gewone rechtbanken bij de beoordeling van deze subjectieve rechten gemachtigd en zelfs verplicht zijn ingevolge artikel 159 van de Grondwet om op incidentele wijze de interne en externe wettigheid van de administratieve beslissing te onderzoeken teneinde deze gebeurlijk buiten toepassing te laten wegens strijdigheid met een hogere norm, niet impliceert dat de Raad van State zijn bevoegdheid ontbeert om de vernietiging van dergelijke administratieve beslissing uit te spreken zolang voormelde vordering niet aanhangig werd gemaakt voor de gewone rechter. Hieruit volgt dat het bestreden arrest de beslissing, dat de Raad van State zonder rechtsmacht is op de vordering tot vernietiging ingesteld door eiser tegen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 6 mei 1999 dat hij Achtste blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/7 het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand kiest op grond van artikel 149 van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999, houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, niet naar recht verantwoordt op het motief dat het tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoort de vordering zoals bedoeld in voormeld artikel 149 op haar externe en interne wettigheid te toetsen en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding berust, vermits de rechterlijke macht ten allen tijde gemachtigd en verplicht is deze toetsing te verrichten op grond van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet uit te voeren, wanneer zij zal gevat worden door een vordering er toe strekkende zich uit te spreken over de subjectieve rechten van eiser (schending van de artikelen 144, 145 en 159 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 7, 14 en 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 149 van het aangehaalde decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999), noch op het motief dat die herstelvordering tot de rechtsmacht behoort van de rechter van de rechterlijke macht, nu dit slechts zo is vanaf het tijdstip dat deze er door gevat is (schending van de artikelen 144, 145 en 159 van de-gecoördineerde- Grondwet, de artikelen 7, 14 en 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 149 van het aangehaalde decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999). 2. Tweede onderdeel De grondwettelijke regels in de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet omtrent de gelijkheid en van niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van rechtssubjecten wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de bij de ter beoordeling staande norm. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijke verband van evenredigheid bestaat. Negende blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/8 De herstelmaatregelen voorzien door artikel 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 zijn ingevoerd in het algemeen belang met het oog op de vrijwaring van een goede ruimtelijke ordening. De rechten van de benadeelden van een stedenbouwmisdrijf zijn evenwel niet beperkt tot de door de overheid gekozen wijze van herstel. Deze benadeelden beschikken derhalve, als belanghebbenden, over de mogelijkheid de vernietiging te verzoeken op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar op grond van artikel 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 waarbij deze een keuze doet uit het voorziene arsenaal en ook als hij kiest voor het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat. Dit annulatieverzoek bij de Raad van State kan onmiddellijk worden ingediend vanaf het ogenblik waarop de gemachtigde ambtenaar dergelijke beslissing neemt, zonder dat en vooraleer enige vordering is ingesteld voor de gewone rechter. In de interpretatie die de Raad van State geeft, wordt aan de overtreder van de stedenbouwreglementering het recht ontzegd bij de Raad van State onmiddellijk een direct beroep in te stellen tegen de administratieve handeling van de gemachtigde ambtenaar omtrent zijn keuze van herstel, terwijl andere derden wel zulk beroep kunnen instellen. Dat verschil in behandeling inzake rechtsbescherming is ten opzichte van het door de wetgever nagestreefde doel discriminerend in die zin dat het doel kan worden verwezenlijkt zonder de overtreder de mogelijkheid te ontzeggen, vóór de aanvang van de gerechtelijke. fase met het daadwerkelijk instellen van een vordering voor de gewone rechter, de beslissing omtrent de keuze van de in te stellen herstelvordering bij wege van een rechtstreeks beroep aan te vechten voor de Raad van State. Immers artikel 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 en artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, verhinderen niet, dat vóór het ogenblik waarop de gewone rechter gevat wordt met enige vordering omtrent de subjectieve rechten, de overtreder bij de Raad van State een direct beroep tot vernietiging instelt tegen de door de gemachtigde