← België

Arrest 132058 - - 04/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.058 Rolnummer: A. 105854/X-10390 Zaak: Arrest 132058 - - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.058 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.058 van 4 juni 2004 in de zaak A. 105.854/X-10.

  1. In zake :
  2. Luc VAN RYCKEGHEM,
  3. Ann SIERENS, die woonplaats kiezen bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VAN RYCKEGHEM en Ann SIERENS op 7 juni 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 april 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende verwerping van hun beroep ingesteld tegen het besluit van 9 december 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hun de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een bureel in een loods, de aanleg van een plantenkwekerij, een reliëfwijziging en het verharden van een oprit gelegen te Tielt, Donsegemstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nrs. 501f, 504a en 497a en, bij samenhang, het besluit van 21 maart 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, waarbij aan de verzoekende partijen een voorstel tot vergelijk wordt geweigerd overeenkomstig artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor de "wederrechtelijke bouw bureau in loods, (c)omposthoop, talud, reliëfwijzigingen, verhardingen (en) keermuur"op hetzelfde perceel; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.390-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE PUYDT die, loco Advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen op 28 januari 1999 de regularisatievergunning aanvragen voor een bureel in een loods, de aanleg van een plantenkwekerij, een reliëfwijziging en het verharden van een oprit gelegen aan de Donsegemstraat te Tielt, op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nrs. 501f, 504a en 497a; dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op 21 maart 2001 aan de verzoekende partijen het vergelijk in de zin van artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) heeft geweigerd en derhalve het in artikel 158, § 2, tweede lid, D.R.O. bedoelde certificaat niet werd opgesteld; dat dit de tweede bestreden beslissing is; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 6 april 2001 het beroep verwerpt van de verzoekende partijen tegen de beslissing van 9 december 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, waarbij de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de "wederrechtelijke bouw bureau X-10.390-2/8 in loods, (c)omposthoop, talud, reliëfwijzigingen, verhardingen, keermuur" op het hiervoor vermelde perceel; dat dit de eerste bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partijen wat de eerste bestreden beslissing betreft, in hun laatste memorie met betrekking tot hun belang o.m. stellen dat de vereiste van het hebben van een certificaat als voorwaarde voor het bekomen van een regularisatievergunning ingevolge de wijziging van artikel 158 D.R.O. door het decreet van 8 maart 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 is weggevallen, dat bijgevolg de ontkoppeling van regularisatievergunning en vergelijk tot gevolg heeft dat de overheid in geval van vernietiging van het bestreden besluit in elk geval geen doelgebonden bevoegdheid meer heeft en geroepen zal zijn om een heroverweging te doen rekening houdende met ‘s Raads overwegingen, dat dit op zichzelf reeds volstaat als wettig en actueel belang om de gevorderde vernietiging te benaarstigen; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie repliceert dat "verzoekende partijen (...) door de afwezigheid van een vergelijk op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift geen belang (hadden) daar op dat ogenblik de vergunningverlenende overheid bij gebreke aan vergelijk genoodzaakt was identiek hetzelfde besluit te nemen"; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in het op dat ogenblik geldende artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partijen in hun laatste memorie betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat de verzoekende partijen door het betrachten van dat gevolg, een belang hebben of verwerven bij het beroep; dat de bevoegde vergunningverlenende overheid dan ook de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekers derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot X-10.390-3/8 nietigverklaring geen belang hadden bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat echter de verzoekende partijen in het derde middel onder meer stellen dat "de procedure, in de fase ‘hangende voor de Minister van ruimtelijke ordening’, (ten onrechte) werd voortgezet, volgens de procedure van het nieuwe decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening"; dat het aangewezen is