← België

Arrest 132066 - - 07/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.066 Rolnummer: A. 98801/IX-2688 Zaak: Arrest 132066 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.066 van 7 juni 2004 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.066 van 7 juni 2004 in de zaak A. 98.801/IX-

  1. In zake : Rob CROONENBORGHS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rob CROONENBORGHS op 27 december 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 3 september 2000 waarbij hij met ingang van 27 september 2000 wordt benoemd in de graad van onderluitenant-beroepsofficier met terugwerkende kracht inzake anciënniteit voor de bevordering op 27 september 1997; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-2688-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 17 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GRIEKEN, die verschijnt voor verzoeker, en van majoor militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Op 16 augustus 1995 gaat verzoeker in het kader van een normale werving een dienstneming aan voor de duur van vijf jaar als kandidaat-beroepsofficier bij de luchtmacht. Op 27 september 1997 wordt hij aangesteld in de graad van onderluitenant. 1.
  4. Op 16 augustus 2000 vraagt kolonel van het vliegwezen EGGERMONT aan verzoeker een akte van wederdienstneming te ondertekenen voor de duur van één jaar, met ingang van 17 augustus
  5. Verzoeker weigert dit. Dezelfde dag wordt aan verzoeker een e-mail voorgelegd van kolonel BENOIT (VS 1/Pers) aan kolonel EGGERMONT, waarin wordt uiteengezet IX-2688-2/7 dat een wederdienstneming niet noodzakelijk is en dat, aangezien verzoeker geslaagd is voor de vorming, hij de voorwaarden vervult om benoemd te worden. 1.
  6. Van 21 augustus 2000 tot 10 september 2000 is verzoeker met verlof. Op 11 september 2000 keert hij niet terug uit verlof en wordt hij als onwettig afwezig gemeld. Op 12 september 2000 wordt hij als "achterwege" beschouwd en vanaf 27 september 2000 als deserteur. 1.
  7. Bij koninklijk besluit nr. 3026 van 3 september 2000 wordt verzoeker op 27 september 2000 benoemd tot de graad van onderluitenant beroepsofficier, met terugwerking inzake anciënniteit voor de bevordering op 27 september 1997, en in het korps van het niet-varend personeel ingeschreven. Dit besluit vormt het voorwerp van het onderhavige beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker van oordeel is dat, aangezien hij geen akte van wederdienstneming heeft ondertekend, hij sinds 17 augustus 2000 niet meer de hoedanigheid heeft van kandidaat-militair van het actief kader, zodat hij vanaf dat ogenblik niet meer in aanmerking kwam voor enige benoeming of aanstelling binnen de Krijgsmacht; dat hij zijn belang bij het beroep ziet in de vernietiging van een beslissing die hem tegen zijn wil de hoedanigheid van militair van het actief kader toekent; 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het belang van verzoeker onder meer hierom betwist dat hij, door de ondertekening van een dienstneming als kandidaat-beroepsofficier, expliciet de intentie heeft geuit om na zijn vorming benoemd te worden tot onderluitenant en om opgenomen te worden in het kader van de beroepsofficieren, zonder dat hij ooit een voorbehoud geformuleerd heeft bij zijn indienstneming; dat zij daaraan toevoegt dat verzoeker op kosten van de krijgsmacht en de belastingbetaler het diploma van industrieel ingenieur behaald heeft en dat de benoeming tot onderluitenant een IX-2688-3/7 beslissing is die hem voordelig is; dat zij verwijst naar het arrest nr. 88.043 van 19 juni 2000 inzake FRANCOIS; 2.
  10. Overwegende dat verzoeker daar in zijn memorie van weder- antwoord, in een algemene bemerking, op antwoordt dat niemand tegen zijn wil mag benoemd worden en dat elke beperking aan de individuele vrijheid restrictief beoordeeld moet worden; dat hij vervolgens met betrekking tot zijn concreet dossier stelt dat zijn dienstneming in de Krijgsmacht op 16 augustus 2000 eindigde, dat hij die dag geweigerd heeft een nieuwe dienstneming van één jaar te ondertekenen en dat hij bijgevolg belang heeft om de handeling te bestrijden die hem ten onrechte de hoedanigheid van militair toekent en hem een benoeming verleent; dat hij zijn situatie niet vergelijkbaar acht met de zaak FRANCOIS, aangezien die officier een dienstneming van onbepaalde duur had ondertekend, voor de duur van zijn vorming tot aan zijn benoeming tot onderluitenant, en aangezien de bestreden beslissing in dat geval genomen werd tijdens de duur van zijn dienstneming; 2.