ambtenaar genomen beslissing omtrent de gekozen herstelmaatregel. Dit is immers enerzijds een administratieve akte die de Tiende blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/9 overtreder meer rechtstreeks benadeelt dan een derde en anderzijds wordt, op het beschouwde tijdstip, de bevoegdheid van de Raad van State niet uitgesloten door het openstaan van een vordering of enig ander rechtsmiddel hij de justitiële rechter. Hieruit volgt dat het bestreden arrest eiser onwettig de mogelijkheid ontzegt om onmiddellijk een direct beroep tot vernietiging van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar van 6 mei 1999 in te stellen, omdat in die uitlegging de artikelen 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en 149 van het decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet schenden (schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, de artikelen 7, 14 en 33 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 149 van het aangehaalde decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999). IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de afdeling administratie bij wijze van arrest uitspraak doet over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden ; Overwegende dat, krachtens artikel 149, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, naast de straf, de rechtbank, op vordering van de stedenbouwkundige inspecteur, of van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied de werken, handelingen of wijzigingen, bedoeld in artikel 146, werden uitgevoerd, beveelt de plaats in de oorspronkelijke toestand te herstellen of het strijdige gebruik te staken, en/of bouw- of aanpassingswerken uit te voeren en/of een geldsom te betalen gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen ; Dat, krachtens § 2 van hetzelfde artikel, de herstelvordering bij gewone brief bij het parket wordt ingeleid, in naam van het Vlaamse Gewest of van het Elfde blad. 10 JUNI 2005 C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/10 college van burgemeester en schepenen, door de stedenbouwkundige inspecteurs en de aangestelden van het college van burgemeester en schepenen; Dat de herstelvordering een civielrechtelijke maatregel is die krachtens voornoemd artikel 149, § 1, voor de strafrechter en krachtens artikel 151 van hetzelfde decreet voor de burgerlijke rechter kan gevorderd worden ; Dat de herstelvordering op zichzelf geen rechtsgevolgen sorteert maar onlosmakelijk deel uitmaakt van de gerechtelijke procedure ; Dat de bevoegdheid van de rechtbank om te oordelen over de herstelvordering, de bevoegdheid van de Raad van State uitsluit ; Overwegende dat het bestreden arrest dat beslist dat het de Raad van State niet toekomt kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring, de aangewezen wetsbepalingen niet schendt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat, enerzijds, derde benadeelden de mogelijkheid hebben om op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de vernietiging te verzoeken van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar genomen op grond van artikel 149 van het decreet van 18 mei 1999, anderzijds, de overtreder van de stedenbouwreglementering van het recht wordt uitgesloten om bij de Raad van State onmiddellijk en direct beroep in te stellen ; Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring van de herstelvordering ; Dat het onderdeel faalt naar recht ; Overwegende dat nu het onderdeel uitgaat van een onjuiste juridische onderstelling, er geen aanleiding bestaat tot het stellen van een daarop gegronde prejudiciële vraag aan het Arbitragehof ; Twaalfde blad. 10 JUNI 2005C.04.0348.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16/11 OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zesentwintig euro zevenenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, verenigde kamers, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Claude Parmentier, Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois, Christian Storck, Frédéric Close, Ghislain Londers, Eric Dirix, Didier Batselé en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van hoofdgriffier Etienne Sluys. Dertiende en laatste blad. Getekend : Verougstraete, Parmentier, Boes, Waûters, Bourgeois, Storck, Close, Londers, Dirix, Batselé, Fettweis, Sluys Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen ; Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt ; Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met het zegel van het Hof. VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE afgegeven aan Mevrouw de Hoofdgriffier van de Raad van State. Brussel, 16 juni 2005. De hoofdgriffier, E. Sluys VRIJ.8432 Art. 280, l', Wetb. Reg. Art. 1
  5. h)R.B. 23.8.1948 R.D.D. art. PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.056 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050610.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.