← België

Arrêt / Arrest 132060 - / - 04/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.060 Rolnummer: Zaak: Arrêt / Arrest 132060 - / - 04/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 132.060 van 4 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.060 van 4 juni 2004 A. 107.208/V- 1616 A. 107.210/V- 1617 In zake: GRIJP Rufijn, die woonplaats kiest bij Mr. Marc UYTTENDAELE, advocaat, Kapitein Crespelstraat 2-4 1050 Brussel, tegen:

  1. het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Anderlecht, dat woonplaats kiest bij Mr. François TULKENS, advocaat, Terhulpsesteenweg 177 1170 Brussel,
  2. de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, die woonplaats kiest bij Mr. Philippe LEVERT, advocaat, Louizalaan 149/21 1050 Brussel. Tussenkomende partij: DE MUIJLDER Yves, die woonplaats kiest bij Mr. Eric GILLET en Mr. Patrick THIEL, advocaten, Brand Whitlocklaan 30 1200 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, V - 1616-1617 - 1/8 Gezien het op 9 juli 2001 ingediende verzoekschrift, waarbij Rufijn GRIJP de nietigverklaring vordert van:
  3. de beraadslaging van 22 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht waarbij deze, akte nemend van het besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, houdende schorsing van zijn beraadslaging van 2 april 2001 waarbij Rufijn GRIJP tot voorzitter van de voornoemde raad werd verkozen, zijn beraadslaging van 2 april 2001 intrekt;
  4. het voornoemde besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad (A. 107.208/V-1616); Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij Rufijn GRIJP de nietigverklaring vordert van de beraadslaging van 22 mei 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht, waarbij deze Yves DE MUIJLDER verkiest tot voorzitter van de raad (A. 107.210/V-1617); Gelet op arrest nr. 105.635 van 18 april 2002, waarbij de zaken worden samengevoegd, de tenuitvoerlegging van de genoemde beraadslagingen van 22 mei 2001 wordt geschorst en de vorderingen tot schorsing voor het overige worden afgewezen; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure, op 5 juni 2002 ingediend door de eerste verwerende partij; Gezien de op 31 mei 2002 ingediende verzoekschriften, waarbij Yves DE MUIJLDER vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2002, waarbij die tussenkomsten worden toegestaan; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de uitgewisselde toelichtende memorie en memorie van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomst; V - 1616-1617 - 2/8 Gezien het verslag van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op grond van artikel 12 van de algemene procedureregeling; Gelet op de beschikking van 3 april 2003, waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 20 november 2003 om 14.30 uur, datum waarop zij voor onbepaalde tijd is uitgesteld; Gezien het op 6 november 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij Yves DE MUIJLDER, de tussenkomende partij, de wraking vordert van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, en van de heren P. LIENARDY en L. HELLIN, staatsraden; Gelet op artikel 29 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op de artikelen 61 tot 65 van de algemene procedureregeling; Gezien de nota met opmerkingen van de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, en van de heren P. LIENARDY en L. HELLIN, staatsraden, aangaande het verzoekschrift tot wraking; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004, waarvan aan de betrokkenen kennis is gegeven en waarbij deze worden opgeroepen om te verschijnen op 30 maart 2004 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van de heer R. ANDERSEN, voorzitter van de Raad van State; Gehoord de opmerkingen van Mr. P. BOUCQUEY, loco Mr. P. THIEL, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; V - 1616-1617 - 3/8 Gehoord het eensluidend advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Ve kamer van de Raad van State, bestaande uit de heer J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, de heer P. LIENARDY, staatsraad, en de heer L. HELLIN, staatsraad, die in de schorsingsprocedure uitspraak deed, nadat ze geoordeeld had dat de drie onderdelen van het enig middel ernstig waren en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen verzoeker Rufijn GRIJP daadwerkelijk zou behoeden voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, in haar arrest nr. 105.635 van 18 april 2002 besloten heeft tot schorsing van: - de beraadslaging gehouden op 22 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht waarbij deze, akte nemend van het besluit van 11 mei 2001 van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, houdende schorsing van de beraadslaging van deze raad waarbij Rufijn GRIJP tot voorzitter van de voornoemde raad werd verkozen, zijn beslissing van 2 april 2001 intrekt; - de beraadslaging gehouden op 22 mei 