eerst de al dan niet gegrondheid van dit derde middel te onderzoeken; dat de gegrondheid van de hiervoor ambtshalve opgeworpen exceptie bijgevolg verbonden is met het antwoord op het derde middel; Overwegende dat de verzoekende partijen in het derde middel van hun verzoekschrift de schending van het artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en de artikelen 158, 159, 193, §2 en 193, §6, 2/ lid D.R.O. aanvoeren; dat de verzoekende partijen inzake de schending van de artikelen 158-159 en 193, §§ 2 en 6 D.R.O. stellen dat de procedure, in de fase "hangende voor de Minister van ruimtelijke ordening", verkeerdelijk werd voortgezet volgens de procedure van het nieuwe decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat artikel 193, § 2 D.R.O. immers duidelijk bepaalt dat zolang een gemeente niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in §1, de aanvragen voor een stedenbouwkundige of een verkavelingsvergunning worden behandeld overeenkomstig artikel 43, §1 tot en met §5, artikel 44, 49, 51, 52, 53 en 55, §1, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de plaats van overeenkomstig artikel 106 tot en met 126 van dit decreet, dat bovendien artikel 193, §6, 2/ lid DRO een uitdrukkelijke overgangsregeling voorziet waarbij alle aanvragen ingediend vóór de eerste dag van de tweede maand van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, bedoeld in artikel 193, § 1, worden behandeld met inachtname van het DRO, dat de procedure tot regularisatie van het bureel in de loods, de aanleg van de plantenkwekerij, de reliëfwijziging en het verharden van de oprit aan de Donsegemsestraat te Tielt reeds in gang werd gezet op 28 januari 1999, dat er in die periode van "wettelijke" bepalingen inzake regularisatievergunningen nog geen sprake was en derhalve in die omstandigheden noodzakelijkerwijze een beroep werd gedaan op de wettelijke regels met betrekking tot de "regelmatige" afgifte van de X-10.390-4/8 vergunning, dat zodoende de lopende procedure aldus verder diende afgehandeld te worden door de Vlaamse Minister van ruimtelijke ordening, zonder de tussenkomst of het bindend advies of een beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur, zijnde in casu de weigering van vergelijk; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun latere procedurestukken niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat het door de verzoekende partijen aangehaalde artikel 193, §§2 en 6, 2/ lid D.R.O. geen steun biedt voor het door hen in het derde middel ontwikkelde standpunt; dat artikel 193 D.R.O. als overgangsbepaling niet meer is dan een aanduiding van de te volgen vergunningsprocedure zolang de gemeente niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 193, §1 D.R.O., met name de behandeling van de aanvraag overeenkomstig de artikelen 106 tot en met 133 D.R.O. dan wel overeenkomstig het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. daarentegen een koppeling beogen tussen deze met toepassing van artikel 193, §2 D.R.O. bepaalde vergunningsprocedure enerzijds en het vergelijk anderzijds; dat derhalve artikel 193 D.R.O. geenszins de toepassing van de artikelen 158 en 159 D.R.O. verhindert; dat voorts luidens artikel 204 D.R.O. "dit decreet in werking (treedt) op 1 mei 2000, met uitzondering van de artikelen 165 en 166, die in werking treden op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en met uitzondering van artikelen 87 tot 91, die in werking treden op 1 januari 2004"; dat derhalve de artikelen 158 en 159 D.R.O. onvoorwaardelijk op 1 mei 2000 in werking zijn getreden en hiertoe niet afhankelijk zijn van het artikel 193 D.R.O.; dat het derde middel niet gegrond is; dat met het ongegrond bevinden van dit middel meteen ook de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het eerste bestreden besluit gegrond is; dat het beroep ten aanzien van het eerste bestreden besluit niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie vragen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : "Schendt artikel 14 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de grondwet, op zichzelf genomen en samengenomen met artikel 6 EVRM doordat het voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep noodzakelijk is dat de verzoekende partij beschikt over het rechtens vereiste belang op het ogenblik van de rechtsingang, zonder dat het X-10.390-5/8 vaststellen van dat belang tijdens de procedure voor de Raad ingevolge wetswijziging zoals in deze het gewijzigde artikel 158 van het Decreet op de Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 als verworven kan worden beschouwd, terwijl in dat geval een categorie van rechtzoekenden de rechtsbescherming tegen onwettig overheidsoptreden wordt ontzegd zonder redelijke verantwoording