← België

Arrest 132070 - - 07/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.070 Rolnummer: Zaak: Arrest 132070 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.070 van 7 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.070 van 7 juni 2004 in de zaken A. 85.924/IX-1973 86.051/IX-

  1. In zake : I. + II. Marc CLAERHOUT, die woonplaats kiest bij advocaat P. BRONDEL, kantoor houdende te BRUGGE, Ter Pannestraat 1 tegen : I. + II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. tussenkomende partij in de zaak A. 85.924/IX-1973 : Frank DEBROCK, wonende te OOSTENDE, Kasteelstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc CLAERHOUT op 4 augustus 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de administratieve beslissing van het Algemeen Commando van de Rijkswacht houdende de mutatie van majoor F. DEBROCK naar het district Kortrijk, als Directeur Personeel en Logistiek (DPL) voor het District Kortrijk, met ingang van 1 september 1999" (de zaak 85.924/IX-1973); IX-1973-1/11 Gezien het verzoekschrift dat Marc CLAERHOUT op 12 augustus 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de administratieve beslissing van het Algemeen Commando van de Rijkswacht houdende de mutatie van kapitein-commandant M. CLAERHOUT als Directeur Personeel en Logistiek voor het district Kortrijk, naar DGS-DST/DTT-C met ingang van 1 september 1999" (de zaak 86.051/IX-1971); Gelet op het arrest nr. 83.843 van 6 december 1999 waarbij de zaken nrs. A. 85.924/IX-1973 en A. 86.051/IX-1971 worden gevoegd en waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 22 februari 2000 door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 maart 2000 (in de zaak A. 85.924/IX-1973); Gelet op de beschikking van 18 april 2000 die de tussenkomst van Frank DEBROCK toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 25 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1973-2/11 Gelet op de beschikking van 31 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 17 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. BRONDEL, die verschijnt voor verzoeker, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Verzoeker treedt op 29 augustus 1987 in dienst bij de Rijkswacht. Op 26 september 1994 wordt hij benoemd in de graad van kapitein-commandant. 1.
  6. Op 2 september 1996 wordt verzoeker directeur personeel en logistiek van het district Kortrijk. 1.
  7. Met het dagelijks order nr. 5 van 8 februari 1999 wordt aan de officieren meegedeeld dat, onder meer, de bediening van directeur personeel en logistiek in het district Kortrijk vacant is of eerlang zal worden en dat zij te begeven is door een hoofdofficier. Met hetzelfde order wordt tevens meegedeeld dat drie bedieningen bij de Algemene Directie van de Operationele Steun - Hoofddirectie van de Telematica (DGS/HDT) vacant zijn of eerlang zullen worden, te begeven door officieren met uitzondering van hoofdofficieren of kandidaat-officieren. IX-1973-3/11 1.
  8. Op 1 maart 1999 richt verzoeker een model B aan de directeur- generaal van het personeel waarin hij zijn ongenoegen uit over het vacant verklaren van zijn bediening van directeur personeel en logistiek in het district Kortrijk, waarin hij "het voornemen (ziet) hem uit deze functie te ontzetten". Hij voert onder meer aan dat de organieke tabellen niet voorzien dat de functie van de directeur personeel en logistiek te Kortrijk vacant wordt gesteld voor of dat zij wordt ingenomen door een hoofdofficier in plaats van een officier (zoals verzoeker) en dat hij niet de motivering kent voor deze afwijking. Verzoeker stelt dat de vacature hem morele en/of materiële schade toebrengt. Op 5 maart 1999 brengt de commandant van het district Kortrijk "gunstig" advies uit op het model B. In een bijlage schrijft de districtscommandant echter "dat het voor zowel de betrokken officier als voor het district beter zou zijn indien hun wegen nu scheiden". Op 8 maart 1999 dient verzoeker een verweerschrift in. Hij stelt daarin niet bereid te zijn zijn functie vrijwillig op te geven maar wel constructief te willen zoeken naar een oplossing. 1.