2001 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht, waarbij deze Yves DE MUIJLDER verkiest tot voorzitter, en de vorderingen tot schorsing voor het overige heeft verworpen; Overwegende dat de tussenkomende partij, Yves DE MUIJLDER, nadat deze kennis genomen had van de beschikking d.d. 4 november 2003, waarbij wordt bepaald dat de zaken die geleid hebben tot het genoemd arrest, voorkomen bij de Ve kamer, die zitting heeft in dezelfde samenstelling, een verzoekschrift tot wraking van de rechters heeft ingediend; dat ze ter adstructie van die vordering een enig middel aanvoert, ontleend aan schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van artikel 63 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State en van de algemene rechtsbeginselen, en in het bijzonder van het algemeen beginsel van onpartijdigheid en eerbiediging van de rechten van verdediging; dat de tussenkomende partij, die zich hoofdzakelijk baseert op arrest nr. 91.644 van 14 december 2000 en op een bepaalde rechtsleer, in de uiteenzetting van dat middel onder meer aanvoert dat, gezien de specifieke omstandigheden van de zaak, de vrees van de tussenkomende partij aangemerkt moet V - 1616-1617 - 4/8 worden als objectief verantwoord, voorzover de Ve kamer, in de samenstelling zoals die was, tegen het advies in van het lid van het auditoraat dat belast was met de zaak, geoordeeld heeft dat de drie onderdelen van het enig middel ernstig waren, wat erop wijst dat ze een eigen vaste overtuiging heeft, en waarbij ervan uitgegaan kan worden dat ze, wanneer ze in dezelfde samenstelling zitting houdt over de grond van de zaak, niet van mening zal veranderen; dat de tussenkomende partij daaruit afleidt dat er een vermoeden bestaat, niet alleen van objectieve, maar ook van zeer sterke subjectieve partijdigheid; dat de tussenkomende partij, als antwoord op de bezwaren opgeworpen door het lid van het auditoraat omtrent de toepassing van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op het onderhavig geval, schrijft dat het haar niet duidelijk is in welk opzicht het feit dat veeleer een uitspraak wordt gedaan over de gegrondheid van subjectieve rechten dan over de objectieve wettigheid van een bestuurshandeling, ook maar iets verandert aan de toepassing van het beginsel van objectieve onpartijdigheid of aangaande de bevooroordeeldheid met betrekking tot de afloop van een bodemprocedure; wat betreft de rechtspraak van het Hof van Cassatie, luidens welke, schending van het onpartijdigheidsbeginsel niet aangevoerd kan worden als grond voor wraking wanneer deze gronden limitatief zijn opgesomd in de wet, een rechtspraak die is aangehaald door het lid van het auditoraat belast met de zaak, werpt de tussenkomende partij op dat die rechtspraak niet als zodanig van toepassing is op de procedure bij de Raad van State, maar slechts eigen is aan de gerechtelijke procedure die verschillende graden van aanleg omvat. Overwegende dat er grond is om meteen het middel af te wijzen voorzover het steunt op schending van artikel 63 van de algemene procedureregeling, aangezien die bepaling ten onrechte wordt aangevoerd, daar ze slechts een procedureregel bevat waarvan de schending enkel de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot wraking tot gevolg zou hebben; dat de tussenkomende partij wellicht doelde op artikel 62, eerste lid, van dezelfde regeling, luidens hetwelk "de leden van de afdeling administratie (...) gewraakt (kunnen) worden in het geval voorzien bij voorgaand artikel (artikel 61, dat bepaalt dat de leden van diezelfde afdeling (...) geen kennis (mogen) nemen van de aanvragen tot nietigverklaring van een verordenende handeling, wanneer zij over de tekst ervan advies hebben uitgebracht als leden van de afdeling wetgeving) alsmede om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven"; dat de advocaat van de tussenkomende partij in zijn pleidooi trouwens artikel 828, 9/, heeft aangevoerd, dat als wrakingsgrond het geval vermeldt waarin de rechter die omtrent de zaak V - 1616-1617 - 5/8 geadieerd is daarvan voordien kennis heeft genomen als rechter, buiten de drie gevallen die daarin worden opgesomd; dat die wrakingsgrond niets te maken heeft met het geval waarin de rechter die voorlopige maatregelen heeft uitgesproken, vervolgens uitspraak doet ten gronde; dat zulks onder meer het geval is wanneer de staatsraad of staatsraden die, zoals in casu, kennis hebben genomen van een vordering tot schorsing of van andere voorlopige maatregelen, vervolgens uitspraak moeten doen over het beroep tot nietigverklaring; dat zulks te verklaren valt niet alleen doordat het voorwerp van de vordering verschillend is, maar ook en vooral doordat de Raad van State, wanneer hij ten gronde uitspraak doet, geenszins gebonden is door de uitspraak die bij voorraad is gedaan; dat, in het bijzonder, de begrippen ernstig middel en gegrond middel geenszins