id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.057 Rolnummer: A. 105853/X-10391 Zaak: Arrest 132057 - - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.057 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.057 van 4 juni 2004 in de zaak A. 105.853/X-10.
- In zake : Louis VANDIJCK, die woonplaats kiest bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis VANDIJCK op 7 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 april 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende verwerping van zijn beroep ingesteld tegen het besluit van 18 december 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Peer waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een woning gelegen te Peer, Ruitersbaan 14, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 1018B5; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 31 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-10.391-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE PUYDT die, loco Advocaat J. GHYSELS verschijnt voor verzoeker, van Advocaat P.-J. VERVOORT die, loco Advocaat P. FLAMEY eveneens verschijnt voor verzoeker, en van Bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker op 31 juli 2000 de regularisatievergunning aanvraagt voor een woning; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Peer op 18 december 2000 de regularisatievergunning weigert; dat verzoeker op 12 januari 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg op 5 april 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit de thans bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoeker in zijn laatste memorie dat "de ontkoppeling van de regularisatievergunning en vergelijk tot gevolg heeft dat de overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit in elk geval geen doelgebonden bevoegdheid meer heeft en geroepen zal zijn om een heroverweging te doen rekening houdende met ‘s Raads overwegingen(,) dat dat op zichzelf reeds volstaat als wettig en actueel belang om de gevorderde vernietiging te benaarstigen", betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoeker door het betrachten van dat gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat de bevoegde vergunningverlenende overheid dan ook de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende X-10.391-2/7 bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoeker derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat verzoeker hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat echter verzoeker in het tweede middel onder meer stelt dat de verwerende partij ten onrechte de procedure van de koppeling van het vergelijk aan de aanvraag heeft toegepast; dat het aangewezen is eerst de al dan niet gegrondheid van het onderdeel van dit tweede middel dat daarop betrekking heeft te onderzoeken; dat de gegrondheid van de hiervoor ambtshalve opgeworpen exceptie bijgevolg verbonden is met het antwoord op dit onderdeel van het tweede middel; Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 158, 159 en 193, §1 en §2 D.R.O. en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen "doordat de bestendige deputatie in voorliggend geval besloten heeft dat aangezien de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op 11 oktober 2000 besloten had tot een weigering van vergelijk, deze vaststelling reeds volstond om te besluiten dat er in casu geen regularisatievergunning meer kon worden verleend, terwijl de weigering van vergelijk een nieuw procedure-element is in de nieuwe procedure met betrekking tot transactie en regularisatie"; dat hij inzake de schending van de artikelen 158-159 en 193, §§ 1 en 2 van het D.R.O. toelicht dat het vergelijk duidelijk is gekoppeld aan de nieuwe procedure met betrekking tot regularisatie-aanvragen, dat de weigering van vergelijk logischerwijze ook in die bredere procedurele context dient beschouwd te worden, dat de vergunningsprocedure van het D.R.O., overeenkomstig artikel 193, § 2 ervan, pas van toepassing is wanneer de gemeente beschikt over een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, een conform verklaard plannenregister, een vastgesteld vergunningenregister en een register van de onbebouwde percelen, dat aan die voorwaarden door de gemeente Peer duidelijk niet is voldaan, en dat "de nieuwe procedure inzake vergunningsaanvragen bijgevolg nog niet in casu kon en kan worden toegepast, en dat ook de procedure met betrekking tot een weigering van vergelijk, die kadert in de ruimere procedure met betrekking tot de X-10.391-3/7 regularisatieaanvragen (conform de nieuwe procedure inzake vergunningsaanvragen), in casu, nog niet kon en kan worden toegepast"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de regeling in de artikelen 158 en 159 D.R.O. van onmiddellijke toepassing is op de lopende dossiers, zoals dit van verzoeker, dat zij en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Peer derhalve "decretaal verplicht waren de regularisatieaanvraag van de verzoekende partij te behandelen overeenkomstig de regularisatieprocedure van het nieuwe decreet", dat zij verder expliciteert wat volgt : "dat ingevolge de artikelen 171 en 204 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de vroegere bepalingen inzake de regularisatie van stedenbouwmisdrijven, m.n. artikel 68, §3 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, met ingang van 1 mei 2000 werden opgeheven; dat met ingang van 1 mei 2000 de artikelen 158 en 159 van het nieuwe decreet dan ook de te volgen specifieke procedure voor de regularisatie van stedenbouwmisdrijven regelen; dat wanneer het gaat om een stedenbouwmisdrijf dat regulariseerbaar is in de zin van artikel 158, §1, 1e alinea van het nieuwe decreet, overeenkomstig artikel 159, le alinea, een (regularisatie)vergunning kan worden verleend 'Volgens de vergunningsprocedure van dit decreet'; dat de verzoekende partij in dit verband ten onrechte van oordeel is, rekening houdende met de voorschriften vermeld in de overgangsbepaling van artikel 193, §1 van het decreet van 18 mei 1999, dat de regularisatieprocedure nog niet van toepassing zou zijn; dat ons college er in dit opzicht op wijst dat in artikel 193 van het nieuwe decreet van 18 mei 1999 enkel een overgangsregeling is opgenomen voor de 'normale' procedure voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning; dat het vermelde artikel 193, zoals ondertussen gewijzigd, immers bepaalt dat zolang een gemeente niet beschikt over een goedgekeurd ruimtelijk structuurplan, een gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar, een conform verklaard plannenregister, een vastgesteld