← België

Arrest 132073 - - 07/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.073 Rolnummer: A. 80126/IX-1436 Zaak: Arrest 132073 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.073 van 7 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.073 van 7 juni 2004 in de zaak A. 80.126/IX-

  1. In zake : Emmanuel VERMEYLEN, die woonplaats kiest bij advocaat L. DECEUNINCK, kantoor houdende te GENT, Rooigemlaan 422 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat S. OSSIEUR, kantoor houdende te DESTELBERGEN, Zandrede
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emmanuel VERMEYLEN op 3 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing genomen op 7 mei 1998 door de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken waardoor zijn memorie van 23 november 1997 op een lager bedrag wordt vastgesteld dan door hem begroot; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1436-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. DECEUNINCK, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. OSSIEUR, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker werd bij vonnis van de politierechtbank te Gent van 18 september 1996 aangesteld als gerechtsdeskundige. 1.
  5. Op 24 november 1997 legt verzoeker zijn deskundigenverslag van 22 november 1997 neer ter griffie van de politierechtbank te Gent. Tevens legt hij een memorie van 23 november 1997 neer waarin de verrichtingen vermeld worden en de onkosten en erelonen begroot worden op een totaal van 64.648 BEF + 13.576 BEF BTW. IX-1436-2/7 De politierechter te Gent begroot op 24 november 1997 de bovenvermelde kostenstaat op 78.224 BEF. 1.
  6. Met een brief van 27 januari 1998 deelt L. VANNIEUWENBORGH, adjunct-adviseur bij het ministerie van Justitie, “Voor de Minister” het volgende mee aan verzoeker : “Ik heb de eer U ter kennis te brengen dat ik op 29/12/1997, ingevolge de bepalingen voorzien in artikel 78, 5de alinea van het Algemeen Reglement op de Gerechtskosten in Strafzaken, de hogergenoemde memorie, die mij door het parket van Gent werd overgemaakt op 01/12/1997, heb voorgelegd aan de Commissie voor Gerechtskosten in Strafzaken. In afwachting van de beslissing van bedoelde Commissie, wordt u een provisie van 36.300 F toegekend. De beschikkingen van het Algemeen Reglement, van toepassing op de Commissie voor de Gerechtskosten in Strafzaken, staan vermeld op de keerzijde van dit schrijven”. 1.
  7. Op 12 februari 1998 beslist de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken -hierna : de commissie- om verzoeker uit te nodigen het aantal uren in rekening gebracht voor het opstellen van het deskundigenverslag, te rechtvaardigen. Bij brief van 2 maart 1998 wordt aan verzoeker een afschrift bezorgd van die beslissing van de commissie en wordt verzoeker door de eerste substituut-procureur des Konings te Gent verzocht om zijn rechtvaardiging via het parket te Gent te bezorgen. In een brief van 7 maart 1998 aan het parket van de procureur des Konings te Gent geeft verzoeker de gevraagde rechtvaardiging. Die rechtvaardiging wordt door de procureur des Konings te Gent op 16 maart 1998 bezorgd aan de commissie. 1.