  11. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag verwijst naar artikel 2, 1/, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader en naar artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 betreffende de dienstnemingen en wederdienst- nemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader en dat hij vaststelt dat verzoeker een dienstverbintenis voor de duur van vijf jaar, ingaande op 16 augustus 1995, heeft ondertekend; dat naar zijn oordeel verzoeker door het aangaan van die dienstverbintenis “uit vrije wil ermee ingestemd heeft om, na de beëindiging van de vorming, in het kader van de beroepsofficieren te worden opgenomen” zodat hij het rechtens vereiste belang ontbeert om de vernietiging te vorderen van het besluit waarbij hij wordt benoemd in de graad van onderluitenant-beroepsofficier; dat hij daaraan toevoegt dat, in geval aangenomen zou worden dat de dienstverbintenis van verzoeker op 16 augustus 2000 afliep, daaruit mogelijk besloten zou kunnen worden dat het benoemingsbesluit laattijdig getroffen is, maar niet dat verzoeker belang heeft bij de vernietiging ervan, aangezien dat besluit hem precies datgene geeft waarvoor hij door zijn dienstneming gesolliciteerd heeft; IX-2688-4/7 2.
  12. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de conclusie van de auditeur-verslaggever betwist; dat hij betoogt wat volgt: de exceptie “loopt vooruit op het onderzoek van de grond van de zaak waarin verzoeker uiteenzet waarom hij niet tegen zijn wil kon benoemd worden na afloop van zijn wederdienst- neming”; de verbintenis waarvan artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 gewag maakt heeft betrekking op een periode van vijf jaar en op het einde daarvan was het aan hem om een wederdienstneming aan te gaan, hetgeen hem gevraagd is maar wat hij geweigerd heeft; de verplichting om, na de aanvaarding als kandidaat, ook een benoeming te aanvaarden staat haaks op artikel 12 van de Grondwet en vergt een duidelijke wettekst die er niet is; de wet van 21 december 1990 voorziet in de mogelijkheid om, op aanvraag, een verbreking van de dienstver- bintenis te verkrijgen en het is dan ook logisch dat met het aflopen van de dienstne- ming een einde komt aan de hoedanigheid van militair; Overwegende dat verzoeker tenslotte ook nog wijst op de totstandkoming van de wet van 27 maart 2003 betreffende de werving van de militairen en het statuut van de militaire muzikanten en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het personeel van landsverdediging -die posterieur is aan de besluitvorming in zijn zaak-, waarin precies een regeling uitgewerkt is voor de gevallen waarin de kandidaat weigert een wederdienstneming te ondertekenen; 2.5.
  13. Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel onder meer betoogt dat hij, door niet in te gaan op de vraag om met ingang van 17 augustus 2000 een wederdienstneming te ondertekenen, sinds die dag “niet meer de hoedanigheid van militair heeft” en geen kandidaat-beroepsmilitair meer is, zodat hij van dan af niet meer in aanmerking kon komen voor enige benoeming of aanstelling binnen de Krijgsmacht, met het gevolg dat zijn latere benoeming tot onderluitenant -de bestreden beslissing- artikel 21, § 5, van de wet van 21 december 1990 en artikel 100 van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen, miskent; dat hij in datzelfde middel ook betoogt dat de periode van vijf jaar, waarvan in zijn dienstverbintenis melding wordt gemaakt, betrekking heeft op vijf “volle jaren” -kalenderjaren- zodat de door de verwerende IX-2688-5/7 partij aangehouden interpretatie ervan als vijf “vormingsjaren”, die haar toeliet verzoeker ook na 17 augustus 2000 nog als kandidaat-militair te beschouwen, een schending inhoudt van artikel 2, 8/, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 en de artikelen 6 tot 8 van het koninklijk besluit van 13 november 1991; 2.5.
  14. Overwegende dat verzoeker daarmee de vraag aan de orde stelt naar het verband tussen de dienstverbintenis en het verloop van de militaire carrière van de betrokkene; dat verzoeker zich op het standpunt plaatst dat, volgens de op zijn geval toepasselijke regelgeving, het aflopen van de dienstverbintenis, vijf kalenderjaren na het aangaan ervan, de juridische band tussen hemzelf en het bestuur verbreekt, terwijl volgens de verwerende partij het aflopen van de termijn van vijf jaar, die in de dienstverbintenis is voorzien, niet inhoudt dat de betrokkene de hoedanigheid van militair verliest aangezien de dienstverbintenis wordt aangegaan voor de duur van de vorming, dit is tot zijn opname in de categorie van de beroepsofficieren; dat het bijvallen van de stelling van verzoeker ten aanzien van dat middel inhoudt dat hij sinds 17 augustus 2000 geen juridische band met de Krijgsmacht meer heeft, zodat het bestreden besluit waarbij hij met ingang van 27 september 2000 tot onderluitenant benoemd wordt, dan geen voorwerp heeft en zonder materiële rechtskracht is; 2.5.
  15. Overwegende, aldus, dat de uitspraak over de hier besproken exceptie een onderzoek van het eerste middel vooronderstelt; dat in die zin de exceptie samenhangt met de grond van de zaak; dat aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot de bespreking van de exceptie, het onderzoek van de zaak voortgezet dient te worden;
  16. Overwegende bovendien, dat ter terechtzitting de verwerende partij opmerkt dat verzoeker in de loop van het geding teruggezet is tot de graad van soldaat; dat dit feit een weerslag kan hebben op de actuele ontvankelijkheid van het beroep; dat ook op dat vlak het onderzoek van de zaak voortgezet dient te worden, IX-2688-6/7 BESLUIT: Artikel
  17. De debatten worden heropend. Artikel
  18. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt ermede belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2688-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.066 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.