vergunningenregister en een register van onbebouwde percelen -het voldoen aan al deze voorwaarden moet worden vastgesteld door de Vlaamse regering en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad- de aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning moeten worden behandeld overeenkomstig artikel 43, § 1 tot en met § 5, artikel 44, 49, 51, 52, 53 en 55, § 1, eerste lid, van het (oude) decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de plaats van overeenkomstig artikel 106 tot en met 126 van dit decreet; dat deze bepaling -en dit in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert- dus geen overgangsregeling bevat betreffende de specifieke regularisatieprocedure; dat de bijzondere procedure voor het toekennen van de regularisatievergunning afzonderlijk wordt geregeld in de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999; dat, zoals vermeld, deze regularisatieprocedure dan ook met ingang van 1 mei 2000 in werking is getreden, gelet op de artikelen 171 en 204 van het decreet van 18 mei 1999; dat het voorschrift dat de (regularisatie)vergunning kan worden verleend 'volgens de vergunningsprocedure van dit decreet' (opgenomen in artikel 159, eerste lid, eerste zin van het decreet) dan ook in de hierna vermelde zin moet worden geïnterpreteerd; dat de regularisatievergunning in het algemeen, m.n. wat de algemene kenmerken van de vergunningsprocedure betreft -zoals de X-10.391-4/7 bevoegde overheden, de termijnen, etc... - moet worden verleend overeenkomstig het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 (zoals in casu) of van het nieuwe decreet van 18 mei 1999, en dit afhankelijk van het al of niet voldaan zijn aan de voorwaarden vermeld in de hierboven genoemde overgangsregeling van artikel 193, §§1 en 2; dat evenwel ongeacht welke regeling de algemene procedure bepaalt voor het verlenen van de vergunning het bijzondere voorschrift inzake de regularisatieprocedure, m.n. de verplichte koppeling tussen het strafrechtelijk vergelijk en het verlenen van de vergunning (zoals opgenomen in de artikelen 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999) sowieso van toepassing is, en dit met ingang van 1 mei 2000; (...)"; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert wat volgt: "
- Verwerende partij meent volkomen ten onrechte dat het nieuwe decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) geen 'overgangsbepalingen' zou bevatten inzake het vergelijk (transactie) en de regularisatieprocedure. Verwerende partij gaat daarbij in haar argumentatie volledig voorbij aan de duidelijke draagwijdte van de artikelen 158, 159 en 193 van het DRO. Uit de samenlezing van deze drie artikelen volgt duidelijk dat de vergunningsprocedure, die voorzien is in het DRO, hic et nunc, in casu, niet van toepassing 'kan' zijn aangezien de gemeente Peer heden nog geen toepassing kan maken van de nieuwe regularisatieprocedure van het DRO, en dit omwille van het feit dat de gemeente Peer tot op heden niet voldoet aan de vijf toepassingsvoorwaarden zoals voorzien in artikel 193 §1 van het DRO. Dat een en ander ontegensprekelijk tot gevolg heeft dat de actuele regeling omtrent het vergelijk niet toegepast kan worden, en dit omwille van haar onlosmakelijke verbondenheid met de eigenlijke nieuwe regularisatieprocedure (zie het tweede middel van annulatieberoep). Dat er aldus in de bepalingen van het DRO, minstens impliciet, een 'overgangsregeling' is uitgewerkt voor de regeling met betrekking tot regularisatie-aanvragen. (...)"; Overwegende dat het door de verzoeker aangehaalde artikel 193, §1 en §2 D.R.O. geen steun biedt voor het door hem in het tweede middel ontwikkelde standpunt; dat artikel 193 D.R.O. als overgangsbepaling niet meer is dan een aanduiding van de te volgen vergunningsprocedure zolang de gemeente niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 193, §1 D.R.O., met name de behandeling van de aanvraag overeenkomstig de artikelen 106 tot en met 133 D.R.O. dan wel overeenkomstig het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. daarentegen een koppeling beogen tussen deze met toepassing van artikel 193, §2 D.R.O. bepaalde vergunningsprocedure enerzijds en het vergelijk anderzijds; dat derhalve artikel 193 D.R.O. geenszins de toepassing van de artikelen 158 en 159 D.R.O. verhindert; dat voorts luidens artikel 204 D.R.O. "dit decreet in werking (treedt) op X-10.391-5/7 1 mei 2000, met uitzondering van de artikelen 165 en 166, die in werking treden op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en met uitzondering van artikelen 87 tot 91, die in werking treden op 1 januari 2004"; dat derhalve de artikelen 158 en 159 D.R.O. onvoorwaardelijk op 1 mei 2000 in werking zijn getreden en hiertoe niet afhankelijk zijn van het artikel 193 D.R.O.; dat het onderdeel van het middel niet gegrond is; dat met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep het tweede middel voor het overige niet verder moet worden onderzocht; dat met het ongegrond bevinden van het onderzochte onderdeel meteen ook de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de bestreden beslissing gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie vraagt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : "Schendt artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de grondwet, op zichzelf genomen en samengenomen met artikel 6 EVRM doordat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep noodzakelijk is dat de verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang op het ogenblik van de rechtsingang, zonder dat het vaststellen van dat belang tijdens de procedure voor de Raad ingevolge wetswijziging zoals in deze het gewijzigde artikel 158 van het Decreet op de Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 als verworven kan worden beschouwd, terwijl in dat geval een categorie van rechtzoekenden de rechtsbescherming tegen onwettig overheidsoptreden wordt ontzegd zonder redelijke verantwoording in weerwil van het recht op gelijke behandeling en het recht op een fair proces?"; Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een decreet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe echter niet is gehouden wanneer de zaak niet door de Raad kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat te dezen de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet is ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het instellen van voornoemde vraag; dat deze uitzondering te dezen van toepassing is, X-10.391-6/7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.391-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.