  9. Met het Bulletin van het Personeel nr. 12 van 9 juni 1999 wordt bekendgemaakt dat majoor F. DEBROCK, permanentieofficier DGO/DOCC, muteert naar de bediening van directeur personeel en logistiek in het district Kortrijk met uitwerking op 1 september
  10. Dit is de bestreden handeling in de eerste zaak (A. 85.924/IX-1973). 1.
  11. Bij aangetekend schrijven van 2 juli 1999 deelt verzoeker aan de commandant van de Rijkswacht zijn ongenoegen mee met betrekking tot "de impliciete beëindiging van (z)ijn functie als Directeur DPL Dist Kortrijk per 1.9.1999" en het door de administratie geformuleerde voorstel om verzoeker te IX-1973-4/11 muteren naar de Hoofddirectie van de Telematica. Hij vraagt om mededeling van de motieven die "finiaal geresulteerd hebben in de beslissing van 9 juni 1999". Op 12 juli 1999 antwoordt de directeur-generaal van het personeel als volgt : "ONDERWERP: Aanwijzing van Maj DEBROCK als Dir DPL Dist KORT- RIJK. Referentie : Uw brief van 02-07-
  12. Hieronder vindt u de bij uw brief in referte gevraagde motieven. In het raam van de hervorming van de politiediensten worden verscheidene domeinen waaronder het informatica- en telematicagebeuren als cruciaal aanzien met het oog op de integratie. Alle politiekorpsen moeten hun volle medewerking verlenen aan het tot stand brengen van de noodzakelijke aanpassingen inzake informatica en telematica. Gelet op het gering aantal specialisten waarover de rijkswacht thans beschikt, moet er noodzakelijkerwijze ook een beroep worden gedaan op officieren die in het verleden bij DGS/HDT werden tewerkgesteld. Uw aanwijzing voor DGS/HDT zal u bovendien de kans geven u opnieuw te kunnen inzetten op een voor u vertrouwd gebied. Daarenboven past de inplaatstelling van een HOffr in de functie van DPL Dist in de door het algemeen Comdo vooropgestelde doelstelling." 1.
  13. Met het Bulletin van het Personeel nr. 15 van 19 juli 1999 wordt bekendgemaakt dat verzoeker muteert naar de bediening van directeur bij de Hoofddirectie van de Telematica (DGS-DST/DTT-C) met uitwerking op 1 september
  14. Dit is de bestreden handeling in de tweede zaak (A. 86.051/IX-1971); 2.
  15. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij vragen dat het verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging uit de debatten geweerd zou worden "in de mate dat het meer bevat dan een verzoek tot voortzetting van de procedure"; IX-1973-5/11 2.
  16. Overwegende dat niet betwist wordt dat verzoeker rechtsgeldig om de voortzetting van de procedure heeft gevraagd nadat zijn vordering tot schorsing was verworpen; dat, zo blijkens het procedurereglement een vraag tot voortzetting niet gemotiveerd moet zijn, zulks zeker niet inhoudt dat de argumentatie die in dergelijk verzoekschrift wordt gegeven en de bewijsgegevens die ermee worden overgelegd, buiten de debatten gehouden dienen te worden wanneer die uiteen- zetting, zoals verzoeker het in zijn memorie van wederantwoord stelt, erop neerkomt dat hij "in een geest van loyale tegensprekelijkheid, met het oog op de juiste weergave van de feiten en met respect voor de rechten van de verdediging", antwoordt op de argumenten die de verwerende partij in haar nota met opmerkingen had uiteengezet op het vlak van de ontvankelijkheid van de beroepen en de gegrondheid van de middelen; dat, aangezien dergelijke verduidelijking de tegenspraak alleen maar ten goede komt, de verwerende partij er geen enkel belang bij heeft de bijkomende uiteenzetting van verzoeker uit de debatten geweerd te zien; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partij betogen dat, in beginsel, de mutatie van een rijkswachter, als een maatregel van inwendige orde, niet met een annulatieberoep bestreden kan worden en dat, in dit geval, de voorwaarden om van dit beginsel af te wijken niet vervuld zijn, aangezien de mutaties van F. DEBROCK en van verzoeker geen verdoken tuchtmaatregel vormen, aangezien zij geen weerslag hebben op de wijze waarop verzoeker zijn functie moet vervullen en zij zijn rechtstoestand niet op nadelige wijze veranderen en aangezien, in rijkswachtverband, mutaties die gestoeld zijn op de noodwendigheden van de dienst, niet door statutaire bepalingen geregeld zijn; 3.