samenvallen, aangezien een middel dat bij voorraad als ernstig wordt beschouwd, vervolgens als niet-gegrond kan worden beschouwd, net zoals een middel dat niet-ernstig is bevonden, nadien gegrond kan worden verklaard; dat dit te maken heeft met de bijzondere aard van het kort geding, waarbij het voor de rechter zaak is dringend en rekening houdend met de stand van zaken op dat ogenblik, dat wil zeggen op basis van vaak onvolledige informatie waarover hij op dat moment beschikt en soms zelfs uitzonderlijk zonder debat op tegenspraak, maatregelen te nemen die voorlopig zijn in deze zin dat ze de bodemrechter geenszins binden; dat die maatregelen ook voorlopig zijn in de zin dat ze geen uitwerking meer hebben indien er geen beroep tot nietigverklaring is, en in ieder geval zodra over laatstgenoemd beroep uitspraak is gedaan; dat bij de artikelen 17 en 18 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, helemaal geen extra wrakingsgrond wordt ingevoerd in zulk geval, maar in principe de magistraten die zetelden bij het onderzoek van de vordering tot schorsing, de mogelijkheid geboden wordt tevens zitting te hebben in de bodemprocedure; dat, zoals het Arbitragehof heeft opgemerkt "de wetgever (...) bij de uitwerking van de ter beoordeling staande regelgeving een juist evenwicht (heeft) ingesteld tussen, enerzijds, de eisen van effectieve rechtsbescherming, om tot een snelle beslissing te komen over een vordering tot schorsing en, in geval van schorsing, over het beroep tot vernietiging, zonder daarbij de belangen van de verwerende en de tussenkomende partij over het hoofd te zien, en, anderzijds, de efficiënte werking van de afdeling administratie van de Raad van State, om te vermijden dat in de onderscheiden fases van eenzelfde procedure het dossier telkens door andere staatsraden en andere auditeurs zou moeten worden onderzocht, behoudens in het bijzondere geval vermeld in artikel 17,§ 1, vierde lid." (Arbitragehof arresten nr. 17/99 van 10 februari 1999 en nr. 48/99 van 20 april 1999); dat artikel 6.
  5. van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voorzover het meer bepaald V - 1616-1617 - 6/8 de waarborg biedt van een onpartijdige rechter, in casu niet van toepassing is, aangezien er geen sprake is van een geschil betreffende burgerlijke rechten en verplichtingen of van een strafvervolging; dat bovendien niet op basis van het algemene onpartijdigheidsbeginsel nieuwe wrakingsgronden kunnen worden toegevoegd aan de gronden die limitatief in de wet zijn opgesomd en die in enge zin moeten worden uitgelegd; dat er in ieder geval geen enkele reden is om eraan te twijfelen dat de staatsraden die zich hebben uitgesproken over de vordering tot schorsing, niet onpartijdig zijn bij het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring; dat de tussenkomende partij nooit heeft beweerd dat de magistraten die in de schorsingsprocedure zetelden, zouden hebben vertoond of zaken zouden hebben gezegd die bij hem ook maar enigszins de vrees hebben kunnen doen ontstaan dat ze nu reeds een standpunt hebben ingenomen omtrent de afwikkeling van het beroep tot nietigverklaring; dat de enige omstandigheid die de tussenkomende partij heeft aangevoerd, namelijk dat zij de voorlopige maatregelen bevolen hebben op andersluidend advies van de auditeur, voortvloeit uit een misvatting vanwege de tussenkomende partij omtrent de ware aard van de schorsingsprocedure en het specifieke karakter ervan ten opzichte van de nietigverklaringsprocedure, alsook omtrent de rol van de auditeur in de rechtspleging vóór de afdeling Administratie van de Raad van State; dat de vrees van de tussenkomende partij des te minder gegrond is daar, zoals ook is overwogen door het Arbitragehof in de genoemde arresten, de staatsraden "zich niet dienen uit te spreken over de gegrondheid van subjectieve rechten, maar over de gegrondheid van beweringen waarbij de objectieve wettigheid van een administratieve akte wordt betwist"; dat het onpartijdigheidsbeginsel met mate en gezond verstand moet worden toegepast; dat wanneer het, zoals in casu, tot het uiterste wordt gedreven, zulks het nadelige gevolg heeft de duur van processen te verlengen en het bijgevolg nog moeilijker maakt voor de Raad van State het even belangrijke beginsel van de redelijke termijn te eerbiedigen; dat uit het bovenstaande volgt dat de vordering tot wraking niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot wraking wordt afgewezen. Artikel
  7. V - 1616-1617 - 7/8 De rechtspleging zal worden voortgezet door de Ve kamer in dezelfde samenstelling als die waarin ze uitspraak heeft gedaan in kort geding. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op vier juni tweeduizend vier, door: de HH. R. ANDERSEN, voorzitter van de Raad van State, D. MOONS, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1616-1617 - 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.