in weerwil van het recht op gelijke behandeling en het recht op een fair proces?"; Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een decreet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe echter niet is gehouden wanneer de zaak niet door de Raad kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat te dezen de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet is ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het instellen van voornoemde vraag; dat deze uitzondering te dezen van toepassing is; Overwegende dat de verzoekende partijen wat de tweede bestreden beslissing betreft, wat de bevoegdheid van de Raad van State betreft, in hun verzoekschrift betogen dat de weigering van vergelijk uitgaat van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur die beschouwd kan worden als een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de weigering van vergelijk een uitvoerbare administratieve rechtshandeling is daar zij rechtsgevolgen teweegbrengt zonder dat de inbreng van een rechterlijke instantie te dezen is vereist, dat de artikelen 158 en 159 D.R.O. een koppeling introduceren tussen het vergelijk enerzijds en de regularisatievergunning anderzijds, dat aangezien het niet meer mogelijk is een regularisatievergunning te verkrijgen zonder eerst een vergelijk te verkrijgen, moet worden afgeleid dat de Raad van State bevoegd is kennis te nemen van de onwettigheidsgrieven ten aanzien van de weigering van vergelijk; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie de onbevoegdheid van de Raad van State aanvoert om kennis te nemen van een annulatieberoep tegen een weigering van vergelijk; X-10.390-6/8 Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegen aan hetgeen zij reeds hebben uiteengezet; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie concluderen wat volgt : "dat - in toepassing van de toen geldende artikelen 158-159 DRO - de vergelijk- en regularisatieprocedure als één langgerekte hybride procedure dient beschouwd te worden met als uiteindelijke doel het bekomen van de regularisatievergunning. De beslissing tot weigering van vergelijk kan niet beschouwd worden als behorende tot de uitoefening strafvordering om de eenvoudige reden dat er nog geen strafvordering werd ingesteld. De bevoegdheid van Uw Raad om te oordelen over betwistingen inzake de weigering van vergelijk wordt bijgevolg allerminst uitgesloten door de bevoegdheid van de strafrechter om - eens de strafvordering regelmatig aanhangig is gemaakt - uitspraak te doen over de herstelvordering"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets wezenlijks toevoegt aan hetgeen zij reeds heeft uiteengezet; Overwegende dat uit artikel 158, § 1, laatste lid, D.R.O. (thans : artikel 158, laatste lid, D.R.O.) volgt dat, bij gebreke aan definitief geworden vergelijk - thans transactie geheten -, de overtreder in beginsel blootgesteld blijft aan strafrechtelijke vervolging voor de wederrechtelijk uitgevoerde werken of verrichte of voortgezette handelingen of wijzigingen en de overheid bevoegd blijft hieromtrent één van de in artikel 149, § 1, D.R.O. bepaalde herstelmaatregelen te vorderen voor de bevoegde rechter van de rechterlijke orde; dat hieruit volgt dat de weigering tot het verlenen van "het vergelijk", op welk tijdstip dit ook plaatsvindt, hoe dan ook betrekking heeft op de uitoefening van de publieke vordering en op de vervolging van het herstel van het bouwmisdrijf en dus behoort tot de gerechtelijke procedure, zodat alleen de rechter van de rechterlijke orde bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen daaromtrent; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat de omstandigheid dat op het ogenblik van de thans bestreden beslissing, de beslissing inzake het vergelijk een noodzakelijke - doch niet voldoende - voorwaarde was in een administratiefrechtelijke procedure tot het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet volstaat om de Raad van State bevoegd te maken kennis te nemen van betwistingen omtrent deze weigering van vergelijk; dat ook de omstandigheid dat deze weigering van vergelijk een eenzijdige administratieve rechtshandeling zou zijn, uitgaande van een administratieve overheid, op zich niet volstaat om tot de rechtsmacht van de Raad van State te kunnen besluiten; dat het de Raad van State niet toekomt van het beroep tot nietigverklaring X-10.390-7/8 van de weigering van vergelijk kennis te nemen; dat de exceptie van de verwerende partij ten aanzien van de tweede bestreden beslissing gegrond is; dat het beroep ten aanzien van de tweede bestreden beslissing niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.390-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.058 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.