  18. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de bestreden beslissingen rechtsgevolgen hebben doen ontstaan en zijn statuut en prerogatieven gewijzigd hebben, aangezien hij niet meer de functie van directeur personeel en logistiek (DPL) vervult, maar nog slechts de leiding heeft over een afdeling van een directie zonder de prerogatieven van een directeur -evaluaties met het oog op bevorderingen- te bezitten en aangezien de wijziging in strijd is met de "organieke tabellen", waarin niet is bepaald dat de functie DPL te Kortrijk door IX-1973-6/11 een hoofdofficier bezet moet worden en waarin de functie die verzoeker in Elsene toegewezen is niet voorzien is; dat hij ook stelt dat de bestreden beslissingen geen ordemaatregelen zijn die het belang van de dienst beogen, aangezien geen dienstnoo- dwendigheden aangetoond worden, terwijl integendeel uit de gegevens van de zaak -inzonderheid de bewoordingen die de districtscommandant in de weerlegging van zijn verweerschrift tegen de openstelling van de functie van personeelsdirecteur te Kortrijk heeft gebruikt en de omstandigheid dat hem nooit een antwoord is gegeven op zijn vraag waarom de functie van directeur van het personeel te Kortrijk nu plots door een hoofdofficier diende uitgeoefend te worden- blijkt dat het werkelijk motief dat de verwerende partij geleid heeft erin bestaat hem, buiten een tuchtprocedure om, een sanctie op te leggen; 3.
  19. Overwegende dat met de bestreden beslissingen een einde wordt gesteld aan de functie van verzoeker als DPL van het rijkswachtdistrict Kortrijk -de stad waar verzoeker ook woonachtig is- en dat hij naar de hoofddirectie van de Telematica in Elsene gemuteerd wordt; dat dergelijke wijziging aan zijn opdrachten, waarmee overigens een wijziging van zijn standplaats gepaard gaat, een weerslag heeft op de wijze waarop verzoeker zijn functie als rijkswachtofficier moet vervullen, wat van die beslissingen een griefhoudende handeling maakt die met een annulatiebe- roep bestreden kan worden; dat, overigens, verzoeker aanvoert dat zijn mutatie in wezen een tuchtmaatregel betreft en dat hij te dien aanzien een middel ontwikkelt; dat de exceptie niet gegrond is; 4.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie het actueel belang van verzoeker betwist; dat zij betoogt dat een ambtenaar die een mutatie bij ordemaatregel bestrijdt, zijn belang verliest "indien nadien blijkt dat de verzoeker in de loop van het geding -op eigen verzoek- opnieuw is gemuteerd, waarbij deze laatste mutatie intussen definitief is geworden" en dat verzoeker "op eigen verzoek gemuteerd (is) naar de plaats van diensthoofd DSO/LO op 28 januari 2002 (zodat hij) zijn belang om de mutatie naar DGS-DST/DTT-C te bestrijden (verloren heeft)"; IX-1973-7/11 4.
  21. Overwegende dat verzoeker daartegen inbrengt dat de door de verwerende partij voorgelegde stukken waaruit zou moeten blijken dat hij uit eigen beweging een mutatie zou aangevraagd hebben, betrekking hebben op een bediening die enkel "bij (wege van) afdeling is aangeboden (bij) de toekomstige politiecel op het ministerie van Justitie" waarvoor zijn kandidatuur overigens nooit in overweging is genomen, terwijl de mutatie waarnaar de verwerende partij voort verwijst slaat op zijn herplaatsing naar de functie van "hoofd van de dienst verbindingsofficieren", waarmee hij wel ingestemd heeft maar waar hij nooit zelf om gevraagd heeft en die derhalve zijn belang niet aangetast heeft, aangezien zij hem niet hersteld heeft in zijn prerogatieven van directeur, noch in zijn tewerkstelling te Kortrijk; 4.
  22. Overwegende dat uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat verzoeker sinds 28 januari 2002 herplaatst is naar de functie van dienstchef DSO/LO; dat de verwerende partij ter terechtzitting erkent dat die herplaatsing niet steunt op een eigen aanvraag van verzoeker; dat daarin dan ook het bewijs niet kan gevonden worden dat verzoeker geen actueel belang meer zou hebben bij zijn beroepen; 5.
  23. Overwegende, wat betreft het beroep tegen de beslissing om de tussenkomende partij naar het district Kortrijk te muteren, dat verzoeker in het eerste middel, eerste onderdeel, aanvoert dat deze beslissing in strijd is met "de organieke tabellen van het ministerie van Binnenlandse Zaken (protocol nr. 39/3 d.d. 25.2.97, tot stand gekomen ingevolge onderhandeling)"; dat hij betoogt dat de organieke tabellen voor de functie van DPL te Kortrijk voorschrijven dat zij ingevuld wordt door een officier, terwijl de verwerende partij in dit geval de functie opengesteld heeft voor een hoger officier en er ook een hoger officier -majoor DEBROCK- in heeft aangesteld of dat zij minstens niet aangeeft waarom zij van de organieke tabellen diende af te wijken; 5.