  8. Blijkens een ‘Uittreksel uit het proces-verbaal der zitting van 07/05/1998" beslist de commissie om de memorie van verzoeker vast te stellen op 34.788 BEF (honoraria) + 7.306 BEF (BTW) = 42.094 BEF. IX-1436-3/7 In dat uittreksel wordt die beslissing als volgt gemotiveerd : “Aangezien de deskundige zich vergiste bij het samentellen van zijn memorie t.t.z. het totale netto bedrag bedraagt 66.948 F i.p.v. 64.648 F, hetzij een vermeerdering van 2.300 F, excl. BTW; Overwegende dat de werkzaamheden door de deskundige verricht, de normale werkzaamheden zijn die van een deskundige kunnen worden verwacht, dat de 42 uren terzake in rekening gebracht voor het opstellen van een verslag van + 9 bladzijden, rekening gehouden met de voorafgaande prestaties, kennelijk overdreven is; Beslist de Commissie dat in vergelijking met soortgelijke verslagen, 10 uren moeten volstaan temeer daar uit het verslag niet blijkt dat het terzake een bijzonder moeilijke expertise betrof, hetzij een vermindering van 32 uren aan 1.005 F = 32.160 F, excl. BTW; Stelt voormelde memorie van de heer VERMEYLEN vast op de som van tweeënveertigduizend vierennegentig frank. (hon : 34.788 F + BTW : 7.306 F = 42.094 F)”. 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker een eerste middel als volgt aanvoert : “schending van art. 78, alinea 5 (KB 28/12/1950) : doordat de heer L. Vannieuwenborgh, adjunct-adviseur van de Minister van Justitie, blijkens zijn brief van 27/1/1998, op 29/12/1997 de memorie van verzoeker, neergelegd op 24/11/1997, overmaakte aan de Commissie van Gerechtskosten in Strafzaken, en aldus namens de Minister besliste dat de honoraria van verzoeker niet vastgesteld werden op een bedrag dat met het belang der verstrekte prestaties overeenstemde, terwijl : enerzijds, eerste onderdeel: art. 78, al. 5 (KB 28/12/1950) bepaalt dat de Minister voornoemde beslissing moet treffen om de memorie aan de Commissie over te maken, uit niets blijkt dat de Minister deze beslissing trof, art. 78, al. 5 voornoemd geen delegatiebevoegdheid van de Minister aan de betrokken ambtenaar voorziet, en uit geen enkele andere bepaling voornoemde delegatiebevoegdheid in hoofde van de heer Vannieuwenborgh kan afgeleid worden, zodat de Commissie niet rechtsgeldig gevat werd en dan ook de bestreden beslissing niet vermocht te treffen; anderzijds, tweede onderdeel : (...)”; IX-1436-4/7 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dat de zogenaamde delegatie van bevoegdheden niet slaat op het essentiële of het hoofdbestanddeel van de toegewezen functie; dat volgens haar de betrokken ambtenaar maar een “sluisfunctie” heeft : hij spreekt weliswaar een eerste appreciatie uit, maar de eindbeslissing wordt doorgeschoven naar de commissie; dat zij verder betoogt dat er geenszins een delegatie van bevoegdheden is maar hoogstens een machtiging van handtekening waarbij de ambtenaar geen beslissingsbevoegdheid krijgt maar enkel de zorg voor het instrumentum dat de beslissing officialiseert, bijvoorbeeld de betekening van de beslissing; 2.1.
  11. Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat uit artikel 78 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken zoals het luidde toen de bestreden beslissing genomen werd, afgeleid moet worden dat de minister of de ambtenaar die in zijn plaats optreedt meer dan een “sluisfunctie” vervult: hij kan immers, na nazicht, op de toegestuurde memories de vermelding "geen bezwaar" aanbrengen en het ereloon kan dan onmiddellijk uitbetaald worden (artikel 78, derde lid), is hij van oordeel dat de voorwaarden van de schaal bedoeld in artikel 1 niet in acht werden genomen of dat de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt (artikel 78, vierde en vijfde lid), dan maakt hij de betwiste memories over aan de commissie voor de gerechtszaken in strafzaken, die het bedrag van de memorie vaststelt; dat in beide gevallen reeds een beoordeling wordt uitgevoerd over het bestaan en het bedrag van de schuldvordering waardoor, in het eerste geval, het optreden van de voornoemde commissie wordt uitgesloten; Overwegende dat weliswaar de uitgeoefende bevoegdheid niet zo belangrijk is dat zij delegatie aan een ambtenaar uitsluit; dat daarvoor dan wel is vereist dat die delegatie uitdrukkelijk is verleend; dat van dat laatste geen bewijs wordt voorgelegd; dat het verweer als zou geen sprake zijn van een delegatie van bevoegdheden maar enkel van een toelating gegeven aan een ambtenaar tot het plaatsen van een handtekening in opdracht, niet opgaat, aangezien daardoor de IX-1436-5/7 ambtenaar geen beslissingsbevoegdheid krijgt : hij kan enkel het "instrumentum" opmaken van een beslissing die door de bevoegde overheid is genomen en in een dergelijk geval moet de verwerende partij een akte kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de minister van Justitie de beslissing genomen heeft om de memorie van verzoeker te bezorgen aan de commissie; dat het eerste onderdeel van het middel dienvolgens gegrond is; dat het overbodig is het tweede onderdeel ervan en het tweede middel te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
  12. Vernietigd wordt de beslissing genomen op 7 mei 1998 door de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken waardoor de memorie van 23 november 1997 van Emmanuel VERMEYLEN op een lager bedrag wordt vastgesteld dan door hem begroot. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-1436-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1436-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.073 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.