  24. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 27 september 1963 tot vaststelling van de bevoegdheden van de commandant van de rijkswacht, dat genomen is ter uitvoering IX-1973-8/11 van artikel 70 van de wet van 2 december 1957 op de rijkswacht, de commandant van de rijkswacht tegenover de minister verantwoordelijk stelt voor de administratie- ve maatregelen inzake het personeel; dat uit die regeling volgens haar volgt dat de commandant van de rijkswacht onder het gezag van de minister verantwoordelijk is voor de dienstaanwijzingen en de overplaatsingen die voor het vervullen van de taken van de rijkswacht nodig zijn en dat de commandant bijgevolg kan afwijken van de organieke tabellen mits verantwoording af te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken; 5.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, met verwijzing naar het arrest nr. 25.741 van 17 oktober 1985 inzake de vzw NATIONAAL SYNDICAAT VAN HET RIJKSWACHTPERSONEEL, aanstipt dat "de organieke tabellen van de rijkswacht geen loutere maatregelen van inwendige orde zijn" en dat die tabellen "niet zomaar éénzijdig en willekeurig gewijzigd kunnen worden"; 5.4.
  26. Overwegende dat het middel steunt op de schending van de bepalingen van de organieke tabellen die op 17 februari 1997 in het onderhandelings- comité van het rijkswachtpersoneel besproken zijn; dat die tabellen, zoals zij door verzoeker worden voorgelegd, voor het district Kortrijk/DPL -code 205 2413 3239600- voorzien in "1 OFF", met functiecode 081275 en benaming "directeur DPL"; dat de verwerende partij niet betwist dat deze onderhandelde tekst opgenomen is in de organieke tabellen waarin de gedetailleerde getalsterkte van de eenheden en diensten van de rijkswacht, met opgave van de rangen van de titularissen van de verschillende functies, wordt geregeld; dat die organisatietabellen het karakter hebben van een reglement, opgesteld ter uitvoering van artikel 9 van de wet van 1957 waarvan het tweede lid "de nadere inrichting van de eenheden en de diensten" opdraagt aan de minister van Binnenlandse Zaken of aan de rijkswachtoverheid die hij aanwijst; dat de rijkswachtoverheid derhalve verplicht is bij het toewijzen van betrekkingen aan de personeelsleden, de bepalingen van die organieke tabellen, als een element van het statuut van het rijkswachtpersoneel, na te leven; IX-1973-9/11 5.4.
  27. Overwegende dat in dit geval de betrekking van DPL te Kortrijk vacant verklaard is voor een hoofdofficier en dat er uiteindelijk ook een hoofdofficier -de tussenkomende partij- voor is aangewezen; dat de verwerende partij daarmee haar eigen reglement, dat voorzag in een betrekking voor een officier, geschonden heeft; dat het middel gegrond is;
  28. Overwegende dat, naar blijkt uit de stukken van het dossier, de met het tweede beroep bestreden beslissing -de mutatie van verzoeker naar de dienst DGS-DST/DTT-C- haar grondslag vindt in het door de rijkswachtoverheid ingenomen standpunt dat de functie van DPL op het niveau van het district Kortrijk diende vervuld te worden door een hoofdofficier; dat de onwettigheid van dat standpunt dan ook, los van de vraag of die beslissing op zich de toets van de wettigheid kan doorstaan, de onwettigheid met zich brengt van het besluit waarbij verzoeker wordt gemuteerd, BESLUIT: Artikel
  29. Vernietigd wordt het op 9 juni 1999 bekendgemaakt besluit van het algemeen commando van de rijkswacht waarbij Frank DEBROCK wordt gemuteerd naar de functie DPL van het district Kortrijk. Vernietigd wordt het op 19 juli 1999 bekendgemaakt besluit van het algemeen commando van de rijkswacht waarbij Marc CLAERHOUT wordt gemuteerd naar de functie van directeur bij de hoofddirectie van de Telematica. Artikel
  30. De kosten van de vorderingen tot schorsing en van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1973-10/11 De kosten van de tussenkomst, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1973-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.070 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.